Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
19 maart 2024.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk beschadigen van een auto op 25 december 2019 in Utrecht. Tijdens het proces stelde de verdediging dat sprake was van een vormverzuim omdat de verdachte niet correct was geïnformeerd over het recht op kosteloze rechtsbijstand bij de verdenking van vernieling en mishandeling, terwijl dit recht wel van toepassing was.
Het hof verwierp dit verweer omdat de verdachte volgens het hof uitdrukkelijk afstand had gedaan van het recht op rechtsbijstand. Echter liet het hof de juistheid van de stellingen van de verdediging over de onvolledige mededeling over kosteloze rechtsbijstand buiten beschouwing, waardoor de motivering van de verwerping ontoereikend was.
De Hoge Raad oordeelt dat bij een vormverzuim waarbij niet alle voorgeschreven mededelingen juist zijn gedaan, en het verweer zich richt op bewijsuitsluiting, de rechter moet beoordelen of aan het verzuim een rechtsgevolg moet worden verbonden en welk gevolg dat is. Omdat het hof dit niet adequaat heeft gedaan, vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
De overige onderdelen van het beroep worden verworpen. De uitspraak is gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 19 maart 2024.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling vanwege onvoldoende motivering van het bewijsuitsluitingsverweer.