AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt toepassing eliminatieregel bij schadeloosstelling onteigening weginfrastructuur Eindhoven
Deze zaak betreft de vaststelling van de schadeloosstelling wegens onteigening van een deel van een perceel nabij Eindhoven Airport voor de aanleg van een nieuwe verbindingsweg. De kern van het geschil is of bij de waardebepaling van het onteigende moet worden uitgegaan van het geldende bestemmingsplan of dat dit bestemmingsplan moet worden geëlimineerd omdat het voortvloeit uit een concreet plan voor het werk waarvoor is onteigend.
De rechtbank oordeelde dat het nieuwe bestemmingsplan zijn normale rol in de ruimtelijke ordening heeft vervuld en niet geëlimineerd hoeft te worden, omdat er geen sprake was van een concreet plan op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan. Ook wees de rechtbank een vergoeding voor planschade af, omdat de onteigende het risico van de nadelige bestemmingswijziging passief heeft aanvaard.
In cassatie stelde de onteigende dat het eliminatiebeginsel onjuist werd toegepast en dat de planschadevergoeding ten onrechte werd geweigerd. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat de eliminatieregel terughoudend moet worden toegepast en dat het bestemmingsplan in deze zaak niet geëlimineerd hoeft te worden. Ook oordeelde de Hoge Raad dat de onteigende geen aanspraak heeft op planschadevergoeding omdat hij niet concreet heeft geprobeerd de oude bouwmogelijkheden te benutten en het risico passief heeft aanvaard.
De Hoge Raad benadrukte dat de schadeloosstelling een volledige vergoeding moet zijn van de schade die rechtstreeks en noodzakelijk is geleden door de onteigening, en dat waardevermindering door een nadelige bestemmingswijziging geen gevolg is van de onteigening zelf. De rechtbank heeft de feiten en omstandigheden zorgvuldig gewogen en de motivering is voldoende begrijpelijk en rechtens juist.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het nieuwe bestemmingsplan wordt niet geëlimineerd en er wordt geen vergoeding voor planschade toegekend.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02091
Zitting27 februari 2026
CONCLUSIE
W.L. Valk
In de zaak
[onteigende]
tegen
Gemeente Eindhoven
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [onteigende] respectievelijk de gemeente.
1.Inleiding en samenvatting
1.1
Deze zaak betreft de begroting van de schadeloosstelling wegens onteigening van een deel van een perceel grond nabij de luchthaven Eindhoven Airport. [1] In de zaak staat ter discussie of bij de vaststelling van de schadeloosstelling moet worden uitgegaan van het geldende bestemmingsplan (waarin aan het onteigende de weinig lucratieve bestemmingen verkeer, natuur en groen is gegeven) of dat dit bestemmingsplan moet worden geëlimineerd en moet worden uitgegaan van de voordien geldende bestemmingen (bedrijf en natuur). De rechtbank heeft in navolging van de deskundigen geoordeeld dat de geldende bestemmingen niet behoren te worden geëlimineerd, omdat geen sprake was van een concreet plan voor het werk waarvoor is onteigend in de zin van art. 40c onder 3° Onteigeningswet. Het bestemmingsplan heeft volgens de rechtbank zijn normale rol in de ruimtelijke ordening vervuld. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat geen aanleiding bestaat voor de vergoeding van planschade (art. 40e Onteigeningswet) en dat ook geen grond bestaat om een uitzondering te maken op de regels met betrekking tot planschade zoals die (ook) buiten de context van onteigening gelden.
1.2
In cassatie richt de onteigende diverse klachten tegen de oordelen van de rechtbank. In het bijzonder stelt het cassatiemiddel de vraag aan de orde aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om te kunnen spreken van een concreet plan voor het werk. Mijns inziens slagen de klachten niet.
2.Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: [2]
(i) Bij Koninklijk Besluit zijn op grond van art. 78 OnteigeningswetPro ten algemenen nutte en ten name van de gemeente voor de uitvoering van het bestemmingsplan ‘Weginfrastructuur omgeving Eindhoven-Noordwest, Oirschot en Best’ ter onteigening aangewezen twee delen van het perceel kadastraal bekend [gemeente], [sectie], nummer [001] met een totale oppervlakte van 04.61.92 ha, namelijk
Grondplannummer [002] met een oppervlakte van 01.43.69 ha (14.369 m2)
Grondplannummer [003] met een oppervlakte van 00.00.06 ha (6 m2)
(ii) Het perceel waarvan delen zijn onteigend, is eigendom van [onteigende].
2.2
Bij verzoekschrift van 26 juni 2020 heeft de gemeente op grond van art. 54a Onteigeningswet de rechtbank verzocht om een rechter-commissaris en deskundigen te benoemen en een datum te bepalen voor de opneming door deskundigen van de ligging en gesteldheid van de hiervoor genoemde te onteigenen perceelsgedeelten. Bij beschikking van 21 juli 2020 heeft de rechtbank Oost-Brabant mr. I.P.A. van Heijst, ing. J.V.M. Aelmans en ir. C.A.C. Frikkee als deskundigen benoemd (hierna: de deskundigen). [3]
2.3
Bij inleidende dagvaarding van 28 juli 2020 heeft de gemeente, kort samengevat, de vervroegde onteigening van de genoemde perceelsgedeelten gevorderd. Bij vonnis van 16 september 2020 heeft de rechtbank Oost-Brabant de vervroegde onteigening van de perceelsgedeelten uitgesproken, en het voorschot op de schadeloosstelling bepaald op € 648.774. [4] Verder heeft de rechtbank onder meer de in de beschikking van 21 juli 2020 reeds benoemde deskundigen opgedragen om de aan [onteigende] verschuldigde schadeloosstelling te begroten. [5] [onteigende] heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het onteigeningsvonnis. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep bij arrest van 1 oktober 2021 (grotendeels) verworpen. [6] Het onteigeningsvonnis is op 5 november 2021 ingeschreven in de openbare registers. [7]
2.4
Bij vonnis van 13 oktober 2021 heeft de rechtbank ir. C.A.C. Frikkee ontheven van haar taak en in haar plaats als deskundige benoemd dhr. A. Roos RT. [8]
2.5
Op 9 mei 2023 hebben de deskundigen hun conceptrapport uitgebracht. De gemeente en [onteigende] hebben daarop gereageerd, waarna op 22 december 2023 het definitieve rapport is uitgebracht.
2.6
Bij eindvonnis van 16 april 2025 heeft de rechtbank de schadeloosstelling vastgesteld op € 40.546 en [onteigende] veroordeeld tot terugbetaling aan de gemeente van het door hem te veel ontvangen bedrag van € 608.228, met veroordeling van de gemeente in de kosten van het geding. De dragende overwegingen van de rechtbank laten zich als volgt samenvatten:
Het advies van de deskundigen
a. In het definitieve rapport adviseren de deskundigen de schadeloosstelling vast te stellen op € 40.546. De deskundigen gaan ervan uit dat de eliminatieregel niet wordt toegepast en dat geen vergoeding voor planschade wordt voldaan. Deskundigen hebben ook twee alternatieve scenario’s uitgewerkt. In scenario I (niet elimineren, wel vergoeding planschade) is de schadeloosstelling € 727.063 en in scenario II (wel elimineren) is de schadeloosstelling € 1.052.413. (onder 3.1-3.2)
Het werk waarvoor is onteigend
b. De onteigening heeft plaatsgevonden voor de uitvoering van bestemmingsplan ‘Weginfrastructuur omgeving Eindhoven Noordwest, Oirschot en Best’ van de gemeente. Dit bestemmingsplan voorziet in de aanpassing en aanleg van infrastructuur om doorstroming van het verkeer ten noordwesten van Eindhoven te bevorderen. Het doel hiervan is de verbetering van de bereikbaarheid van belangrijke economische functies van het gebied, zoals Eindhoven Airport en het bedrijventerrein Flight Forum. (onder 3.3)
c. Van het perceel van [onteigende] is in totaal 14.375 m2 onteigend. Het onteigende bestond voor een deel uit bos en voor een deel uit onbebouwd verhard terrein. Op het onteigende is een weg aangelegd. Het gaat om een deel van de nieuwe verbindingsweg tussen [d-straat] en de [b-straat]/[c-straat]. (onder 3.4)
De oude situatie
d. Voorheen gold voor het perceel het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Eindhoven Airport’. Op grond daarvan golden voor het onteigende de bestemmingen ‘Bedrijf’ (5.355 m2), ‘Natuur’ (8.833 m2) en ‘Verkeer’ (187 m2). (onder 3.5-3.7)
De nieuwe situatie
e. Het nieuwe bestemmingsplan is op 6 juni 2017 vastgesteld en op 4 augustus 2017 in werking getreden. Op 4 juli 2018 is dit bestemmingsplan onherroepelijk geworden. Op grond daarvan gelden voor het onteigende de bestemmingen ‘Natuur’ (2.748 m2), ‘Verkeer’ (9.436 m2) en ‘Groen’ (2.191 m2). (onder 3.8-3.10)
De peildatum
f. De peildatum is de datum waarop het vervroegde onteigeningsvonnis is ingeschreven in de openbare registers, te weten 5 november 2021. (onder 3.11)
De waarde van het onteigende
g. Het uitgangspunt is dat een onteigende een volledige vergoeding krijgt voor alle schade die hij als eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk lijdt door het verlies van zijn zaak. De door de onteigende te ontvangen vergoeding omvat de werkelijke waarde van het onteigende en in voorkomend geval ook vergoeding van bijkomende schade. Bij het bepalen van de werkelijke waarde wordt uitgegaan van de prijs totstandgekomen bij een veronderstelde koop in het vrije commerciële verkeer tussen onteigende als redelijk handelend verkoper en onteigenaar als redelijk handelend koper. De Onteigeningswet bevat verschillende op de redelijkheid gebaseerde regels die waarborgen dat de werkelijke waarde van het onteigende wordt vergoed, waaronder de eliminatieregel. (onder 3.12)
Eliminatiebeginsel
h. In deze zaak is het uitgangspunt dat de waarde van het onteigende moet worden bepaald op grond van het huidige bestemmingsplan ‘Weginfrastructuur omgeving Eindhoven Noordwest, Oirschot en Best’. Op grond daarvan rust op het grootste deel van het onteigende de bestemming ‘Verkeer’. Als het nieuwe bestemmingsplan zou worden geëlimineerd, dan moet de waarde worden bepaald op grond van het vorige bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Eindhoven Airport’. Op grond daarvan rust op het grootste deel van het onteigende de bestemming ‘Bedrijf’ dan wel ‘Natuur’. (onder 3.13-3.16)
i. De deskundigen vinden dat de huidige bestemmingen van het onteigende niet moeten worden geëlimineerd, omdat niet blijkt van het bestaan van een concreet uitgewerkt plan voor de aanpassing van de infrastructuur dat vervolgens alleen nog maar door de gemeente is uitgewerkt in het bestemmingsplan, maar eerder sprake is geweest van een normale planprocedure waarbij alternatieve tracés zijn onderzocht en waaruit de gemeente in het voorontwerp-bestemmingsplan een keuze heeft gemaakt. De gemeente kan zich vinden in de zienswijze van de deskundigen, [onteigende] niet. (onder 3.17-3.19)
