Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
10 maart 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze strafzaak is het cassatieberoep ingesteld door de verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 februari 2024, waarin hij werd veroordeeld voor mishandeling en diefstal. De kern van het cassatiemiddel betrof de vraag of de dagvaarding in hoger beroep had moeten worden betekend op het door verdachte opgegeven domicilieadres, namelijk het kantooradres van zijn raadsvrouw.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten van verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad heeft geen nadere motivering gegeven, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 10 maart 2026. Hiermee blijft het arrest van het hof Den Haag in stand en wordt het cassatieberoep verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof Den Haag.