Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het middel
Procesgang
NJ2024/114 m.nt. Reijntjes, r.o. 2.4.3 echter niet aan af dat:
NJ2024/114 m.nt. Reijntjes gaat de Hoge Raad niet met zoveel woorden in op de verhouding tussen de daarin erkende aanvullende toezendingsverplichting en het processuele voorschrift van art. 48 Sv Pro dat de raadsman (behoudens het bepaalde art. 32 lid 2 Sv Pro) onverwijld afschrift ontvangt van alle stukken die ingevolge het Wetboek van Strafvordering ter kennis van de verdachte worden gebracht. Niettemin meen ik uit het arrest te kunnen afleiden dat de daarin door de Hoge Raad geformuleerde aanvullende verplichting tot verzending van een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep naar het kantooradres van de advocaat niet geldt indien de advocaat reeds zodanig afschrift ontvangt op de voet van art. 48 Sv Pro. [9] Van belang daartoe is dat de ratio van de verplichting is gelegen in “het grote belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht” en in het met het oog daarop bevorderen dat de verdachte “op de hoogte komt van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak”. Zo bezien is er geen grond om de in het arrest bedoelde verzending aan het kantooradres van de advocaat te vereisen daar waar zodanige verzending feitelijk niet van toegevoegde waarde is voor de verwezenlijking van voormelde doeleinden en het nalaten van die verzending dus geen invloed heeft op het kunnen uitoefenen van het aanwezigheidsrecht. De in beginsel gelijktijdige verzending van een tweede afschrift naar het kantooradres van de raadsman, ook al zou dat afschrift direct zijn gericht aan de verdachte, heeft mijns inziens niet de meerwaarde die de door de Hoge Raad geformuleerde verplichting beoogt te verwezenlijken. Reeds het afschrift dat de raadsman ontvangt verschaft immers alle informatie voor een zinvol contact tussen de raadsman en de verdachte waarin ook de zittingsdatum aan de orde kan komen, terwijl de verdachte ingeval (ook) ten name van hem een afschrift wordt verzonden naar het adres van zijn raadsman, eveneens afhankelijk is van die raadsman voor de ontvangst van (de informatie in) dat afschrift. Van het hiaat dat de door de Hoge Raad geformuleerde aanvullende verplichting beoogt te dichten is in die zin in het onderhavige geval dus geen sprake.
NJ2023/329 dat moest worden aangenomen dat het voorschrift van de tweede volzin van art. 48 Sv Pro niet was nageleefd. [10] In die zaak speelde daartoe echter ook mee dat volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep daar noch de verdachte noch diens raadsman was verschenen. [11] Dit ligt anders in de onderhavige zaak. Nu de raadsvrouw op die terechtzitting van 14 februari 2024 blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting aanwezig was, terwijl niet is gebleken van feiten of omstandigheden die impliceren dat de raadsvrouw het afschrift van de dagvaarding niet daadwerkelijk heeft ontvangen en er overigens ook in cassatie niet over is geklaagd dat art. 48 tweede Pro volzin Sv zou zijn geschonden, kan ervan worden uitgegaan dat de raadsvrouw de datum van de terechtzitting uit het afschrift van de dagvaarding heeft kunnen vernemen. Dat de aanwezige raadsvrouw niet uitdrukkelijk was gemachtigd de verdediging te voeren, maakt het voorgaande mijns inziens niet anders nu zodanige machtiging onmogelijk was doordat de raadsvrouw niet over het adres en telefoonnummer van de verdachte beschikte en meerdere door haar gedane pogingen om met hem in contact te komen waren gestrand. Dit impliceert overigens dat zij de verdachte er ook niet van op de hoogte had kunnen stellen wanneer naar haar kantooradres wel een afschrift van de dagvaarding voor de verdachte zou zijn gestuurd.
NJ2024/114 m.nt. Reijntjes, r.o. 2.4.3 geformuleerde aanvullende verplichting om een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep naar het in de akte rechtsmiddel vermelde kantooradres van de raadsman te verzenden, in de onderhavige zaak niet van toepassing is. Ingeval de Hoge Raad zou oordelen – bijvoorbeeld om het toch al gecompliceerde systeem zo helder en eenvoudig mogelijk te houden – dat die verplichting wel is geschonden, meen ik subsidiair dat de verdachte door die schending niet in zijn belangen is geschaad. Daartoe telt dat toezending van een afschrift van de dagvaarding aan de verdachte op het kantooradres van zijn raadsvrouw naast toezending van zodanig afschrift aan de raadsvrouw op hetzelfde adres geen bijdrage levert aan het kunnen uitoefenen van het aanwezigheidsrecht. Daarnaast wijs ik erop dat zelfs indien dat in zijn algemeenheid anders zou kunnen zijn, dat in elk geval in de onderhavige zaak niet het geval is, aangezien – zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep – de raadsvrouw geen contact met de verdachte kon krijgen.