j. De rechtbank oordeelt dat het nieuwe bestemmingsplan niet moet worden geëlimineerd. (onder 3.20)
k. Voor de vraag of het nieuwe bestemmingsplan moet worden geëlimineerd is de planologische voorgeschiedenis van dit plan van belang. Die voorgeschiedenis duidt erop dat het bestemmingsplan zijn normale rol in de ruimtelijke ordening heeft vervuld en dat de bestemming niet zo rechtstreeks voortvloeit uit een reeds bestaand, concreet plan voor het werk waarvoor onteigend wordt, dat die bestemming met het plan waarvoor onteigend wordt moet worden vereenzelvigd. (onder 3.21-3.22)
l. Volgens [onteigende] wijst de zin ‘voorliggend bestemmingsplan maakt de nieuwe weginfrastructuur juridisch-planologisch mogelijk’ in het voorontwerpbestemmingsplan erop dat het nieuwe bestemmingsplan uitsluitend is vastgesteld om de juridisch-planologische onderbouwing voor het werk te geven. De rechtbank volgt dit standpunt niet, omdat dit een standaardzin is die in de meeste bestemmingsplannen zal worden aangetroffen. De omstandigheid dat het bestemmingsplan alleen de ontwikkeling van de infrastructuur heeft mogelijk gemaakt en niet tevens een door het Waterschap verzochte ontwikkeling doet daar niet aan af, omdat daaruit niet volgt dat sprake was van een bestaand concreet plan. (onder 3.24)
m. Volgens [onteigende] hebben de deskundigen ten onrechte beoordeeld of bij het opstellen – in plaats van bij het vaststellen – van het bestemmingsplan nog geen (voldoende) concreet plan voorlag. De rechtbank oordeelt dat de deskundigen in het rapport wel uitgaan van het moment van vaststelling van het bestemmingsplan. (onder 3.25)
n. Eliminatie moet van geval tot geval worden beoordeeld en is niet voorgeschreven voor bepaalde categorieën van gevallen. (onder 3.27)
o. In deze zaak is er een bestuursovereenkomst, waarin een tracé is opgenomen over het perceel van [onteigende]. De deskundigen vinden dat dit niet kan worden aangemerkt als een voldoende concreet plan. De rechtbank neemt de motivering van de deskundigen over de bestuursovereenkomst over. (onder 3.28)
p. [onteigende] wijst op de pogingen tot minnelijke verwerving vanaf 2015, de tekeningen gevoegd bij het besluit van januari 2016 in het kader van de Wet voorkeursrecht gemeenten en de kaart die bij de brief van 31 mei 2016 is gevoegd. Ook ten aanzien hiervan zijn de deskundigen van mening dat uit de feiten en omstandigheden niet blijkt dat er sprake was van een voldoende concreet plan. (onder 3.29)
q. Bovendien blijkt uit de toelichting op het bestemmingsplan dat daarin op perceelsniveau is afgewogen wat een goede ruimtelijke ordening zou zijn. (onder 3.30)
r. De gemeente heeft een leidende rol gehad en de voorbereiding van het bestemmingsplan is in deze zaak normaal verlopen, aldus de deskundigen. De rechtbank neemt ook deze overwegingen van de deskundigen over. [onteigende] heeft niet aangeduid vanaf welk moment het proces van planvorming anders is gaan verlopen of welk aanwijsbaar concreet plan vooraf is gegaan aan de voorbereiding van het bestemmingsplan. (onder 3.31)
s. Anders dan [onteigende] lijkt te betogen zit de ratio van elimineren niet in het opvangen van waardeverdamping. Er is niets waaruit blijkt dat dit een afzonderlijk argument is voor de toepassing van die regel. De waardevermindering van het perceel van [onteigende] is het gevolg van een nadelige bestemmingswijziging. Dit is geen gevolg van de onteigening. (onder 3.32-3.33)
t. Aan de voorwaarden voor eliminatie is niet voldaan. Dat betekent dat bij de waardebepaling rekening moet worden gehouden met het huidige bestemmingsplan. (onder 3.34)
Vergoeding planschade
u. Nu eliminatie niet aan de orde is, is de volgende vraag of [onteigende] op grond van art. 40e Onteigeningswet in aanmerking komt voor planschade. Op grond van art. 40e Onteigeningswet wordt bij het bepalen van de werkelijke waarde de prijs vermeerderd met nadelen die het gevolg zijn van bestemmingen die tot uitvoering komen door het werk waarvoor onteigend wordt. Dit is een aanvullende vergoeding naast de vergoeding voor de werkelijke waarde van het onteigende zoals die wordt vastgesteld op basis van de maatstaven die hiervoor zijn weergegeven. (onder 3.35)
v. De deskundigen hebben in hun rapport een vergelijking gemaakt tussen de waarde van het hele perceel bij maximale invulling van de gebruiksmogelijkheden in de oude en nieuwe planologische situatie. Zij komen tot de conclusie dat voor [onteigende] sprake is van nadeel omdat de bedrijfsbestemming van het perceel is vervallen. (onder 3.36)
w. Vervolgens hebben de deskundigen de vraag beantwoord of dit nadeel redelijkerwijs geheel of gedeeltelijk ten laste van [onteigende] dient te blijven. Dat is het geval als aan de zijde van [onteigende] sprake is geweest van actieve of passieve risicoaanvaarding. Volgens de deskundigen is geen sprake van actieve risicoaanvaarding, maar wel van passieve risicoaanvaarding. De gemeente is het eens met de visie van de deskundigen, [onteigende] niet. (onder 3.37-3.39)
x. Bij de beoordeling van planschade bij art. 40e Onteigeningswet worden de beperkende planschadecriteria, zoals de voorzienbaarheid, in beginsel net zo toegepast als in het planschaderecht. De eerste vraag die moet worden beantwoord is wanneer voor [onteigende] voorzienbaar was dat de planologische situatie zou gaan wijzigen. Volgens de deskundigen blijken concrete beleidsvoornemens uit de bestuursovereenkomst. De rechtbank is dat met de deskundigen eens. Vanaf de publicatie van de bestuursovereenkomst heeft [onteigende] rekening kunnen houden met de kans dat de nieuwe weg over zijn perceel zou worden aangelegd en dat dit mogelijk gevolgen zou hebben voor de benuttingsmogelijkheden. (onder 3.40-3.44)
y. Vervolgens moet de vraag beantwoord worden of [onteigende] onder het oude planologische regime concrete pogingen tot realisering van de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden heeft ondernomen. Op 15 januari 2016 heeft [onteigende] een omgevingsvergunning aangevraagd voor een bouwplan voor het bedrijfsgedeelte van zijn perceel. Deze vergunningsaanvraag kan volgens de rechtbank niet dienen als een concrete poging omdat deze in strijd was met het destijds geldende bestemmingsplan. Ook hebben de deskundigen erop gewezen dat de omvang van dat bouwplan ook op grond van het nieuwe bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Daarom is er met die aanvraag geen sprake geweest van de benutting van een bouwmogelijkheid die door het nieuwe bestemmingsplan verloren is gegaan. (onder 3.45-3.46)
z. Gelet op het voorgaande moet [onteigende] worden geacht het risico van een nadelige bestemmingswijziging passief te hebben aanvaard. (onder 3.47)
Uitzondering op planschaderegels
aa. Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat de maatstaven bij de begroting van planschade op grond van art. 40e Onteigeningswet gelijkvormig zijn aan die volgens het ruimtelijk ordeningsrecht (art. 49 WROPro (oud) en art. 6.1 Wro). Wel lijkt er ruimte te zijn voor een beperkte nuancering, in die zin dat de context van gedwongen eigendomsontneming soms kan pleiten voor een beredeneerde uitzondering op wat buiten die context geldt. Volgens de deskundigen is een uitzondering in deze zaak denkbaar, omdat in de gegeven omstandigheden onredelijk kan zijn om aan [onteigende] tegen te werpen dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een bouwplan in te dienen. De gemeente is het niet met deskundigen eens, [onteigende] wel. (onder 3.48-3.51)
bb. De bijzondere context van het onteigeningsrecht kan er dus mogelijk toe leiden dat voor planschadevergoeding toch in enig opzicht een andere maatstaf geldt. Daarvoor moet echter een overtuigende reden bestaan en die is er niet in deze zaak. De rechtbank oordeelt dat geen uitzondering moet worden gemaakt op de conclusie met betrekking tot de planschadevergoeding. (onder 3.52-3.53)
Uitgangspunten bij waarde onteigende
cc. De schadeloosstelling voor [onteigende] moet worden vastgesteld op basis van het scenario ‘niet elimineren en geen vergoeding van planschade’. (onder 3.54)
Conclusie waarde onteigende
dd. De waarde van het onteigende wordt vastgesteld conform het advies van de deskundigen, dus op € 8.246 in totaal. (onder 3.55-3.72)
Waardevermindering overblijvende
ee. De deskundigen vinden dat geen sprake is van een waardevermindering van het overblijvende, en de rechtbank volgt de deskundigen daarin. (onder 3.73-3.82)
Overige schade
ff. De deskundigen begroten de overige schade voor [onteigende] op € 32.300 in verband met de aanschaf van een nieuw hekwerk. Volgens de deskundigen is er geen sprake van andere bijkomende schade. De rechtbank houdt daarom rekening met de kosten zoals deze door de deskundigen zijn begroot, dus € 32.300. (onder 3.83-3.90)
gg. Als gevolg van de onteigening zijn de twee overblijvende delen van het perceel (aan de oostzijde van de nieuwe weg) niet meer bereikbaar. De gemeente wil de ontsluiting daarvan realiseren door de aanleg van een pad voor ieder deel. De deskundigen achten de voorgestelde wijze van ontsluiting adequaat. Er is geen reden om aan te nemen dat de ontsluiting niet alsnog op kosten van de gemeente zal worden gerealiseerd. De rechtbank houdt daarom geen rekening met kosten hiervoor aan de zijde van [onteigende]. (onder 3.91-3.93)
BTW
hh. In hun rapport gaan de deskundigen ervan uit dat [onteigende] geen BTW is verschuldigd over de schadeloosstelling omdat hij geen ondernemer was. Er is dan ook geen plaats voor een vergoeding. De kosten van het hekwerk en ook de deskundigenkosten van [onteigende] moeten volgens de deskundigen inclusief BTW worden vergoed. De rechtbank volgt de deskundigen hierin. (onder 3.94-3.96)
Conclusie schadeloosstelling
ii. De schadeloosstelling voor [onteigende] wordt vastgesteld zoals door de deskundigen is begroot, in totaal € 40.546 (€ 8.246 + € 32.300). Tussen het bedrag van de schadeloosstelling dat aan [onteigende] wordt toegekend (€ 40.546) en het aan hem toegekende voorschot (€ 648.774) bestaat een verschil van € 608.228. Op grond van art. 54t lid 3 Onteigeningswet moet [onteigende] dit terugbetalen aan de gemeente. Over het verleden is geen wettelijke rente verschuldigd. (onder 3.97-3.98)
Kosten
jj. Op grond van art. 50 OnteigeningswetPro komen de redelijke kosten voor rekening van de onteigenende partij, in dit geval de gemeente. De volgende kosten moeten worden vergoed: kosten TRC € 54.984,96, griffierecht € 304, kosten Tritium € 26.396,15, kosten Stoof € 50.000. (onder 3.99-3.111)
2.7
Op 24 april 2025 heeft [onteigende] – gelet op art. 52 lid 2 enPro 3 Onteigeningswet in verbinding met art. 80 OnteigeningswetPro tijdig – ter griffie van de rechtbank verklaard cassatieberoep in te stellen tegen het vonnis van de rechtbank van 16 april 2025.
