Conclusie
advocaat: mr. N.C. van Steijn
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
Partijen nemen in aanmerking
De vruchtbaarheidsbehandeling heeft plaatsgevonden bij een fertiliteitskliniek te Kızılbaş, Noord-Cyprus. De behandelend arts aldaar heeft op 10 februari 2023 schriftelijk verklaard dat het embryo tot stand is gekomen met behulp van een eicel van de draagmoeder en sperma van de biologische vader.
- gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de echtgenoot van de draagmoeder; en om
- vaststelling van het vaderschap over het kind van de biologische vader.
- te bepalen dat het gezag van de draagmoeder over het kind wordt beëindigd en dat de biologische vader het eenhoofdig gezag over het kind toekomt;
- de adoptie van het kind door de wensvader uit te spreken;
- de geslachtsnaam van het kind te wijzigen en vast te stellen als de geslachtsnaam van de biologische vader; en
- te verstaan dat als de adoptie in kracht van gewijsde is gegaan, de familierechtelijke betrekkingen tussen het kind en de biologische vader in stand blijven en dat laatstgenoemde samen met de wensvader met het gezag over het kind zal zijn belast.
- het verzoek om de biologische vader te belasten met de uitoefening van het eenhoofdig gezag over het kind af te wijzen;
- het verzoek om de adoptie van het kind door de wensvader uit te spreken af te wijzen;
- het verzoek om de adoptie terug te laten werken tot het tijdstip van de geboorte van het kind af te wijzen.
- de adoptie door de wensvader van het kind is uitgesproken;
- is bepaald dat de adoptie terug zal werken tot het tijdstip van geboorte van het kind;
- is vastgesteld dat de wensouders gezamenlijk hebben verklaard dat het kind de geslachtsnaam van de biologische vader zal hebben;
- aan de griffier is opgedragen de bestreden beschikking aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de [plaats] te zenden;
- is verstaan dat de familierechtelijke betrekking met de biologische vader in stand blijft;
- is verstaan dat de wensouders nadat de adoptiebeslissing onherroepelijk is, gezamenlijk het gezag met betrekking tot het kind zullen uitoefenen.
In zoverre opnieuw rechtdoend heeft het hof de verzoeken van de wensouders ter zake van de adoptie van het kind door de wensvader en alle daarmee samenhangende verzoeken afgewezen.
- de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de echtgenoot van de draagmoeder;
- de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de biologische vader; en
- het belasten van de biologische vader met de uitoefening van het eenhoofdig gezag over het kind.
Inleiding
De adoptie
Het gezag over [het kind]”
Ik hecht eraan op te merken dat de omstandigheid dat de echtgenoot ook in cassatie in juridisch opzicht niet kan worden aangemerkt als belanghebbende, niets zegt over zijn feitelijke betrokkenheid en emotionele belang bij (de uitkomst van) deze procedure.
3.Juridisch kader
I. Inleiding: begripsduiding, afbakening en leeswijzer
- de draagmoeder gehuwd is;
- haar echtgenoot niet de biologisch vader van het kind is;
- een van de twee wensouders wel de biologisch vader van het kind is.
paragaaf IIstaat het
draagmoederschapcentraal. In
paragraaf II.1bespreek ik de ontwikkelingen rond de regulering van het draagmoederschap, waaronder het aanhangige wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming. In
paragraaf II.2ga ik in op het huidig juridisch traject van overdracht van ouderschap en gezag bij draagmoederschap. Daarbij bespreek ik eerst het verdragsrechtelijk kader. Vervolgens sta ik stil bij het huidig wettelijk kader rond juridisch ouderschap, gezag en omgang bij draagmoederconstructies. Daarbij ligt de focus op de voor de voorliggende zaak relevante aspecten.
