Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste middel
1) een geschrift zijnde een verklaring van verdachte [betrokkene 9] van 28 februari 2011, DOC 405, p. 3453 ev, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Overwegingen ten aanzien het onder feit 1, subsidiair tenlastegelegde
: de oplichtingen
in de periode van 1 juni 2009 tot en met 1 juli 2010oplichtingshandelingen heeft verricht, het hof aan die bewezenverklaring “een advertentie in De Brug
de dato 29 april 2009” (bewijsmiddel 3) ten grondslag heeft gelegd. Volgens de stellers van het middel heeft het hof hierdoor blijk gegeven de ‘oude’ tenlastelegging – namelijk de tenlastelegging voor de wijziging in hoger beroep, waarin een pleegperiode van 1 december 2007 tot en met 1 juli 2010 was opgenomen – als uitgangspunt te hebben genomen bij de beraadslaging.
telkensde voor en na “en/of” verweten handelingen [2] ten aanzien van alle in de bewezenverklaring genoemde personen – in de onderhavige zaak in totaal twaalf – moet hebben verricht. Bewezen is verklaard dat de verdachte de oplichtingen ‘tezamen en in vereniging met een ander’ heeft begaan, zodat eveneens niet hoeft vast te staan dat de verdachte zelf alle in het middel genoemde oplichtingshandelingen heeft uitgevoerd. Anders dan de stellers van het middel menen, kan uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen genoegzaam worden afgeleid dat de bewezenverklaarde oplichtingshandelingen zijn gerealiseerd, zodat de deelklacht in zoverre faalt.
totaal 1.310.601,10 euro(…) waardoor
bovengenoemde perso(o)n(en) en/of andere personenwerden bewogen tot de (girale) afgifte van
bovengenoemd(e) geldbedrag(en)” (onderstreping MvW). [6] Deze ‘bovengenoemde personen’ betreffen twaalf in de tenlastelegging met naam genoemde personen. Bij elk van deze personen (of personenparen) is ook een concreet ‘bovengenoemd’ geldbedrag vermeld/tenlastegelegd.
in totaal 426.534,13 euro(…) waardoor
bovengenoemde personen en/of andere personenwerden bewogen tot de (girale) afgifte van
bovengenoemdegeldbedragen” (onderstreping MvW). Hieruit leid ik af dat het hof de bewezenverklaring heeft beperkt tot een bedrag van 426.534,13 euro, welk bedrag een optelsom is van de bewezenverklaarde ‘bovengenoemde geldbedragen’ (vermeld bij de ‘bovengenoemde personen’). [7] Ook leid ik hieruit af dat het hof de verdachte kennelijk en niet onbegrijpelijk impliciet heeft vrijgesproken voor het overige gedeelte van het ten laste gelegde geldbedrag.
partnervan de
verdachte. Daar staat echter tegenover dat de onder bewijsmiddel 1 opgenomen verklaring van de medeverdachte [betrokkene 9] inhoudt: “De Website van [product 1] was klaar (…) Ik dacht we kunnen nu wat centen gaan verdienen en ook het sportinstituut overeind houden, ik had toen met [getuige 1] afgesproken dat ik die € 15000.00 via de nieuwe structuur zou krijgen (…) We zaten toen al met een probleem de centen werden op gemaakt tot die tijd en er stond geen rendement tegen over dus alles ging op dus we moesten vlug life settlements gaan kopen. (…) Ik zal nu weer even terugkomen op de sportschool van [betrokkene 16] deze is vandaag 1 maart gesloten en het faillissement word aangevraagd (…) we hebben veel reddingsacties ondernomen (…) [betrokkene 15] heeft ook geld voor een polis verkoop aan zijn schoonmoeder ontvangen, ook €150.000,00 dit brengt het totaal op €650.000,00, hiervan is geld gebruikt voor de sportschool. (…)” En de inhoud van bewijsmiddel 25, een proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige 1] : “Verder zou [betrokkene 9] (MvW: medeverdachte [betrokkene 9] ) mede eigenaar van een sportschool zijn. (…) Ook bleek dat de sportschool van [betrokkene 9] financiële problemen had. O.a. was er sprake van een huurschuld. [betrokkene 9] wilde eerst geld lenen van [product 1] echter ik wilde dat niet.”
Uit die verklaringen leid ik af dat inleggelden na ontvangst onder meer zouden worden aangewend voor de huur van de noodlijdende sportschool/het sportinstituut van [betrokkene 16] , de partner van
medeverdachte [betrokkene 9] . In elk geval blijkt dat de inleggelden (ook) werden aangewend voor andere doeleinden dan voor de aankoop van de polissen. Dat het hof dit ook heeft bedoeld, zodat ook hier sprake is van een kennelijke misslag die verbeterd kan worden gelezen, blijkt eveneens uit de strafmotivering, waarin het hof overweegt: “De
medeverdachte heeft het overgrote deel van de ingelegde gelden besteed aan andere doeleinden dan waarvoor ze waren ingelegd: vanaf de beginfase, bij wijze van een piramidespel, voor het uitbetalen van rendementen, maar bovenal voor overboekingen naar bedrijven van verdachte(n),
waaronder de noodlijdende sportschool van de toenmalige partner van de medeverdachteen voor privé-uitgaven van beide verdachten.” (onderstreping MvW).