2.8
Op 6 juni 2025 heeft [onteigende] – gelet op art. 53 lid 1 OnteigeningswetPro in verbinding met art. 80 OnteigeningswetPro tijdig – de akte verklaring cassatie, de procesinleiding en het oproepingsbericht aan de gemeente betekend. De gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, waarna [onteigende] heeft gerepliceerd en de gemeente heeft gedupliceerd.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bevat drie onderdelen.
3.2
Onderdeel 1richt zich tegen het oordeel in rechtsoverwegingen 3.13-3.34 van het bestreden vonnis dat het nieuwe bestemmingsplan niet moet worden geëlimineerd bij de bepaling van de werkelijke waarde van het onteigende. De rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 3.13-3.16 de belangrijkste regels uiteengezet die (op grond van de rechtspraak van uw Raad) gelden bij de toepassing van het eliminatiebeginsel. Vervolgens heeft de rechtbank in rechtsoverwegingen 3.17-3.19 de opvatting van de deskundigen en de standpunten van partijen weergegeven. Tegen deze rechtsoverwegingen worden op zichzelf geen klachten gericht. Ik citeer daarom hierna alleen de rechtsoverwegingen 3.20-3.34:
‘ Eliminatiebeginsel
(…)
Overwegingen rechtbank
3.20.
De rechtbank is van oordeel dat het nieuwe bestemmingsplan niet moet worden geëlimineerd, om de volgende redenen.
3.21.
Voor de vraag of het nieuwe bestemmingsplan moet worden geëlimineerd is de planologische voorgeschiedenis van dit plan van belang. De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende feiten. Uit de toelichting bij het nieuwe bestemmingsplan blijkt dat dit het eindpunt was van een lang proces waarbij meerdere partijen zijn betrokken. In 2009 is de urgentie van de aanpassing van de infrastructuur bestuurlijk bepaald bij de start van de gebiedsontwikkeling van Landelijk Strijp. Toen is onder meer door de gemeente een intentieverklaring ondertekend om te komen tot een integrale visie op de bereikbaarheid van het gebied. Deze intentieverklaring is in 2010 uitgewerkt in het Bereikbaarheidsplan Landelijk Strijp. In 2013 is door de Challengegroep een alternatief plan (“de challengevariant”) opgesteld voor de verdere planvorming. Dit alternatieve plan bevat onder meer de parallelle route langs het Beatrixkanaal, dat wil zeggen op het perceel van [onteigende]. In de daarop volgende periode tot medio 2014 is een verbeterde challengevariant vastgesteld en vervolgens nader uitgewerkt en gekozen als oplossingsrichting voor de verdere planuitwerking.
In april 2015 is een bestuursovereenkomst gesloten tussen het Rijk, de provincie Noord-Brabant, de gemeente, de Metropool regio Eindhoven en Eindhoven Airport N.V. In deze bestuursovereenkomst is een plan voor de aanpassingen aan de infrastructuur vastgesteld. Dit plan diende als basis voor verdere planuitwerking. Later in 2015 zijn in het kader van de MER verschillende varianten en alternatieven van de challengevariant onderzocht. In juli 2015 is dit rapport ter inzage gelegd. Het rapport heeft geleid tot een nadere keuze voor tracévariant B. Op 1 december 2015 heeft de gemeente een voorkeursrecht (op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten) gevestigd op (onder meer) het perceel van [onteigende].
Op 26 januari 2016 heeft de gemeente een voorbereidingsbesluit genomen.
In juni 2016 is het voorontwerp-bestemmingsplan ter inzage gelegd. Uit de toelichting blijkt dat na de keuze voor variant B een nadere uitwerking en optimalisatie heeft plaatsgevonden. Ook is een aantal subvarianten bekeken. Dit heeft uiteindelijk geleid tot subvariant B4, die de basis is geworden voor de variant die opgenomen is in het voorontwerpbestemmingsplan.
Na een positief advies van de commissie voor de MER is het ontwerpbestemmingsplan opgesteld. Dit is op 19 januari 2017 ter inzage gelegd. Op 6 juni 2017 is het bestemmingsplan vastgesteld.
3.22.
Deze planologische voorgeschiedenis duidt er naar het oordeel van de rechtbank op dat het bestemmingsplan zijn normale rol in de ruimtelijke ordening heeft vervuld en de bestemming niet zo rechtstreeks voortvloeit uit een reeds bestaand, concreet plan voor het werk waarvoor onteigend wordt, dat die bestemming met het plan waarvoor onteigend wordt moet worden vereenzelvigd.
3.23.
De rechtbank zal nu ingaan op door [onteigende] aangedragen argumenten voor zijn standpunt dat wel eliminatie had moeten plaatsvinden.
3.24.
[onteigende] wijst erop dat in het voorontwerpbestemmingsplan vermeld staat: “ voorliggend bestemmingsplan maakt de nieuwe weginfrastructuur juridisch-planologisch mogelijk”. Ook wijst hij erop dat in het voorjaar van 2016 een verzoek van het Waterschap tot wijziging van de begrenzing van het nieuwe bestemmingsplan is afgewezen omdat het bestemmingsplan alleen in de juridisch-planologische regeling voor de relatie van de infrastructuur en de daarbij behorende voorzieningen voorziet. Volgens [onteigende] blijkt hieruit dat het nieuwe bestemmingsplan uitsluitend is vastgesteld om de juridisch-planologische onderbouwing voor het werk te geven. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Zoals ook door de deskundigen en de gemeente naar voren is gebracht, is de aangehaalde zin een standaardzin die in de meeste bestemmingsplannen zal worden aangetroffen. Een bestemmingsplan is er immers naar zijn aard op gericht om een of andere ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken. De omstandigheid dat het bestemmingsplan alleen de ontwikkeling van de infrastructuur mogelijk heeft gemaakt en niet tevens de door het Waterschap verzochte ontwikkeling doet daar niet aan af. Daaruit blijkt immers niet dat sprake was van een bestaand concreet plan en dat is de maatstaf waaraan moet worden getoetst.
3.25.
[onteigende] wijst er ook op dat de deskundigen een verkeerd uitgangspunt hebben genomen door uit te gaan van de vraag of bij het opstellen van het bestemmingsplan nog geen (voldoende) concreet plan voorlag. Volgens [onteigende] gaat het niet om het opstellen van het bestemmingsplan, maar om de datum van vaststelling daarvan, dus 6 juni 2017.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt niet van een verkeerd uitgangspunt. Uit vaste rechtspraak volgt dat het er inderdaad om gaat of de bestemming is bepaald door niets anders dan een ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan al bestaand concreet plan. Op pagina 21 van het deskundigenrapport wordt inderdaad vermeld dat de deskundigen hebben vastgesteld dat ten tijde van het opstellen van het bestemmingsplan nog geen (voldoende) concreet plan voor de nieuwe verbindingsweg voorlag. Uit de tekst die daarna volgt blijkt echter niet dat de deskundigen daarmee een ander uitgangspunt voor ogen hebben gehad. Bovendien wordt op andere plaatsen in het rapport wel de vaststelling als uitgangspunt vermeld, zoals op pagina 14 en 15.
3.26.
Verder wijst [onteigende] erop dat vóór de vaststelling van het bestemmingsplan het werk ter plaatse van de verbindingsweg over zijn perceel al helemaal in kaart was gebracht. De optimalisaties die er zijn geweest hadden met zijn perceel niets te maken. [onteigende] wijst in dit verband op een uitspraak van de Hoge Raad [9] waarin is overwogen: “ Toegesneden op het onderhavige geval is een plan concreet indien het de aanleg van de A4 op het perceel behelst.” Volgens [onteigende] lag al ver voor de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan op 6 juni 2017 vast dat er een weg over zijn perceel zou komen. Hij wijst er onder meer op dat er al vanaf 2015 sprake is geweest van overleg over de minnelijke verwerving door de gemeente. Ook is het tracé al precies te zien op de bijlage bij de brief van de gemeente van 31 mei 2016. Het voorontwerpbestemmingsplan is op 9 juni 2016, dus ruim een jaar voor de vaststelling van het bestemmingsplan, ter inzage gelegd. Vanaf dat moment is het tracé over het perceel nooit meer gewijzigd, aangepast, uitgewerkt of geoptimaliseerd, aldus [onteigende].
3.27.
De rechtbank wijst er nogmaals op dat eliminatie van geval tot geval dient te worden beoordeeld en niet is voorgeschreven in bepaalde categorieën van gevallen.
3.28.
In deze zaak is er sprake van een bestuursovereenkomst, waarin een tracé is opgenomen over het perceel van [onteigende]. De deskundigen zijn van mening dat dit niet kan worden aangemerkt als een voldoende concreet plan. [onteigende] en ook de gemeente hebben daar geen bezwaren tegen geuit. De deskundigen hebben overwogen dat het plan/project voor de aanpassing van de infrastructuur in Eindhoven-Noordwest in nauwe samenspraak tussen drie betrokken gemeenten en de provincie is ontwikkeld. De gemeente heeft daarbij een regierol gehad. De bestuursovereenkomst is de basis geweest voor verdere planuitwerking. In aansluiting daarop zijn in het kader van de milieueffectrapportage verschillende varianten/alternatieven voor de aanpassingen van de infrastructuur onderzocht. Die onderzoeken hebben uiteindelijk geleid tot een definitieve keuze van de gemeente. De deskundigen hebben de rol van de bestuursovereenkomst in het proces van ruimtelijke ordening beoordeeld en zijn tot de conclusie gekomen dat sprake is geweest van een gebruikelijk verloop van onderzoek en planvorming. De rechtbank neemt de motivering van de deskundigen wat betreft de bestuursovereenkomst over.
3.29.
[onteigende] wijst op de pogingen tot minnelijke verwerving vanaf 2015, de tekeningen gevoegd bij het besluit van januari 2016 in het kader van de Wet voorkeursrecht gemeenten en de kaart die bij de brief van 31 mei 2016 is gevoegd. Ook ten aanzien hiervan zijn de deskundigen van mening dat uit de feiten en omstandigheden niet blijkt dat er sprake was van een voldoende concreet plan. Op deze momenten werden nog meerdere tracé-varianten onderzocht. In het voorontwerpbestemmingsplan (van juni 2016) is vooruitgelopen op het toetsingsadvies van de commissie voor de milieueffectenrapportage (november 2016), terwijl ook in het ontwerp-bestemmingsplan en uiteindelijk het bestemmingsplan zelf nog aanpassingen zijn doorgevoerd. Volgens de deskundigen blijkt hieruit niet dat er sprake is geweest van een anders verlopen planologie. Als het gaat om plan voor het werk, dan moet ook het hele werk uitgewerkt zijn. Op gemeentelijk niveau kan het volgens de deskundigen nooit zo zijn dat pas bij de vaststelling van het bestemmingsplan concreet naar bestemmingen wordt gekeken. Een bestemmingsplan is een sluitstuk, zodat er altijd sprake is van een voorafgaand plan in de vorm van een visie of ontwikkelingsprogramma’s. Ook is er altijd sprake van (ambtelijke) voorbereidingen, zoals een globaal tracé met diverse mogelijke varianten.