paragraaf IIIstaat
adoptieals sluitstuk van de overdracht van juridisch ouderschap en gezag bij een draagmoederconstructie centraal. In de inleidende
paragraaf III.1bespreek ik de ontwikkelingen met betrekking tot wetgeving rond adoptie. In de centrale paragraaf III.2 ga ik, mede aan de hand van de wetsgeschiedenis en de rechtspraak, in op de wettelijke vereisten voor adoptie, waaronder het vereiste dat het kind van een ouder (i.c. de draagmoeder) in de hoedanigheid van ouder niets meer te verwachten heeft.
paragraaf IVsta ik, tot slot, stil bij de ontvangst van de in cassatie bestreden beschikking in de literatuur.
fait-accompli-situatie te voorkomen. [23] Met een beoordeling voorafgaand aan het ontstaan van de zwangerschap, geeft de wetgever blijkens de memorie van toelichting voorrang aan het belang van een vrije instemming van de draagmoeder en het belang van het kind, draagmoeder en wensouder bij rechtszekerheid omtrent de uitkomsten van de procedure boven het belang van betrokkenen om terug te kunnen komen op hun intentie indien de zwangerschap een ander verloop heeft dan verwacht. Daarmee wordt in het belang van het kind en alle betrokkenen met name het recht op bescherming van het
family lifevan de draagmoeder beperkt, maar de regering acht dat gerechtvaardigd om het kind belang bij en recht heeft op zekerheid over ouderschap, naam, nationaliteit en wie verantwoordelijk is voor de verzorging en opvoeding. [24]
the best interests of the child shall be a primary consideration.
eeneerste overweging’ [29] zijn. Dit houdt in dat het belang van het kind niet altijd doorslaggevend is. Wel merkte de wetgever bij de goedkeuringswet van het IVRK op dat het “
met de doelstelling van het verdrag in overeenstemming [is] te achten dat, in geval van conflict van belangen, het belang van het kind als regel de doorslag behoort te geven.” [30]
the best interests of the child shall be the paramount considerationand they shall:
draagmoederhebben volgens het EHRM
family life, in ieder geval tot de uitspraak van de rechter waarin het ouderschap wordt overgedragen aan de wensouder(s) in kracht van gewijsde is gegaan. [33] Of daarna nog sprake is van
family life, hangt af van de vraag of en de wijze waarop de draagmoeder en het kind contact houden. [34] De verhouding tussen de draagmoeder en het kind kan dan ook onder het beschermde privéleven van de draagmoeder en het kind vallen. [35]
wensouderswordt volgens het EHRM in eerste instantie beschermd door het recht op privéleven van artikel 8 EVRM Pro. Dit komt in de rechtspraak van het EHRM met name aan orde in verband met de mogelijkheid van de genetisch verwante wensouder tot erkenning van de ouderschapsband met het kind. [36] Als het kind en de wensouders in gezinsverband gaan samenleven kan tussen hen
family lifeontstaan. Volgens het EHRM is sprake van beschermd
family lifeof
private lifevan de wensouder zonder genetische band met het kind als de ouderschapsband met de genetisch verwante wensouder eenmaal gevestigd is, of als het kind inmiddels enige tijd opgroeit binnen het gezin van de wensouders. [37]
family life(artikel 8 EVRM Pro) of in het recht om een gezin te stichten (artikel 12 EVRM Pro). [39]
private lifevan artikel 8 EVRM Pro. Het recht op
private lifevan het kind sluit dus aan bij het in artikel 8 IVRK Pro neergelegde recht van het kind om zijn identiteit te behouden. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat een juridische ouder-kind relatie een essentieel onderdeel vormt van de identiteit van een kind en daarmee van het recht op
private lifevan een kind. [40] De onmogelijkheid om een juridische ouder-kind relatie te doen ontstaan, kan dus een inbreuk op het recht op
private lifevan het kind opleveren.
family lifemet de kinderen feitelijk niet beperkt werd. Jegens de kinderen was volgens het Hof wel sprake van schending van artikel 8 EVRM Pro. In dit verband overwoog het EHRM: [41]
de factorefused being recognised as having a legal parent-child relationship. Such lack of recognition
per sehad a negative impact on the children’s right to respect for their private life, in particular because it placed them in a position of legal uncertainty regarding their identity within society (..).”