3.Het tweede middel
Overwegingen ten aanzien het onder feit 2 tenlastegelegde: valsheid in geschrifte
58) een geschrift, zijnde een inkomensverklaring, gedateerd 26 augustus 2008 met opdruk [S] op naam van [betrokkene 10] , DOC063, p. 1850 ev juncto het zaaksproces-verbaal artikel 225 Wetboek Pro van Strafrecht, p. 117-118, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Feit 2: valsheid in geschrifte
4.Het derde middel
plegenvan de tenlastegelegde valsheid en het
doen plegenvan valsheid” voor de strafrechtelijke betekenis van het bewezen verklaarde van belang is en dat een dergelijke alternatieve bewezenverklaring aldus in dit geval niet toelaatbaar is. Voorts is volgens de stellers van het middel de bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig
.
doenhandelen”. Van belang is dat bij voornoemd ‘laten doen' het niet gaat om doen plegen in de zin van artikel 47 Sr Pro. In die gevallen is dus niet vereist dat de feitelijk uitvoerder straffeloos is. Vergelijkbaar daarmee zijn blijkens de literatuur en rechtspraak
feitelijke omschrijvingenin de tenlasteleggingen van “iets door anderen laten doen, welke omschrijving niet per se als een tenlastelegging van het doen plegen behoeven te worden opgevat.” [11]
anderenheeft gepleegd”, terwijl het ook bewezen heeft verklaard “dat verdachte en
haar mededaderde bewezenverklaarde gedragingen heeft gepleegd
”, faalt het. De klacht gaat er namelijk aan voorbij dat het hof het
medeplegenvan de ‘valsheid’ bewezen heeft verklaard, wat met zich brengt dat voor die bewezenverklaring niet is vereist dat de verdachte het feit met één ander, haar medeverdachte,
ofmet meer anderen heeft gepleegd. Van innerlijke tegenstrijdigheid dan wel onbegrijpelijke bewezenverklaring is wat mij betreft dus geen sprake.
5.Het vierde middel
Overwegingen ten aanzien het onder feit 3 tenlastegelegde; witwassen
67) het zaaksproces-verbaal, p. 89 ev, voor zover inhoudende:
€ 86.827,90
€ 20.860 aan [betrokkene 3]
€ 16.550 aan Sportinstituut [A]
€ 12.305 aan [betrokkene 4]
€ 164.160,00 aan [D] BV
€ 11.800 aan [betrokkene 5]
€ 10.000 aan [betrokkene 2]
€ 49.507,33 aan creditcard-rekening
€ 30.210,38 aan leasemaatschappijen
€ 25.330 aan [betrokkene 9]
€ 298.534,00 aan familie [...]
€ 159.789,11 aan [betrokkene 2] , [D] BV
€ 6.000 aan [K] (huur)
29 januari 2008tot en met 2 november 2010 de volgende bedragen ten gunste zijn gekomen van verdachte [verdachte] :
tweede deelklacht. Uit de bewijsvoering van het onder 1 bewezenverklaarde volgt dat de verdachte tezamen met medeverdachte [betrokkene 9] de in die bewezenverklaring genoemde personen heeft opgelicht. Daarbij zijn deze personen bewogen tot de (girale) afgifte van geldbedragen, welke bedragen zijn overgemaakt naar bankrekeningen waarvan medeverdachte [betrokkene 9] gemachtigde was. De ontvangen gelden op de bankrekeningen waarvan medeverdachte [betrokkene 9] gemachtigde was, zijn daarmee in beginsel onmiddellijk afkomstig uit de (door verdachte mede)gepleegde oplichting. Vervolgens werden gelden van die bankrekeningen overgeboekt naar de verdachte, in enkele gevallen al één dag na de inleg van de gelden. De verdachte heeft deze gelden daarmee, voor zover van belang voor de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde, verworven. Door dit geld vervolgens uit te geven, heeft de verdachte van de desbetreffende gelden gebruik gemaakt. De gelden die de verdachte op haar rekening heeft ontvangen (en vervolgens heeft uitgegeven) zijn gelet op het voorgaande dan ook middellijk afkomstig uit de door haar medegepleegde oplichting, [12] zodat de tweede deelklacht faalt.
eerste deelklachtwijzen op de discrepantie in de bewezenverklaring tussen enerzijds “tezamen en in vereniging met een ander of anderen” en anderzijds “verdachte en/of haar mededader”, merk ik (wederom) op dat het hof het medeplegen van witwassen bewezen heeft verklaard, wat met zich brengt dat voor die bewezenverklaring niet is vereist dat de verdachte het feit met één ander, haar medeverdachte,
ofmet meer anderen heeft gepleegd. Daarmee is de eerste deelklacht eveneens tevergeefs voorgesteld.
6.Het vijfde middel
3 jarenin ieder geval
17 polissenheeft verkocht en de ingelegde gelden afhanden heeft gemaakt” ervan blijk geeft dat het hof “kennelijk uitgegaan [is] van de
tenlastelegging zoals deze in eerste aanlegluidde.”
negenpolissen. Dit valt binnen de categorie 12-18 maanden gevangenisstraf en het hof heeft precies het midden van die categorie, 15 maanden, tot uitgangspunt genomen.