3.30.
Bovendien blijkt uit de toelichting op het bestemmingsplan dat daarin op perceelsniveau is afgewogen wat een goede ruimtelijke ordening zou zijn. Zo is rekening gehouden met de locaties van waardevolle bomen (paragraaf 3.7.3) en is op perceelsniveau onderzoek gedaan naar geluidbelasting (paragraaf 5.3.3.) en de impact op natuurwaarden (paragraaf 5.8.1 en de daarbij behorende natuurtoets (bijlage III)).
3.31.
De gemeente heeft een leidende rol gehad en de voorbereiding van het bestemmingsplan is in deze zaak normaal verlopen, aldus de deskundigen. De rechtbank neemt ook deze overwegingen van de deskundigen over. Daarbij wordt opgemerkt dat [onteigende] niet heeft aangeduid vanaf welk moment het proces van planvorming dan anders is verlopen, of, zoals door de gemeente is gesteld: welk aanwijsbaar concreet plan vooraf is gegaan aan de voorbereiding van het bestemmingsplan.
3.32.
Ten slotte wijst [onteigende] op de toelichting op de eliminatieregel van AG Valk. [10] Volgens [onteigende] is de verdamping van de waarde van het onteigende in dit geval evident. In 2005 is het hele perceel voor € 1.070.000,– gekocht. Daarvan wordt ongeveer een derde deel onteigend, waarvan 5.500 m2 met de bestemming Bedrijf. In het geval eliminatie wordt uitgesloten wordt voor die grond ongeveer € 8.000,– betaald, aldus [onteigende].
3.33.
De rechtbank volgt [onteigende] hierin niet. Anders dan [onteigende] lijkt te betogen zit de ratio van elimineren niet in het opvangen van waardeverdamping. Er is niets waaruit blijkt dat dit een afzonderlijk argument is voor toepassing van die regel. Zoals ook door AG Valk naar voren is gebracht kan het bij toepassing van de eliminatieregel zowel gaan om voordelen als om nadelen die teweeg worden gebracht door het werk waarvoor onteigend wordt of de plannen daarvoor. De deskundigen hebben tijdens het pleidooi toegelicht dat de waardevermindering van het perceel van [onteigende] het gevolg is van een nadelige bestemmingswijziging. De rechtbank sluit zich aan bij het standpunt van de deskundigen dat dit geen gevolg is van de onteigening.
Conclusie: geen eliminatie
3.34.
De rechtbank is van oordeel dat de hoofdregel moet worden toegepast. Aan de voorwaarden om te elimineren is niet voldaan. Dat betekent dat bij de waardebepaling rekening moet worden gehouden met het huidige bestemmingsplan.’
3.3
Voordat ik de klachten afzonderlijk bespreek, formuleer ik eerst enkele uitgangspunten.
3.4
De schadeloosstelling wegens onteigening vormt een volledige vergoeding voor alle schade die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk lijdt door het verlies van zijn zaak (art. 40 OnteigeningswetPro). De toe te kennen schadeloosstelling moet de onteigende in beginsel brengen in een financiële toestand gelijkwaardig aan die waarin hij zich – op de peildatum – zonder de onteigening zou hebben bevonden. [11] Op grond van art. 40b lid 1 Onteigeningswet wordt de werkelijke waarde van de onteigende zaak vergoed. Bij het bepalen van deze werkelijke waarde wordt uitgegaan van de prijs tot stand gekomen bij een veronderstelde koop in het vrije commerciële verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en de onteigenaar als redelijk handelende koper (art. 40b lid 2 Onteigeningswet).
3.5
Bij het bepalen van de schadeloosstelling wordt uitgegaan van de dag waarop het vonnis van de (vervroegde) onteigening is ingeschreven in de openbare registers (art. 40a Onteigeningswet). De feiten en omstandigheden zoals die op die dag bestonden, vormen uitgangspunt bij de bepaling en de begroting van de ten gevolge van de onteigening geleden schade. De redelijkheid kan een uitzondering op dit uitgangspunt rechtvaardigen om te waarborgen dat de werkelijke waarde van het onteigende aan de onteigende wordt vergoed. Een toepassing van die redelijkheid is de eliminatieregel van art. 40c Onteigeningswet. [12] Op grond daarvan wordt bij het bepalen van de schadeloosstelling geen rekening gehouden met voordelen of nadelen teweeggebracht door (1) het werk waarvoor onteigend wordt, (2) overheidswerken die in verband staan met het werk waarvoor onteigend wordt en (3) de plannen voor de werken onder 1 en 2 bedoeld.
3.6
In de onderhavige zaak is de vraag aan de orde of sprake is van een concreet plan voor het werk waarvoor onteigend wordt (art. 40c onder 3 Onteigeningswet). Het arrest van uw Raad van 26 mei 2023 geeft de laatste stand van zaken op dit punt weer: [13]
‘3.2.4. Op grond van art. 40c Ow wordt bij het bepalen van de schadeloosstelling geen rekening gehouden met voordelen of nadelen teweeggebracht door (1°) het werk waarvoor onteigend wordt, (2°) overheidswerken die in verband staan met het werk waarvoor onteigend wordt en (3°) de plannen voor de werken onder 1° en 2° bedoeld.
Deze zogenoemde “eliminatieregel” brengt onder meer mee dat de waardevermeerderende of waardeverminderende invloed van een bestemmingsplan bij de vaststelling van de werkelijke waarde van het onteigende buiten beschouwing moet blijven, voor zover de in het bestemmingsplan aan het onteigende gegeven bestemming door niets anders is bepaald dan een ten tijde van de vaststelling van dat bestemmingsplan al bestaand concreet plan voor een werk ter plaatse van onder meer het onteigende, en het bestemmingsplan in zoverre dan ook slechts is vastgesteld teneinde daarmee de juridisch-planologische onderbouwing en regeling te geven om de beoogde aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt mogelijk te maken. Dit betekent dat voor eliminatie alleen plaats is indien de plannen voor het werk waarvoor wordt onteigend, concreet zijn op het moment waarop de juridisch-planologische grondslag wordt bepaald. Plannen met een algemeen karakter die nog nader moeten worden uitgewerkt zijn dat niet. Gezien het uitzonderingskarakter van art. 40c Ow moet deze bepaling terughoudend worden toegepast.
3.2.5
De eliminatieregel houdt ook in dat geen rekening dient te worden gehouden met verwachtingswaarde die het gevolg is van het werk of het plan voor het werk waarvoor wordt onteigend. Dit betekent dat geen rekening dient te worden gehouden met de waardevermeerderende of waardeverminderende invloed van verwachtingen die berusten op planologische stukken die zijn bepaald door een reeds bestaand concreet plan voor het werk ter plaatse van het onteigende. Zodra er een concreet plan is voor het werk ter plaatse van het te onteigenen perceel, doen latere planologische stukken voor de bepaling van de verwachtingswaarde niet meer ter zake, ook niet voor zover deze betrekking hebben op andere werken. Op dat moment is immers al concreet dat het werk waarvoor wordt onteigend ter plaatse van het te onteigenen perceel zal worden gerealiseerd. Bij de vaststelling van de werkelijke waarde van het onteigende kan dan ook niet (in negatieve of positieve zin) verwachtingswaarde worden ontleend aan planologische stukken waarin reeds sprake is van of waarin wordt voortgebouwd op concrete plannen voor het werk waarvoor is onteigend. Dit strookt met het uitgangspunt dat de onteigening voor de onteigende partij in financieel opzicht nadeel noch voordeel behoort mee te brengen.
Toegesneden op het onderhavige geval is een plan concreet indien het de aanleg van de A4 op het perceel behelst. Op een zodanig plan voortbouwende planologische stukken voor andere werken, zoals een bedrijventerrein in de nabijheid van het perceel, leiden niet tot verwachtingswaarde die bij de vaststelling van de werkelijke waarde van het onteigende in aanmerking moet worden genomen. Zolang de plannen tot aanleg van de A4 nog niet concreet waren, dat wil zeggen niet de aanleg van de A4 op het perceel behelsden, konden planologische stukken waarin is voorzien in een bedrijventerrein in de nabijheid van het perceel wel aanleiding geven tot een verwachtingswaarde die in aanmerking moet worden genomen.’
3.7
Ik kom nu toe aan de klachten van het onderdeel.
3.8
Subonderdeel 1.1richt zich tegen de overweging van de rechtbank in rechtsoverweging 3.22 dat de planologische voorgeschiedenis – zoals door de rechtbank weergegeven in rechtsoverweging 3.21 – erop duidt dat het bestemmingsplan zijn normale rol in de ruimtelijke ordening heeft vervuld en de bestemming niet zo rechtstreeks voortvloeit uit een reeds bestaand, concreet plan, dat die bestemming met het plan waarvoor wordt onteigend, moet worden vereenzelvigd. Het subonderdeel klaagt dat dit oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk is.
3.9
In de eerste plaats klaagt het subonderdeel dat de rechtbank in rechtsoverweging 3.22 miskent dat het er bij de toepassing van de eliminatieregel niet, althans niet alleen, om gaat te beoordelen of het bestemmingscriterium zijn normale rol in de ruimtelijke ordening heeft vervuld, maar dat (ook) relevant is of de bestemming die aan het onteigende is gegeven, door niets anders is bepaald dan een ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan al bestaand concreet plan.
3.1
De klacht faalt. De rechtbank oordeelt in rechtsoverweging 3.22 dat de planologische voorgeschiedenis, zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.21, erop duidt dat het bestemmingsplan zijn normale rol in de ruimtelijke ordening heeft vervuld en de bestemming niet zo rechtstreeks voortvloeit uit een reeds bestaand, concreet plan voor het werk waarvoor onteigend wordt, dat die bestemming met het plan waarvoor onteigend wordt moet worden vereenzelvigd. Daarmee is dan ook gegeven dat volgens de rechtbank niet kan worden gezegd dat de bestemming die aan het onteigende is gegeven door niets anders is bepaald dan een ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan al bestaand concreet plan.
3.11
Voor zover de rechtbank heeft aangenomen dat in dit geval geen sprake is geweest van een dergelijk concreet plan dat ten grondslag heeft gelegen aan de aan het onteigende gegeven bestemming, omdat er sprake is geweest van opvolgende plannen en omdat in de in 2013 opgestelde zogenaamde ‘Challengevariant’ (pas) sprake was van een parallelle route langs het Beatrixkanaal (dat wil zeggen: op het onteigende perceel van [onteigende]) heeft de rechtbank het criterium volgens het subonderdeel onjuist toegepast. Dat geldt ook voor zover de rechtbank de opvatting is toegedaan dat het slechts om plannen met een algemeen karakter zou gaan. De rechtbank had, gelet op haar constatering dat in de Challengevariant sprake was van een tracé dat liep over het onteigende, welke variant al ruim voor de vaststelling van het bestemmingsplan was gemaakt, moeten komen tot de beslissing dat de aan het onteigende gegeven bestemming was bepaald door het concreet plan bestaande uit de Challengevariant.