draagmoeder. Het zelfbeschikkingsrecht van de draagmoeder volgt uit artikel 8 EVRM Pro en 10 en 11 Grondwet. Dit recht ziet onder meer op de reproductieve autonomie van de draagmoeder. Op grond van het zelfbeschikkingsrecht moet de draagmoeder vrij en geïnformeerd kunnen instemmen met het draagmoedertraject. Ook betekent het dat zij vrij is om keuzes te maken over haar lichaam, zoals de keuze om zwanger te (proberen te) raken [42] maar ook om de zwangerschap te laten beëindigen. [43] De draagmoeder wordt in het kader van het zelfbeschikkingsrecht ook beschermd tegen uitbuiting of dwang met betrekking tot draagmoederschap. Ik wijs ook op het VN-Vrouwenverdrag (m.n. de artikelen 6 en 16 van dit verdrag). [44]
ontkenning van het vaderschapvan de echtgenoot van de draagmoeder (art. 1:200 BW Pro). Als gevolg daarvan is de draagmoeder de enige juridische ouder en heeft zij het eenhoofdig gezag over het kind;
2. Gerechtelijke
vaststelling van het vaderschapvan de biologische (art. 1:207 BW Pro). Na deze vaststelling zijn zowel de draagmoeder als de biologische vader juridisch ouder van het kind;
3.
Gezagswisselop grond van artikel 1:253c BW, waarbij het eenhoofdig gezag van de draagmoeder wordt beëindigd en de biologische wensvader met het eenhoofdig gezag wordt belast;
4.
Adoptiedoor de andere wensouder (art. 1:227 e.v. BW), waardoor laatstgenoemde juridisch ouder van het kind wordt (art. 1:229 lid 1 BW Pro). Door de adoptie eindigt het juridisch ouderschap van de draagmoeder (art. 1:229 lid 2 BW Pro). Adoptieouders die met elkaar gehuwd zijn of een geregistreerd partnerschap hebben, oefenen van rechtswege het gezamenlijk gezag over het kind uit (art. 1:251 lid 1 BW Pro). De adoptieouders hebben de mogelijkheid de geslachtsnaam te kiezen bij de adoptie (art. 1:5 lid 3 BW Pro). [48]
kinderbeschermingsgedachte: het bieden van bescherming aan pleeggezinnen tegen ongewenste aanspraken van de oorspronkelijke ouders van een pleegkind en het laten aansluiten van de juridische werkelijkheid bij de feitelijke werkelijkheid van een kind dat wordt opgevoed en verzorgd door anderen dan de oorspronkelijke ouders, die daartoe niet in staat of bereid waren.
vestigen van een afstammingsrelatieen het hebben van de mogelijkheid om, juridisch gezien, een kind te krijgen. Als voornaamste oorzaak voor dat gewijzigde doel wordt meestal gewezen op de introductie van de mogelijkheid tot stiefouderadoptie in 1979 waardoor het adopteren van een kind door de nieuwe partner van een van de oorspronkelijke ouders mogelijk werd. [53] Bij stiefouderadoptie is het belang van het kind niet gelegen in bescherming maar in het al dan niet hebben van een familierechtelijke betrekking met de stiefouder. [54]
dan zou adoptie het sluitstuk kunnen zijn dat het kennelijke belang van het kind dient.Ten slotte, een bepaling als voorgesteld lijkt op het eerste gezicht moeilijk te handhaven.
Ook als het huwelijk niet wordt opengesteld, is de invoering van adoptie door personen van hetzelfde geslacht in het (kennelijk) belang van het kind gewenst.Omgekeerd is de invoering van deze vorm van adoptie niet afhankelijk van de openstelling van het huwelijk.”
family lifevan het kind met de wensouders beschermt (zie ook onder 3.36). [60]
Adoptie
3. Nieuwe voorwaarde voor adoptie
Uitgangspunt is derhalve dat de familieband met de oorspronkelijke ouders in zoveel mogelijk gevallen blijft bestaan. Dit criterium is passend gelet op de voorzichtigheid waarmee adoptie dient te worden benaderd.(…) Het gaat erom dat het kind nu en in de toekomst, voorzover voorzienbaar, niets meer te verwachten heeft van zijn ouder(s).
