ECLI:NL:HR:2023:1446

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 oktober 2023
Publicatiedatum
12 oktober 2023
Zaaknummer
22/03924
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 48 SvArt. 2.C Opiumwet
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens niet-naleving dagvaardingsvoorschrift in hoger beroep

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag. De kern van het geschil betrof de vraag of aan de raadsman van de verdachte een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep was verzonden, zoals vereist op grond van artikel 48 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

Uit de overgelegde stukken bleek dat de advocaat zich had gesteld als raadsman van de verdachte in hoger beroep en dat een kopie van de dagvaarding in hoger beroep was gevoegd. Echter ontbrak elke aanwijzing dat een afschrift van deze dagvaarding daadwerkelijk aan de raadsman was verzonden. Ook andere stukken, waaronder een brief aan het kantooradres van de raadsman met informatie over de zittingsdatum, boden geen voldoende grond om aan te nemen dat het voorschrift was nageleefd.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep toonde bovendien aan dat noch de verdachte noch diens raadsman waren verschenen. De Hoge Raad concludeerde daarom dat het voorschrift van de tweede volzin van artikel 48 Sv Pro niet was nageleefd, wat een schending van de procesregels inhoudt.

Gelet hierop vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe berechting en afdoening. De overige klachten in het cassatiemiddel behoefden geen bespreking meer.

Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof is vernietigd wegens niet-naleving van artikel 48 Sv en de zaak is terugverwezen voor nieuwe berechting.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/03924
Datum17 oktober 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 oktober 2022, nummer 22-000292-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] in het jaar 1994,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H. Weisfelt, advocaat te ‘s–Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat in strijd met artikel 48 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) geen afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan de raadsman van de verdachte is gezonden.
2.2
Uit de stukken blijkt dat de advocaat H. Weisfelt zich bij e-mail van 22 februari 2022 aan de strafgriffie van het hof heeft gesteld als raadsman van de verdachte in hoger beroep. Bij de stukken bevindt zich verder een kopie van de dagvaarding in hoger beroep. Op die kopie staat geen mededeling waaruit kan blijken dat een afschrift van deze dagvaarding aan de raadsman van de verdachte is verzonden. Ook op grond van andere stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden, kan niet zo’n vaststelling worden gedaan. Dat – zoals in de conclusie van de advocaat-generaal onder 11 is vermeld – zich bij de stukken een aan (het kantooradres van) de raadsman gerichte brief bevindt waarin in verband met het opgeven van bezwaren tegen het vonnis in eerste aanleg melding wordt gemaakt van de datum en het tijdstip van de zitting in hoger beroep, is niet toereikend om aan te nemen dat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan de raadsman van de verdachte is verzonden. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is daar noch de verdachte noch diens raadsman verschenen.
2.3
Op grond hiervan moet worden aangenomen dat ten aanzien van de dagvaarding in hoger beroep het voorschrift van de tweede volzin van artikel 48 Sv Pro niet is nageleefd. Voor zover het cassatiemiddel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
17 oktober 2023.