3.12
De klacht faalt reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag. Zij neemt immers tot uitgangspunt dat de rechtbank heeft geconstateerd dat in de Challengevariant sprake was van een tracé dat liep over het onteigende, maar dat is niet wat de rechtbank in rechtsoverweging 3.21 overweegt. De rechtbank overweegt immers slechts dat de parallelle route over het perceel van [onteigende]loopt (waarbij in het midden blijft of het tracé over het later onteigende gedeelte van het perceel loopt of over het overblijvende).
3.13
De klacht faalt bovendien op de grond dat zij van een onjuiste rechtsopvatting uitgaat. De enkele omstandigheid dat het tracé in de Challengevariant liep over het onteigende – wat de rechtbank dus niet specifiek heeft vastgesteld – maakt immers niet, althans niet zonder meer, dat sprake is van een concreet plan. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 3.21 overwogen dat later een verbeterde Challengevariant is vastgesteld, die vervolgens nader is uitgewerkt en gekozen als oplossingsrichting voor de verdere planuitwerking. De rechtbank heeft daarmee klaarblijkelijk bedoeld aan te sluiten bij de regel uit de rechtspraak van uw Raad dat plannen met een algemeen karakter die nog nader moeten uitgewerkt, geen concreet plan kunnen vormen.
3.14
Ik heb enige tijd getuurd op de klacht van het subonderdeel volgens welke de rechtbank het eliminatiecriterium heeft miskend ‘ook voor zover de rechtbank de opvatting is toegedaan dat het slechts om plannen met een algemeen karakter(als bedoeld in het arrest van uw Raad van 26 mei 2023) zou gaan’. [14] Die klacht is niet anders toegelicht dan met de stelling dat de rechtbank gelet op haar constatering dat in de Challengevariant sprake was van een tracé dat liep over het onteigende, had moeten komen tot de beslissing dat de aan het onteigende gegeven bestemming was bepaald door het concrete planbestaande uit de Challengevariant. Mijns inziens past dat niet bij elkaar. Het is mij namelijk niet gelukt om plannen met een algemeen karakter en concrete plannen (voor het werk) anders te begrijpen dan als categorieën die elkaar onderling uitsluiten. [15]
3.15
Voor zover de rechtbank heeft beslist dat de Challengevariant niet als concreet plan in de zin van de eliminatieregel kan worden aangemerkt, is die beslissing – zo gaat het subonderdeel verder – onbegrijpelijk, omdat de rechtbank die beslissing niet van enige motivering heeft voorzien. De rechtbank zou hebben volstaan met een verwijzing naar de planologische voorgeschiedenis zonder te motiveren waarom geen sprake is van een concreet plan.
3.16
De klacht faalt. De rechtsoverwegingen 3.21-3.22 vormen samen de motivering van het oordeel van de rechtbank. Daaruit volgt dat sprake is geweest van een langdurig traject, waarin sprake is geweest van verschillende plannen, die al dan niet nader zijn uitgewerkt, waarna later in het proces nog sprake is geweest van verschillende varianten en alternatieven, waaruit uiteindelijk een keuze is gemaakt. Daarin ligt besloten dat sprake was van plannen die tot in een laat stadium niet (volledig) vaststonden en die nog nader moesten worden uitgewerkt. Mijns inziens vormt dit een voldoende motivering van het oordeel dat geen sprake is van een concreet plan. Het subonderdeel werkt ook niet nader uit waarom de motivering onvoldoende begrijpelijk zou zijn.
3.17
Verder klaagt het subonderdeel dat het oordeel van de rechtbank in het bijzonder onbegrijpelijk is in het licht van de rechtsoverwegingen 3.42-3.43, waar de rechtbank in verband met de toetsing aan art. 40e Onteigeningswet heeft overwogen dat uit de afbeelding van de zogenaamde Challengevariant (die als bijlage bij de bestuursovereenkomst is gehecht) blijkt dat een deel van de nieuwe weg is voorzien over het onteigende perceel van [onteigende]. [onteigende] had volgens de rechtbank kunnen begrijpen op welk gebied het beleidsvoornemen betrekking had, wat de zakelijke inhoud ervan was, en hij kon kennisnemen van de inhoud ervan, aldus de rechtbank. Deze overwegingen had de rechtbank ook moeten betrekken bij het door haar toe te passen eliminatiecriterium.
3.18
De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag om de redenen genoemd hiervoor 3.12. Bovendien faalt de klacht gelet op het volgende. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 3.43 – bij de beoordeling of planschade moet worden vergoed – overwogen dat [onteigende] op basis van de bestuursovereenkomst en de daarbij gevoegde afbeelding met betrekking tot de Challengevariant rekening had kunnen houden met de kans dat een nieuwe weg over zijn perceel zou worden aangelegd en dat dit mogelijk gevolgen zou hebben voor de benuttingsmogelijkheden, alsmede dat niet vereist is dat de schadeveroorzakende maatregel al tot in detail is uitgewerkt. Deze overwegingen spelen bij de toepassing van de eliminatieregel geen rol, omdat voor de vraag of sprake is van een concreet plan juist niet volstaat dat sprake is van een algemeen plan dat nog nadere uitwerking behoeft. [16] Dat de onteigende rekening had moeten houden met de kans dat een nieuwe weg over zijn perceel zou worden aangelegd, is voor toepassing van de eliminatieregel volstrekt onvoldoende.
3.19
De rechtbank heeft volgens het subonderdeel tot slot miskend dat zij – gelet op de op haar rustende plicht zelfstandig de schadeloosstelling vast te stellen – ook zelfstandig moest beoordelen of sprake was van een concreet plan en zij kon in dat verband niet volstaan met een verwijzing naar de bespreking van de door [onteigende] aangedragen argumenten, in rechtsoverwegingen 3.23 e.v.
3.2
De klacht faalt. De rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 3.21-3.22 zelfstandig beoordeeld of sprake is van een concreet plan in de zin van art. 40c onder 3° Onteigeningswet. Die beoordeling leidde de rechtbank tot het oordeel dat van een concreet plan geen sprake is. Daarna is de rechtbank ingegaan op de argumenten van [onteigende] waarom tóch sprake zou moeten zijn van een concreet plan. De rechtbank heeft dus niet volstaan met een verwijzing naar de bespreking van door [onteigende] aangedragen argumenten.
3.21
Subonderdeel 1.2richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 3.28 dat de bestuursovereenkomst niet kan worden aangemerkt als een voldoende concreet plan. Het subonderdeel klaagt dat dit oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk is.
3.22
De overweging dat [onteigende] en de gemeente geen bezwaren hebben geuit tegen de opvatting van de deskundigen dat de bestuursovereenkomst niet als een concreet plan kan worden aangemerkt, is volgens het subonderdeel onbegrijpelijk, omdat [onteigende] – zoals de rechtbank ook in rechtsoverweging 3.44 heeft overwogen – heeft gesteld dat als er in april 2015 met de bestuursovereenkomst daadwerkelijk een concreet plan lag, in de zin van een concreet beleidsvoornemen, ook de eliminatieregel moet worden toegepast.
3.23
De klacht faalt. [onteigende] heeft bij pleidooi – in het kader van de discussie over de vergoeding van planschade op de voet van art. 40e Onteigeningswet, meer precies het leerstuk van passieve risicoaanvaarding – uitgebreid betoogd dat in de bestuursovereenkomst geen concreet beleidsvoornemen is opgenomen. Voor het geval dat de rechtbank zou aannemen dat de bestuursovereenkomst toch een concreet beleidsvoornemen bevat, heeft [onteigende] vervolgens aangevoerd: [17]
‘Maar en dan kom ik terug op de eliminatieregel van 40c Ow. Als het dan werkelijk zo is dat er in april 2015 met de bestuursovereenkomst een concreet plan lag immers een concreet beleidsvoornemen dan is daarmee toch gegeven dat eliminatie aan de orde is.’
De rechtbank heeft het standpunt van [onteigende] ten aanzien van de eliminatieregel in rechtsoverweging 3.44 uitgebreid gemotiveerd verworpen en het cassatiemiddel richt geen klachten tegen dat oordeel van de rechtbank. Ook als aan [onteigende] zou moeten worden toegegeven dat hij gelet op het voorgaande toch bezwaar heeft gemaakt tegen de opvatting van de deskundigen dat de bestuursovereenkomst niet als concreet plan kan worden aangemerkt, kan dit [onteigende] dus niet baten.
3.24
Bovendien had de rechtbank volgens het subonderdeel, in verband met haar verplichting om zelfstandig onderzoek te doen naar de omvang van de schadeloosstelling en dus ook naar de aanwezigheid van een concreet plan, acht moeten slaan op de opvatting van de deskundigen dat vanaf de publicatie van de bestuursovereenkomst redelijkerwijs voorzienbaar was dat verkeersinfrastructuur ter plaatse zou worden aangepast. De deskundigen hebben die opvatting weliswaar geuit in het kader van art. 40e Onteigeningswet, maar dat staat er niet aan in de weg dat dit ook een relevant gezichtspunt vormt bij de toepassing van het eliminatiecriterium.
3.25
De klacht faalt. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 3.44 tot uitdrukking gebracht dat een voorzienbaarheid zoals die volstaat in het kader van art. 40e Onteigeningswet (planschade), niet voldoende is voor toepassing van art. 40c Onteigeningswet (eliminatie). De rechtbank heeft voorts overwogen dat zij geen aanleiding ziet om anders te oordelen over de toepassing van de eliminatieregel. Aldus heeft de rechtbank – voor zover nodig – de opvatting van deskundigen ook betrokken bij de beoordeling in het kader van de eliminatieregel.
3.26
Het subonderdeel vervolgt: de rechtbank heeft in rechtsoverweging 3.44 wel overwogen dat de beantwoording van de vraag of de bestuursovereenkomst als concreet plan moet worden aangemerkt, van geheel andere aard is dan de vraag of de bestuursovereenkomst ertoe leidt dat sprake is van een concreet beleidsvoornemen dat leidt tot voorzienbaarheid (in verband met planschade), maar zij heeft daarmee volgens het subonderdeel niet, althans niet voldoende inzichtelijk gemaakt waarom de bestuursovereenkomst niet het concrete plan vormt als bedoeld in het eliminatiecriterium.
3.27
De klacht faalt. De rechtbank heeft in de rechtsoverwegingen 3.21-3.22 en 3.28 (mede onder verwijzing naar de motivering van de deskundigen) geoordeeld over de vraag of de bestuursovereenkomst als concreet plan kan worden aangemerkt. Vervolgens heeft de rechtbank in rechtsoverweging 3.44 een aanvullend betoog van [onteigende] op dit punt verworpen. Daarmee heeft de rechtbank voldoende inzichtelijk gemaakt waarom de bestuursovereenkomst geen concreet plan vormt als bedoeld in art. 40c onder 3° Onteigeningswet.