De beoordeling van de vraag wanneer aan de nieuwe voorwaarde voor adoptie is voldaan, dient gelet op de diversiteit van gevallen te worden overgelaten aan de rechter.Er zullen gevallen zijn waarin deze vraag eenvoudig zal zijn te beantwoorden, zoals het geval van duomoeders waarin bij één van hen een kind is verwekt door middel van kunstmatige inseminatie met het semen van een anonieme donor. Aangezien de banden met de juridische moeder, die het kind heeft gebaard, door de adoptie niet worden verbroken, en er geen andere – biologische – ouder aan te wijzen is, zal aan het nieuwe vereiste zijn voldaan. De afweging kan anders liggen wanneer het kind bij voorbeeld is verwekt met semen van een bekende van de moeder en/of van haar partner. Teneinde duidelijkheid te verkrijgen omtrent de intenties van de bekende donor met betrekking tot het afstammingsouderschap, is het aangewezen dat die donor in het kader van het adoptieverzoek door de rechter kan worden opgeroepen om te worden gehoord. Mede gelet op zijn verklaring
en de verdere omstandigheden van het geval, zal dan vastgesteld moeten worden of het kind van die donor als ouder werkelijk niets te verwachten heeft.
In het geval dat de nieuwe partner (vrouw of man) van de vader een kind van hem zou willen adopteren, zal niet altijd aan de nieuwe voorwaarde zijn voldaan, omdat niet met voldoende zekerheid zal zijn vast te stellen dat het kind niets meer van de moeder als ouder te verwachten heeft. In gevallen dat de relatie tussen moeder en kind, bijvoorbeeld door verwaarlozing van het kind, ernstig is verstoord, is het immers niet uitgesloten dat door latere ontwikkelingen de ouder/kind-relatie nog weer inhoud kan krijgen.
Ook hier zullen de verklaringen van de ouder en de verdere omstandigheden van het geval belangrijke factoren zijn bij de beoordeling van de vraag of het kind van zijn ouder als ouder nog iets te verwachten heeft. Hetzelfde geldt uiteraard in het omgekeerde geval dat de relatie tussen vader en kind ernstig is verstoord, en de nieuwe partner van de moeder het kind zou willen adopteren.
Is er twijfel over het antwoord op de vraag of aan de gestelde voorwaarde wordt voldaan, dan zal naar mijn oordeel de rechter de oorspronkelijke ouder het voordeel van de twijfel moeten geven. Als een adoptie om deze reden niet zou doorgaan, bestaat altijd nog de mogelijkheid van het op 1 januari 1998 ingevoerde gezamenlijk gezag van een ouder en zijn partner, dat hieronder zal worden besproken.
Door opneming in de wet van deze voorwaarde wordt het zeer algemene criterium «kennelijk belang van het kind» aangescherpt. Ik verwacht niet dat hierdoor het aantal adopties van kinderen in Nederland sterk zal teruglopen. Wel kan het ertoe leiden dat het aantal stiefouderadopties afneemt, omdat in die gevallen er vaak een ouder op afstand is, van wie niet gezegd kan worden dat van hem of haar als ouder niets meer te verwachten valt.
In deze gevallen bestaat er een goed alternatief in de vorm van gezamenlijk gezag voor de verzorgende ouder en zijn nieuwe partner.
Gelet op het feit dat de voorgestelde aanscherping van de voorwaarde dat adoptie het kennelijke belang van het kind moet dienen tot nu toe niet in de wet tot uitdrukking is gebracht, zodat een uitdrukkelijke toetsing aan deze voorwaarde ook niet behoefde plaats te vinden, kan ik niet vaststellen of er adopties hebben plaatsgevonden die niet aan deze voorwaarde voldeden. Het zou kunnen.