3.28
Subonderdeel 1.3richt zich tegen rechtsoverweging 3.29, waar de rechtbank zich kennelijk aansluit bij de overweging van de deskundigen dat de pogingen van de gemeente tot minnelijke verwerving vanaf 2015, de tekeningen gevoegd bij het besluit van januari 2016 in het kader van de Wet voorkeursrecht gemeenten en de kaart die bij de brief van 31 mei 2016 is gevoegd, er niet toe leiden dat uit de feiten en omstandigheden blijkt dat sprake is van een voldoende concreet plan, omdat op deze momenten nog meerdere tracévarianten werden onderzocht, in het voorontwerpbestemmingsplan werd vooruitgelopen op een toetsingsadvies van de commissie voor de milieueffectenrapportage en uiteindelijk ook in het bestemmingsplan nog aanpassingen werden doorgevoerd. Het subonderdeel klaagt dat dit oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk is.
3.29
Het subonderdeel klaagt dat de rechtbank met haar overweging dat op de hiervoor vermelde momenten nog meer tracé-varianten werden onderzocht, heeft miskend dat het er slechts om gaat of er ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan sprake was van een concreet plan ter plaatse van het onteigende. Het is dus slechts van belang of het werk ter plaatse van het onteigende al is vervat in een voorafgaand aan het bestemmingsplan bestaand concreet plan. Slechts relevant is daarom of in de ter beoordeling voorliggende plannen ter plaatse van het onteigende is voorzien in de aanleg van het wegtracé, omdat dit het werk is ten behoeve waarvan de onteigening plaatsvindt. Irrelevant is of (de planvorming van) het werk dat niet op het onteigende is gelegen in de loop van de tijd aan veranderingen onderhevig is geweest.
3.3
De klachten falen. Ook als ervan wordt uitgegaan dat op enig moment duidelijk was dat het wegtracé over het perceel van [onteigende] zou gaan lopen, dan was daarmee nog niet definitief duidelijk waar het wegtracé precies zou lopen, en meer specifiek of het wegtracé zou lopen over het deel van het perceel van [onteigende] dat uiteindelijk is onteigend (een gedeelte ter grootte van ongeveer een derde van de totale oppervlakte van het perceel).
3.31
Het subonderdeel gaat kennelijk ervan uit dat het wegtracé ten tijde van de genoemde plannen al vast lag en dat nadere uitwerking en optimalisaties – waarover de deskundigen en de rechtbank spreken – alleen betrekking hadden op onderdelen die niet op het onteigende zijn gelegen. Dat uitgangspunt is evenwel onjuist.
3.32
Dit volgt bijvoorbeeld uit de afbeelding in de bijlage bij het besluit van januari 2016 in het kader van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hieronder weergegeven). [18] Op die afbeelding – hieronder weergegeven – staat het perceel van [onteigende], verdeeld in een groen gedeelte (ongeveer twee derde van het perceel aan de kant van het Beatrixkanaal) en een grijs gemarkeerd gedeelte (de resterende een derde van het perceel). Binnen het groen gemarkeerde gedeelte is in het rood weliswaar een wegtracé ingetekend, maar uit de legenda volgt dat het gaat om de indicatieve inrichtingwaarbij het groene gedeelte de marge vormt voor de uiteindelijke ligging van het tracé (die marge wordt in het origineel ook aangegeven met pijlen). Dat hier naar het oordeel van de rechtbank nog geen sprake was van een concreet plan, acht ik niet onbegrijpelijk.
3.33
Daarbij komt nog dat de gronden zoals die benodigd zouden zijn, niet alleen de aanleg van het wegtracé als zodanig betreft. Daaronder vallen ook de aanleg van natuur en groen, al dan niet in verband met (verplichte) compensatie. Als we aannemen dat naast het wegtracé ook de aanleg van natuur en groen onderdeel uitmaken van het werk waarvoor is onteigend, dan blijkt uit tekeningen in het voorontwerp, ontwerp en vastgestelde bestemmingsplan, dat ook ten aanzien van het perceel van [onteigende] nog de nodige wijzigingen hebben plaatsgevonden. Kort gezegd zijn natuur en groen later nog toegevoegd en/of gewijzigd. Daarmee zijn ook de grenzen van de gronden zoals die ten behoeve van de aanpassing van de infrastructuur benodigd zouden zijn in de verschillende versies van het bestemmingsplan nog gewijzigd.
3.34
Vergelijking met figuur 1.8 van het voorontwerp bestemmingsplan [19] leert dat ten noorden van het aan te leggen wegtracé op het perceel van [onteigende] destijds een deel was gereserveerd waaraan uiteindelijk de bestemming natuur is gegeven, maar dat ten zuiden van het wegtracé toen nog niet het deel was gereserveerd waar uiteindelijk de bestemming groen aan is gegeven. In het ontwerp bestemmingsplan komt ten zuiden van het wegtracé wel een langgerekte strook met de bestemming groen voor. In het uiteindelijk vastgestelde bestemmingsplan is ten noorden van het wegtracé vervolgens nog een aanvullende smalle langgerekte strook met de bestemming natuur toegevoegd. [20]
Hieruit volgt dat ook als het tracé wellicht al min of meer vast lag bij het voorontwerp van het bestemmingsplan, dit in ieder geval niet geldt voor andere onderdelen van het werk waarvoor uiteindelijk is onteigend, waaronder de bestemmingen natuur en groen. De nadere uitwerking en optimalisaties zagen dus wel degelijk ook op hetgeen ter plaatse van het onteigende zou plaatsvinden, en niet alleen op onderdelen die elders zouden worden uitgevoerd, zoals [onteigende] ten onrechte tot uitgangspunt neemt. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de intekening en afbakening van de ten behoeve van de aanpassing van de infrastructuur te realiseren bestemmingen op het onteigende in het voorontwerp en ontwerp nog niet vaststonden. Ook de grenzen van de benodigde gronden (óók ter plaatse van het perceel van [onteigende]) zijn pas bij de vaststelling van het bestemmingsplan definitief komen vast te staan. De uitwerking in de verschillende plannen is steeds (in ieder geval gedeeltelijk) anders. Al met al kan dus niet worden gezegd dat alleen de planvorming ten aanzien van onderdelen die niet op het onteigende zijn gelegen in de loop van de tijd gewijzigd is; ook het tracé ter plaatse van het perceel van [onteigende] is nog aangepast, uitgewerkt en geoptimaliseerd.
3.36
Ook als geen sprake zou zijn van relevante wijzigingen ter plaatse van het onteigende, dan nog is de opvatting waarvan de klachten uitgaan – namelijk dat alleen moet worden gekeken naar het werk ter plaatse van het onteigende – mijns inziens te absoluut. Het kan immers zo zijn dat het deel van het uiteindelijk uit te voeren werk dat op het onteigende zal worden gerealiseerd onlosmakelijk is verbonden met of in nauw verband staat tot andere delen van een groter project, zodat niet kan worden uitgesloten dat wijzigingen elders in het project ook impact kunnen hebben op het gedeelte van het werk dat ter plaatse van het onteigende zal worden gerealiseerd.
3.37
Naar aanleiding van de reacties van [onteigende] en de gemeente op het concept deskundigenadvies hebben de deskundigen in het definitieve deskundigenadvies nader uitgewerkt dat en waarom in deze zaak het bestemmingsplan niet moet worden geëlimineerd, omdat er bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen voldoende concreet plan voor het werk was. In rechtsoverweging 3.29 sluit de rechtbank kennelijk aan bij de overwegingen van de deskundigen, zoals ook het subonderdeel tot uitgangspunt neemt. Om die reden geef ik de overwegingen van de deskundigen hieronder integraal weer: [23]
‘ 5.5 in casu: concreet plan/normale rol bestemmingsplan In de ruimtelijke ordening?
In casu hebben deskundigen vastgesteld dat ten tijde van het opstellen van het bestemmingsplan nog geen (voldoende) concreet plan voor de nieuwe verbindingsweg voorlag.
Blijkens de toelichting bij het bestemmingsplan is de keuze voor het definitieve tracé voor deze nieuwe weg pas in en met het opstellen van het voorontwerp-bestemmingsplan gemaakt op basis van o.m. de conclusies van het voorafgaande MER-rapport, waarin nog de milieueffecten van meerdere tracévarianten waren onderzocht. Met die keuze in het voorontwerp-bestemmingsplan werd overigens nog vooruitgelopen op het toetsingsadvies van de Commissie voor de m.e.r., terwijl er nadien ook nog in het resp. ontwerp-bestemmingsplan en het bestemmingsplan zelf aanpassingen aan het uiteindelijke tracé voor de verbindingsweg zijn doorgevoerd.
Met de afweging van de verschillende nog mogelijke tracévarianten, en de uiteindelijke keuze voor een/de definitieve tracévariant bij de vaststelling van het bestemmingsplan heeft in dit geval het bestemmingsplan bij uitstek zijn normale rol in de ruimtelijke ordening vervuld.
Anders dan [onteigende] heeft gesteld kan naar het inzicht van deskundigen ook onderstaande tekening die gevoegd was bij het Wvg-besluit van de gemeente van januari 2016 niet al gelden als een voldoende 'concreet plan' voor het werk, juist omdat uit de toelichting bij het bestemmingsplan blijkt dat op dat moment nog meerdere tracévarianten voor de verbindingsweg in studie waren. Daaraan doet niet af of dat (a) die varianten geen betrekking hebben op het tracédeel waarin het perceel van [onteigende] was begrepen, nu dit tracédeel blijkens de toelichting een integraal onderdeel uitmaakt van de gehele verbindingsweg (“het werk”), en/of (b) in de toelichting bij het bestemmingsplan al wordt verwezen naar de gronden, die voor de realisering van het bestemmingsplan nog zullen moeten worden verworven.
[afbeelding, hiervoor 3.32 reeds weergegeven, A-G]
Deskundigen tekenen daarbij aan dat een bestemmingsplan altijd het sluitstuk van een ruimtelijke ordeningsproces is. Bij elk “normaal”/”gebruikelijk” ruimtelijkordeningsproces zal sprake zijn van voorafgaande “plannen” in de vorm van beleidsvisies, planvisies, ontwikkelingsprogramma's etc. en bij elk normaal ruimtelijke ordeningsproces voor een infrastructureel werk (weg etc.) zal al in een vroeg stadium sprake zijn van een globaal tracé en een in de loop van het proces steeds verdere beperking van het aantal mogelijke tracévarianten. Zolang de gemeente in dit voorafgaande ruimtelijke ordeningsproces een zelfstandige rol én invloed heeft op de tijdens dat proces te maken keuzes en zij ook zelf de keuze voor (de inhoud van) het definitieve plan voor het betreffende werk (= definitieve tracékeuze) in haar bestemmingsplan maakt, vervult dit bestemmingsplan zijn normale rol in de ruimtelijke ordening.