Het voorgestelde criterium scherpt het algemene criterium aan dat de adoptie het kennelijke belang van het kind behoort te dienen. Omdat adoptie niet alleen leidt tot vestiging van een familierechtelijke betrekking met een of beide adoptieouders, maar ook leidt tot verbreking van alle banden met de oorspronkelijke ouders, is het naar mijn oordeel niet voldoende dat uitsluitend de familie-situatie wordt getoetst waarin het kind wordt opgevoed. Juist het gegeven dat adoptie zulke verstrekkende consequenties heeft voor de oorspronkelijke ouders brengt mee dat een aanscherping van het criterium dat adoptie in het kennelijke belang van het kind dient te zijn, gewenst is.
de bedoelde extra voorwaarde geformuleerd. Dat de mogelijke invoering van adoptie voor personen van hetzelfde geslacht aanleiding heeft gegeven om nog eens goed te kijken naar de ontwikkeling van de toepassingen van de adoptievoorwaarden in het algemeen, mag voor zich spreken. Of de bedoelde aanvulling ook zou zijn voorgesteld als dit niet gepaard zou gaan met de invoering van de adoptie door personen van hetzelfde geslacht, is een moeilijk te beantwoorden vraag omdat zij uitgaat van een zich niet voordoende situatie.”
De leden van de CDA-fractie vroegen of aan de nieuwe voorwaarde voldaan kan zijn wanneer een zaaddonor of een draagmoeder verklaart afstand van een kind te willen doen, terwijl er geen reële beletselen bij hen zijn om een kind te verzorgen en op te voeden. Zij hebben bij voorbeeld eigen kinderen. Ik onderscheid bij de beantwoording van deze vraag tussen de (bekende) zaaddonor en de draagmoeder.De bekende zaaddonor is de biologische ouder van het kind die in de adoptieprocedure betrokken zal worden als hij in een betrekking staat tot het kind die als «family life» gekwalificeerd kan worden. Die betrekking tot het kind kan voortvloeien uit de relatie die de donor tot de moeder heeft of heeft gehad of uit de verhouding die de donor met het kind zelf heeft opgebouwd. In het bijzonder als de donor met het kind zelf een zodanige relatie heeft dat die als family life gekwalificeerd kan worden, kan de vraag rijzen of vast kan komen te staan of het kind van de donor als ouder niets meer te verwachten heeft. «Family life» op grond van de relatie met het kind wordt niet gemakkelijk aangenomen. Vaak zal het erop neer komen dat de donor in een dergelijk geval het kind mede heeft verzorgd en opgevoed gedurende langere tijd. In dergelijke gevallen zal de donor niet snel afstand doen van het kind. Een donor die geen «family life» heeft met het kind behoeft niet te worden opgeroepen en te worden gehoord. Het is ten aanzien van hem niet nodig vast te stellen of aan het nieuwe criterium wordt voldaan.
Het gaat dan om een zeer specifieke situatie. Adoptie is daarin het sluitstuk van een reeks juridische stappen, waarin al eerder de vraag aan de orde is geweest of de draagmoeder geschikt is om haar plichten als ouder tot verzorging en opvoeding te vervullen. Het antwoord op die vraag wordt gegeven ter gelegenheid van de ontheffing van de draagmoeder van het ouderlijk gezag. Dit antwoord zal voor de vraag of aan het nieuwe criterium bij adoptie wordt voldaan, mede bepalend kunnen zijn.”