In dit geval is het werk waarvoor onteigend wordt de aanleg van de nieuwe verbindingsweg langs het Beatrix-kanaal. (Het plan voor) deze weg is onderdeel van een veel groter project – te weten de verbetering en aanpassing van de infrastructuur in Eindhoven-Noordwest – welk project op haar beurt weer onderdeel is van het project “gebiedsontwikkeling Brainport Park”. Het plan/project voor de verbetering en aanpassing van de infrastructuur in Eindhoven-Noordwest is in nauwe samenspraak tussen de drie betrokken gemeenten en de provincie ontwikkeld. Daarbij heeft de gemeente Eindhoven een regierol gehad. Daarmee is geen sprake geweest van (de ontwikkeling van) een plan op de inhoud waarvan de gemeente niet of nauwelijks invloed heeft gehad, en waarvoor zij “slechts” de juridisch-planologische regeling in haar bestemmingsplan heeft opgenomen. Deskundigen handhaven daarmee hun inzicht dat in dit geval voor toepassing van de uitzondering op de eliminatieregel, en daarmee voor eliminatie van dit bestemmingsplan en de daarin opgenomen bestemmingen voor het onteigende geen grond bestaat. Voor zover [onteigende] als gevolg van dit bestemmingsplan schade lijdt c.q. heeft geleden voorziet artikel 40e Ow in vergoeding daarvan (vgl. hierna ook sub 30 e.v.).’
3.38
Hieruit volgt dat de deskundigen van mening zijn dat in januari 2016 nog geen sprake was van een voldoende concreet plan voor het werk, omdat uit het bestemmingsplan blijkt dat op dat moment nog meerdere tracévarianten voor de verbindingsweg werden onderzocht. Daaraan doet volgens de deskundigen niet af dat die varianten geen betrekking hebben op het tracédeel waarin het perceel van [onteigende] was begrepen, omdat dit tracédeel volgens de toelichting een integraal onderdeel uitmaakt van de gehele verbindingsweg. Daarmee brengen de deskundigen kennelijk tot uitdrukking dat wijzigingen elders in het project gevolgen zouden hebben kunnen hebben voor het tracédeel ter plaatse van het onteigende, en dat daarom niet kan worden aangenomen dat voor het tracédeel ter plaatse van het onteigende sprake was van een voldoende concreet plan. De rechtbank heeft het standpunt van de deskundigen overgenomen. Daarnaast heeft de rechtbank onder meer overwogen: ‘Als het gaat om plan voor het werk, dan moet ook het hele werk uitgewerkt zijn.’ Ik begrijp deze overweging aldus dat ook daarin besloten ligt dat volgens de rechtbank sprake is van relevante samenhang tussen verschillende onderdelen van het project. In cassatie worden daartegen op zichzelf geen klachten gericht, althans in ieder geval licht het subonderdeel niet toe waarom het tracé ter plaatse van het onteigende geheel los kan worden gezien van dat het overige tracé voor de verbindingsweg. Ik meen dus dat we er van uit moeten gaan dat het tracé ter plaatse van het perceel van [onteigende] potentieel nog had kunnen wijzigen. Bij die stand van zaken faalt de rechtsklacht van het subonderdeel (hiervoor 3.29 weergegeven).
3.39
Het oordeel van de rechtbank is volgens het subonderdeel onbegrijpelijk in het licht van het in het vonnis onder 3.26 weergegeven betoog van [onteigende] dat ten aanzien van het onteigende vanaf het tijdstip dat de Challengevariant is opgesteld, in de planvorming steeds sprake is geweest van een over het onteigende lopend wegtracé. [onteigende] heeft er in dat verband op gewezen dat al vanaf 2015 overleg plaatsvond over een minnelijke verwerving en dat het tracé al precies was te zien op de bijlage bij de brief van de gemeente van 31 mei 2016. Vanaf het tijdstip van de terinzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan in juni 2016 is het tracé over het perceel nooit meer gewijzigd, zo heeft [onteigende] betoogd. [onteigende] heeft hiermee betoogd dat het tracé over het perceel van [onteigende] van begin af aan duidelijk is geweest en niet aan enige optimalisatie onderhevig is geweest. Expliciet is ook gesteld dat optimalisaties op kilometers afstand van het perceel van [onteigende] geen rol spelen bij de eliminatievraag. Met het oordeel van de rechtbank wordt de kern van de door [onteigende] naar voren gebrachte argumentatie niet weerlegd, aldus de klachten.
3.4
Deze klachten falen voor zover zij ervan uitgaan dat uit de enkele omstandigheid dat in verschillende opeenvolgende documenten uit de totstandkomingsgeschiedenis van het bestemmingsplan op het onteigende perceel een deel van het uiteindelijke werk was ingetekend – in dit geval het wegtracé over het perceel van [onteigende] – volgt dat sprake was van een voldoende concreet plan voor het werk. Ook in het gewone leven is het zo dat de omstandigheid dat iemand enkele keren achtereen dezelfde mogelijkheden of waarschijnlijkheden onder ogen ziet, niet bewijst dat het meer betrof dan mogelijkheden of waarschijnlijkheden, namelijk zekerheden. [24] Dat wil niet zeggen dat ik geen begrip ervoor kan hebben dat een onteigende als [onteigende] die dat goed uitkomt, verondersteltdat het zo is. Een zodanige subjectief gekleurde veronderstelling is echter niet genoeg. Hoe dan ook, de weging in hoeverre sprake was van meer dan mogelijkheden of waarschijnlijkheden in de zin van een voldoende concreet planis voorbehouden aan de rechtbank als rechter die over de feiten oordeelt. Onbegrijpelijk is die weging mijns inziens niet. Ik merk nog op dat ook deze klachten er ten onrechte aan voorbijzien dat ook ter plaatse van het perceel van [onteigende] nog nadere uitwerking en optimalisatie heeft plaatsgevonden (hiervoor 3.31 e.v.).
3.41
Volgens het subonderdeel miskent de rechtbank met haar overweging onder 3.29 dat een bestemmingsplan een sluitstuk is, zodat er altijd sprake is van een voorafgaand plan in de vorm van een visie of ontwikkelingsprogramma’s, dat het er bij de toets aan het eliminatiebeginsel slechts om gaat te beoordelen of ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan sprake was van een concreet plan ter plaatse van het onteigende. De observatie van deskundigen (waarnaar de rechtbank verwijst) dat er altijd sprake is van een voorafgaand plan en dat een bestemmingsplan een sluitstuk is, doet in dat verband niet ter zake.
3.42
De klacht faalt. De deskundigen en rechtbank hebben kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat – met reden – de nodige terughoudendheid moet worden betracht bij het elimineren van een bestemmingsplan, waarbij een rol speelt dat aan een bestemmingsplan altijd al andere – meer of minder uitgewerkte – plannen voorafgaan. Dit is niet onjuist of onbegrijpelijk. Immers, de eliminatieregel van art. 40c Onteigeningswet is reeds een uitzondering, te weten op het uitgangspunt dat bij het bepalen van de werkelijke waarde alle omstandigheden ten tijde van de peildatum in aanmerking worden genomen voor zover zij van invloed zijn bij een veronderstelde koop in het vrije commerciële verkeer tussen de onteigende en de onteigenaar als redelijk handelende verkoper en koper (art. 40b lid 2 Onteigeningswet). Binnen die uitzondering die de eliminatieregel dus is, geldt bovendien als vuistregel dat bestemmingsplannen niet worden geëlimineerd. Vanwege het uitzonderingskarakter van art. 40c Onteigeningswet moet deze bepaling met terughoudendheid worden toegepast. [25]
3.43
Subonderdeel 1.4richt zich tegen rechtsoverweging 3.30, waar de rechtbank overweegt dat uit de toelichting op het bestemmingsplan blijkt dat daarin op perceelsniveau is afgewogen wat een goede ruimtelijke ordening zou zijn.
3.44
Voor zover de rechtbank dit aspect mede van belang acht bij de invulling van de vraag of sprake is van een concreet plan, miskent de rechtbank volgens de klacht van het subonderdeel dat bij de toets aan het eliminatiecriterium slechts relevant is of sprake is van een voldoende concreet plan ten aanzien van het werk op het onteigende. De afweging die op perceelsniveau is gemaakt in het bestemmingsplan ten aanzien van andere percelen dan het onteigende is geen vereiste voor het bestaan van een concreet plan.
3.45
In rechtsoverweging 3.19 geeft de rechtbank het standpunt van [onteigende] over toepassing van de eliminatieregel weer. Vervolgens overweegt de rechtbank in rechtsoverwegingen 3.21-3.22 dat geen sprake is van een concreet plan. Daarna bespreekt de rechtbank in rechtsoverwegingen 3.23-3.33 de argumenten die [onteigende] heeft aangedragen voor zijn standpunt dat wel eliminatie had moeten plaatsvinden. Uit rechtsoverweging 3.19, slot, volgt dat een van de argumenten van [onteigende] is dat als het bestemmingsplan zijn gewone rol in het ruimtelijke ordeningsproces zou hebben gevolgd, dan op perceelsniveau aan de orde zou zijn of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en welke bestemming passend is voor dat perceel gelet op de bestaande bestemming, het feitelijk gebruik en het beoogde gebruik. In rechtsoverweging 3.30 oordeelt de rechtbank naar aanleiding van dit argument van [onteigende] dat uit de toelichting op het bestemmingsplan volgt dat daarin op perceelsniveau is afgewogen wat een goede ruimtelijke ordening zou zijn. Daarmee valt het doek voor het argument van [onteigende], ongeacht of dit aspect bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een concreet plan überhaupt van belang is. Ik zie niet in welke rechtsregel de rechtbank hiermee zou hebben miskend.
3.46
Wat betreft de klacht dat de afweging die op perceelsniveau is gemaakt in het bestemmingsplan ten aanzien van anderepercelen dan het onteigende geen vereiste is voor het ontstaan van een concreet plan, beperk ik mij tot de opmerking dat de in rechtsoverweging 3.30 genoemde onderdelen van de toelichting op het bestemmingsplan in ieder geval deels op het perceel van [onteigende] betrekking hebben. [26]
3.47
De rechtbank heeft volgens het subonderdeel bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een voldoende concreet plan ten onrechte niet (althans niet kenbaar) aandacht besteed aan de aard van het op het onteigende aan te leggen werk. Voor zover zij dat wel heeft gedaan, is haar beslissing onbegrijpelijk, omdat een wegtracé naar zijn aard snel concreet is. Bovendien is het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk in het licht van de stelling van [onteigende] dat al voorafgaand aan het bestemmingsplan duidelijk was dat het tracé over diens perceel zou lopen. Daarbij komt dat de rechtbank in rechtsoverweging 3.30 kennelijk ook acht slaat op andere percelen dan die van [onteigende], welke beslissing om de in subonderdeel 1.3 vermelde redenen onjuist is.
3.48
De klachten falen. De beoordeling of sprake is van een concreet plan van het werk op grond waarvan de eliminatieregel moet worden toegepast, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Ik voel er niet voor om de eliminatieregel te compliceren door een vuistregel te aanvaarden, zoals door het subonderdeel voorgestaan. In een eerdere zaak heeft uw Raad tot uitdrukking gebracht dat eliminatie van geval tot geval moet worden beoordeeld en niet is voorgeschreven voor bepaalde categorieën van gevallen (zie ook het vonnis onder 3.27). [27] Hoewel de context van die zaak anders was – in die zaak ging het om de aard van het document dat al dan niet als concreet plan moest worden aangemerkt, en niet om de aard van het werk waarvoor wordt onteigend – is er toch een parallel in de zin dat niet te snel de beoordelingsvrijheid van de feitenrechter wordt ingeperkt. Het door het subonderdeel bedoelde uitgangspunt kan ook niet worden afgeleid uit de uitspraak van uw Raad uit 2023 inzake de onteigening voor de aanleg van de A4 bij Steenbergen. In die uitspraak overwoog uw Raad weliswaar dat – in die zaak, toegesneden op dat geval – een plan concreet is indien het de aanleg van de A4 op het perceel behelst, [28] maar dat is wat anders dan een algemene of vuistregel dat een plan steeds concreet is als het gaat om de aanleg van een weg over het onteigende perceel.