de hoedanigheid van oudernog iets te verwachten heeft (zie ook onder 3.57 en de aangehaalde passage uit de wetsgeschiedenis onder 3.62). [72]
family lifehad met het kind, als ouder kon verwachten. [76] De Hoge Raad verwierp het daartegen gerichte cassatieberoep en overwoog daartoe: [77]
kande rechter voorbijgaan aan de tegenspraak en de adoptie in weerwil van het protest van een ouder toch uitspreken. Dat is slechts mogelijk als het kind en de ouder niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd (onder a), de ouder het gezag over het kind heeft misbruikt of de verzorging en opvoeding van het kind op grove wijze heeft verwaarloosd (onder b) of in geval van een onherroepelijke veroordeling wegens het plegen van bepaalde misdrijven tegen het kind (onder c). Tot slot is het mogelijk dat wordt voorbijgegaan aan tegenspraak als de ouder misbruik maakt van zijn of haar bevoegdheid om tegenspraak te leveren. [83] Deze gronden om het vetorecht te passeren, waarborgen dat een ouder niet een adoptie kan tegenhouden als de adoptie in het kennelijk belang van het kind is (het eerste vereiste voor adoptie, zie hiervoor onder 3.56 e.v.).
kande rechter echter voorbij gaan als het kind en de draagmoeder niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd (art. 1:228 lid 2 BW Pro). Het vetorecht is immers niet absoluut. Als de rechter aan de tegenspraak op deze grond voorbij gaat, betekent dit dat het door de moeder uitgeoefende vetorecht de adoptie niet in de weg staat.
In het geval dat de oorspronkelijke ouder of ouders het verzoek tegenspreken, kan zich de vraag voordoen of dit feit betekent dat de nieuwe voorwaarde voor adoptie, te weten dat het kind van zijn oorspronkelijke ouders niets meer te verwachten heeft, niet is vervuld. Deze vraag moet in zijn algemeenheid ontkennend worden beantwoord. De tegenspraak van de ouder(s), en de daarvoor aangevoerde gronden kunnen meebrengen dat het kind van die ouder in familierechtelijk opzicht nog iets te verwachten heeft, maar noodzakelijk is dit niet.De tegenspraak behoeft niet gericht te zijn tegen de adoptie zelf, maar kan gericht zijn tegen de persoon van de adoptant(en). De oorspronkelijke ouder geeft dan niet aan dat hij zelf de familierechtelijke relatie met het kind wenst te behouden, maar slechts dat hij betwist dat de adoptant een geschikte ouder zou zijn en dat de adoptie in het kennelijk belang van het kind zou zijn.
Indien de tegenspraak echter wel is gegrond op de stelling dat de oorspronkelijke ouder de familierechtelijke relatie met het kind wenst te behouden, zal deze stelling moeten meewegen in de vaststelling of het kind, gelet op alle feiten en omstandigheden, van die ouder als ouder werkelijk niets meer te verwachten heeft.
- de omstandigheid dat de verzochte adoptie doorgaans het sluitstuk is van een reeks stappen die tussen draagmoeder en wensouders is afgesproken om beide wensouders juridisch ouder te maken;
- in hoeverre zijn alle eerdere stappen al doorlopen conform het aanvankelijk tussen alle betrokkenen overeengekomen plan; is bijvoorbeeld een van de wensouders al juridisch ouder met eenhoofdig gezag?;
- het gezin waar het kind sinds de geboorte woont: bij de wensouders of bij de draagouders?;
- indien bij de wensouders: omvang van de contactregeling met de draagmoeder (en haar eventuele gezin), de kwaliteit van dit contact, en de mate waarin de wensouders de band en het contact tussen het kind en de draagmoeder ondersteunen en faciliteren, welke ouder(s) heeft of hebben gezag?;
- een advies van de raad voor de kinderbescherming op grond van artikel 810 Rv Pro over de adoptie (voor of juist tegen adoptie).
FJR2025/70.8)) sorteerden de wensvaders alvast voor op dit wetsvoorstel.
RFR2025/94 wordt opgemerkt, kan hier wel de vraag worden opgeworpen in hoeverre het belang van het kind wordt gediend, nog even los van de vraag in hoeverre art. 1:228 BW Pro een sta-in-de-weg is tegemoet te komen aan de wens van de moeder juridische ouder te blijven. Immers, moeder en het kind hebben niet of nauwelijks in gezinsverband samengeleefd. Daarnaast en bovendien ligt het voor de situatie die gecreëerd is en toch ook wel gehandhaafd wordt, het kind groeit op bij de twee wensouders, meer voor de hand de twee wensvaders de twee juridische ouders te laten zijn, zoals ook is overeengekomen. Het vaststellen van een omgangsregeling tussen kind en moeder, waarover bij de rechtbank een procedure loopt, komt dan tegemoet aan het bestendigen van de band tussen moeder en kind.”
4.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelis gericht tegen het oordeel van het hof in r.o. 5.15 dat niet langer is voldaan aan de voorwaarde van artikel 1:227 lid 3 BW Pro dat op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien dat het kind niets meer van de draagmoeder in de hoedanigheid van ouder heeft te verwachten. Dit oordeel is volgens de wensouders onjuist of onbegrijpelijk. Samengevat wordt bepleit dat de vraag of redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer te verwachten heeft van de draagmoeder, gelet op de tekst van artikel 1:227 lid 3 BW Pro, moet worden beoordeeld naar de stand van zaken van het moment van indiening van het adoptieverzoek bij de rechtbank (
ex tunc). Het hof heeft het adoptieverzoek beoordeeld aan de hand van de stand van zaken in appel (
ex nunc) beoordeeld en dat is onjuist, aldus de wensouders.
ex tunczou moeten worden getoetst door rechtbank en hof. Integendeel: het belang van het kind is onder de huidige wetgeving het meest gebaat bij een beoordeling aan de hand van de actuele feiten en omstandigheden van het geval, in plaats van aan de hand van de feiten en omstandigheden op het moment van indiening van het verzoek tot adoptie. Dat de rechters in eerste aanleg en in hoger beroep een adoptieverzoek zouden moeten beoordelen aan de hand van de omstandigheden ten tijde van het indiening van het adoptieverzoek, draagt bovendien ook niet per definitie bij aan rechtszekerheid, zoals de wensouders tot uitgangspunt lijken te nemen. Het hof kan de betreffende feiten en omstandigheden immers anders wegen dan de rechtbank en in hoger beroep alsnog tot een ander oordeel komen.
onderdelen 2 tot en met 5richten zich met verschillende klachten tegen – kort gezegd – de beoordeling van het hof of voldaan is aan het vereiste van artikel 1:227 lid 3 BW Pro dat het kind niets meer van de draagmoeder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. De klachten komen er in de kern op neer dat het hof bij deze beoordeling niet alle relevante feiten en omstandigheden betrokken heeft, althans dat het hof dit niet voldoende kenbaar heeft gedaan.
Onderdeel 6is voorgesteld voor het geval artikel 1:227 lid 3 BW Pro een belangenafweging in de weg zou staan.
Ook heeft het hof volgens dit onderdeel nagelaten te onderzoeken of het kind gelet op alle feiten en omstandigheden nog iets van de draagmoeder te verwachten had, onder kennelijke verwijzing naar de hiervoor onder 3.86 geciteerde passage uit de wetsgeschiedenis. Daarbij had het hof op grond van artikel 1:228 lid 2 sub a BW Pro, artikel 3 en Pro 21 IVRK en artikel 8 en Pro 12 EVRM moeten toetsen aan de volgende in het onderdeel opgesomde feiten en omstandigheden:
Aangevoerd wordt, samengevat, dat de overweging van het hof in r.o. 5.16 dat het hof bij anticipatie op het wetsvoorstel de mogelijkheid zou hebben de beslissing te nemen die in het belang van het kind wenselijk is, onjuist of onbegrijpelijk is omdat het hof die mogelijkheid en verplichting gelet op voornoemde bepalingen ook al heeft. Dat geldt zowel in het geval van rechtstreekse werking van deze bepalingen als bij verdragsconforme uitleg van de artikelen 1:227 en 1:228 BW. Bovendien volgt uit jurisprudentie van het EHRM dat op grond van artikel 8 EVRM Pro het belang van het kind voorop moet worden gesteld. [105] Voor zover het hof een en ander niet miskend heeft, is zijn beslissing volgens de subsidiaire klacht van het onderdeel onbegrijpelijk omdat het hof in zijn oordeel of voldaan is aan de voorwaarden van artikel 1:227 lid 3 BW Pro niet of onvoldoende kenbaar is ingegaan op voornoemde belangen, gegevens en verhoudingen, onder andere zoals opgesomd in onderdeel 3.
De consequentie van het oordeel van het hof is dat de draagmoeder nu nog het juridisch ouderschap heeft en haar geslachtsnaam doorgeeft aan het kind. De wensvader heeft nu geen enkele juridische band met het kind. Hierdoor verkeert het kind – zoals aangegeven door de raad [106] - in onzekerheid over het gezin waarin hij opgroeit en heeft hij een achternaam die niet bij zijn wensouders hoort. Aan de gevoelens van de draagmoeder zou ook tegemoet kunnen worden gekomen door middel van omgang, waarover een andere procedure loopt. Het hof had bij dit alles (voldoende kenbaar) moeten meewegen maar heeft dit niet gedaan, aldus het onderdeel.
onderdelen 2-6lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
1) de draagmoeder niet langer haar ouderband met het kind wenst door te snijden en niet langer de wens heeft in te stemmen met de adoptie;
2) gebleken is dat het kind vanaf zijn geboorte goed contact en prettige omgang met de draagmoeder en haar gezin heeft gehad; en
3) dat bij de draagmoeder nu de wens bestaat om voor het kind te zorgen en medeverantwoordelijkheid te nemen voor zijn opvoeding.
Uit dit alles maakt het hof op dat de draagmoeder in de toekomst een rol als moeder in het leven van het kind zou willen en mogelijk ook zou kunnen vervullen, waardoor niet voldaan is aan de door de wet vereiste situatie dat voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van de draagmoeder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft.
ofaan het wettelijke niets meer te verwachten-vereiste is voldaan. Op deze wijze zou het belang van het kind gewaarborgd zijn bij de beoordeling door het hof of aan dit vereiste is voldaan.
onderdeel 2.
onderdeel 3, onder 9 (en vergelijk ook het door mij genoemde, niet-limitatieve lijstje van feiten en omstandigheden onder 3.87). Onderdeel 3 klaagt terecht dat het hof deze feiten en omstandigheden ook had moeten meewegen. Ook dit onderdeel slaagt dus.
onderdelen 4 en 5geklaagd dat het hof in het kader van de beoordeling of aan bedoeld wettelijk vereiste is voldaan, ten onrechte de in onderdeel 3 genoemde feiten en omstandigheden buiten beschouwing heeft gelaten waardoor geen recht wordt gedaan aan het belang van het kind (onderdeel 4) en ook niet aan de belangen van de wensouders (onderdeel 5). Voor zover de onderdelen beogen te klagen dat het hof bedoelde feiten en omstandigheden had moeten meewegen bij de beoordeling van het niets meer te verwachten-vereiste, slagen de onderdelen.
onderdelen 4 en 5, voor zover zij mede zijn voorgesteld voor het geval artikel 1:227 lid 3 BW Pro een belangenafweging in de weg zou staan. Het hof diende immers
in het kader vande beoordeling of aan bedoeld wettelijk vereiste is voldaan alle feiten en omstandigheden mee te wegen. Een dergelijke beoordeling brengt als vanzelf mee dat daarin ook ruimte is voor een afweging van alle betrokken belangen.
onderdeel 2, onder 7en
onderdeel 4, onder 13kunnen niet tot cassatie leiden, omdat zij zijn voorgesteld voor het geval de respectievelijke primaire rechtsklachten van deze onderdelen zouden falen.
onderdelen 2 tot en met 5grotendeels slagen.
Onderdeel 7bevat de voortbouwklacht dat het slagen van een of meer van de voorgaande klachten ertoe leidt dat ook r.o. 1.2, 5.18-5.19 en het dictum van de bestreden beschikking niet in stand kunnen blijven. Deze klacht slaagt in het voetspoor van de onderdelen 2 tot en met 5.