3.49
De overige klachten falen in het verlengde van subonderdeel 1.3.
3.5
Subonderdeel 1.5richt zich tegen rechtsoverweging 3.31, waar de rechtbank belang hecht aan het feit dat [onteigende] niet heeft gesteld welk aanwijsbaar concreet plan vooraf is gegaan aan de voorbereiding van het bestemmingsplan.
3.51
De rechtbank heeft volgens het subonderdeel miskend dat op haar de zelfstandige taak rust de schadeloosstelling vast te stellen en dat zij derhalve ten onrechte belang hecht aan de vraag of [onteigende] precies heeft aangeduid vanaf welk moment het proces van planvorming anders is verlopen of welk aanwijsbaar concreet plan is voorafgegaan aan de voorbereiding van het bestemmingsplan.
3.52
De rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 3.21-3.22 zelfstandig vastgesteld dat in dit geval geen sprake is van een concreet plan. Vervolgens heeft de rechtbank in rechtsoverwegingen 3.23-3.33 de argumenten beoordeeld die [onteigende] heeft aangedragen voor zijn standpunt dat wel eliminatie had moeten plaatsvinden. Aan het slot van die beoordeling, in rechtsoverweging 3.31, merkt de rechtbank op dat [onteigende] niet heeft aangeduid vanaf welk moment het proces van planvorming anders is verlopen of welk aanwijsbaar concreet plan is voorafgegaan aan de voorbereiding van het bestemmingsplan. Aldus heeft de rechtbank niet miskend dat op haar de zelfstandige taak rust om de schadeloosstelling te bepalen. Niet valt in te zien dat de rechtbank geen belang zou mogen toekennen aan het feit dat [onteigende] op deze punten niets heeft aangevoerd; als [onteigende] dat wel had gedaan, dan had de rechtbank daarop immers moeten ingaan. De rechtbank heeft met de aangevallen overweging niet wezenlijk meer gezegd dan dat zij – na haar zelfstandige beoordeling en weerlegging van alle argumenten van [onteigende] – aan het einde is gekomen van haar beoordeling of sprake is van een concreet plan.
3.53
De rechtbank heeft volgens het subonderdeel voorts miskend dat het bij een concreet plan in de zin van het eliminatiecriterium niet behoeft te gaan om plannen waarin een planologische grondslag in juridische zin is vastgelegd en dat er geen vormvereisten gelden voor dat plan.
3.54
De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat in rechtsoverweging 3.31 of elders in het bestreden vonnis niets valt te lezen waaruit kan worden opgemaakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat het moet gaan om plannen waarin een planologische grondslag in juridische zin is vastgelegd en/of dat er vormvereisten gelden voor dat plan.
3.55
De rechtbank heeft volgens het subonderdeel bij de beoordeling of sprake is van een concreet plan niet de context van de desbetreffende stukken betrokken, zodat zij ook in zoverre blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
3.56
De klacht faalt, omdat de rechtbank in rechtsoverwegingen 3.21-3.33 wel degelijk de context van de verschillende documenten in de beoordeling heeft betrokken. Daarmee valt niet in te zien dat de rechtbank blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Overigens licht het subonderdeel ook niet nader toe wat de rechtbank meer of anders had moeten doen.
3.57
Tot slot klaagt het subonderdeel dat de overweging dat [onteigende] niet naar voren zou hebben gebracht welk aanwijsbaar concreet plan is voorafgegaan aan de voorbereiding van het bestemmingsplan onbegrijpelijk is, omdat [onteigende] onder meer heeft gewezen op de brief van de gemeente van 1 december 2015 en de brief van 31 mei 2016.
3.58
Wat betreft de brief van 1 december 2015 verwijst de procesinleiding in voetnoot 13 naar de pleitnotities van [onteigende], onder 6. Aldaar heeft de advocaat van [onteigende] opgemerkt:
‘In mijn reactie van 5 juli 2023 op het conceptrapport van deskundigen ging ik al uitvoerig in op de mate van gedetailleerdheid en dat het tracé in ieder geval over het perceel van [onteigende] al sinds 2015 vaststond. Ik verwijs naar die reactie en herhaal deze hier niet volledig om doublures te voorkomen maar relevant is die notitie met de vele verwijzingen wel.
Wel wijs ik op blz. 4 en met name de brief van de gemeente Eindhoven van 1 december 2015 waarin zij stelt:
“ zeker is dat het perceel van [onteigende] wordt doorkruist door de verbinding tussen de [b-straat]/[c-straat] en [d-straat]”.’
Ik lees hierin niet dat [onteigende] de brief van 1 december 2015 heeft aangewezen als concreet plan voor het werk. In ieder geval is niet onbegrijpelijk dat de rechtbank dat niet zo heeft gelezen. In de brief wordt slechts in algemene zin gezegd dat het perceel van [onteigende] door de verbinding zal worden doorkruist.
3.59
Ten aanzien van de brief van 31 mei 2016 verwijst voetnoot 14 van de procesinleiding naar de pleitnotities van [onteigende], onder 13. Daar betoogt [onteigende] dat het tracé over het perceel van [onteigende] al erg lang bekend was, wat zou volgen uit een brief van 31 mei 2016 en de aan die brief gehechte bijlage 1, waarop het tracé op dat moment al precies is te zien. Daaruit zou duidelijk volgen dat het tracé ruim een jaar voor vaststelling van het bestemmingsplan al geheel vastlag.
3.6
Mijns inziens behoefde de rechtbank ook deze stelling niet noodzakelijk aldus te begrijpen dat [onteigende] bedoelde de brief van 31 mei 2016 als het concrete plan voor het werk naar voren te brengen. Hoe dan ook blijft het oordeel van de rechtbank onder 3.29 – onder meer dat in de periode waarin deze brieven werden geschreven geen sprake is van een concreet plan omdat op die momenten nog meerdere tracévarianten werden onderzocht – overeind. Ook als moet worden aangenomen dat [onteigende] deze brieven wel als concreet plan heeft aangewezen, kan dit hem dus niet baten.
3.61
Subonderdeel 1.6richt zich tegen het oordeel in rechtsoverweging 3.33 dat de ratio van het eliminatiebeginsel niet zit in het opvangen van waardeverdamping.
3.62
Met dat oordeel heeft de rechtbank volgens het subonderdeel de ratio van het eliminatiebeginsel miskend. Die ratio is immers dat redenen van billijkheid (mede) kunnen nopen tot eliminatie. De Hoge Raad heeft volgens de stellers van het middel nooit expliciet kenbaar gemaakt wat de achtergrond is van het eliminatiebeginsel, hetgeen heeft geleid tot enige speculatie in de literatuur, maar het is bepaald niet denkbeeldig dat redenen van billijkheid daarbij een rol hebben gespeeld. Het argument van [onteigende] dat sprake is van waardeverdamping moet volgens het subonderdeel mede worden beschouwd als uitwerking van een beroep op die redenen van billijkheid. Daarom gaat de overweging van de rechtbank uit van een onjuiste rechtsopvatting.
3.63
De klacht faalt. In het arrest van 16 mei 2025 – overigens van na de datum van de procesinleiding – is uw Raad ingegaan op onder meer de ratio van de peildatum voor het vaststellen van de schadeloosstelling na onteigening en de eliminatieregel. Uw Raad overwoog: [29]
‘Op grond van art. 40a (oud) Ow wordt bij het bepalen van de schadeloosstelling uitgegaan van de dag waarop het vonnis van de vervroegde onteigening is ingeschreven in de openbare registers. De feiten en omstandigheden zoals die op die dag bestonden, vormen uitgangspunt bij de bepaling en de begroting van de ten gevolge van de onteigening geleden schade. De redelijkheid kan een uitzondering op dit uitgangspunt rechtvaardigen om te waarborgen dat de werkelijke waarde van het onteigende wordt vergoed aan de onteigende. Een toepassing van die redelijkheid is de zogenoemde ‘eliminatieregel’ van art. 40c (oud) Ow. Op grond van art. 40c (oud) Ow wordt bij het bepalen van de schadeloosstelling geen rekening gehouden met voordelen of nadelen teweeggebracht door (1°) het werk waarvoor onteigend wordt, (2°) overheidswerken die in verband staan met het werk waarvoor onteigend wordt en (3°) de plannen voor de werken onder 1° en 2° bedoeld.’
3.64
Daaruit volgt het onteigeningsrecht diverse op de redelijkheid gestoelde uitzonderingen kent op het uitgangspunt dat de schadeloosstelling wordt vastgesteld aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die op de peildatum bestonden, waaronder de eliminatieregel, en dat de uitzonderingen, waaronder dus ook de eliminatieregel, ertoe strekken te waarborgen dat de werkelijke waarde van het onteigende aan de onteigende wordt vergoed. Hoewel het subonderdeel terecht ervan uitgaat dat de eliminatieregel mede haar grond vindt in de billijkheid, volgt daaruit nog niet dat het enkele feit dat sprake is van waardeverdamping een argument kan zijn voor toepassing van de eliminatieregel. Waar het om gaat is dat de werkelijke waarde van het onteigende wordt vergoed aan de onteigende.
3.65
Belangrijk is dat we ons realiseren dat het bij het bepalen van de schadeloosstelling voor onteigening, waarbij de eliminatieregel een rol kan spelen, alleen gaat om ten gevolge van de onteigeninggeleden schade. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 3.33 geoordeeld dat de waardevermindering van het perceel van [onteigende] het gevolg was van een nadelige bestemmingswijziging en niet van de onteigening. Het cassatiemiddel klaagt niet over dit oordeel. Reeds daarop stuiten de klachten van het subonderdeel af.
3.66
Het is invoelbaar dat een partij als [onteigende] teleurgesteld is over de waardeverdamping die door de wijziging van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden. Maar dat kan niets veranderen aan hoe het werkt. In een planmatige ruimtelijke ordening komen en gaan waardes van gronden met de benuttingsmogelijkheden van die gronden volgens de opvolgende versies van voorheen het bestemmingsplan en thans het omgevingsplan. Benut de eigenaar die mogelijkheden tijdig, dan staat het overgangsrecht in het algemeen ervoor borg dat een eerdere waarde niet meer zomaar kan verdampen. En in het geval van onteigening wordt in ieder geval de gebruikswaarde van de gronden vergoed. Benut een eigenaar de planologische mogelijkheden om welke reden dan ook niet, dan geldt het beperkte regime van planschadevergoeding. De mogelijkheid van waardeverdamping is daaraan inherent. Volgens de logica van het planschaderecht wordt het risico daarop door de eigenaar onder meer aanvaard als hij niet probeert om de planologische mogelijkheden daadwerkelijk te benutten hoewel een wijziging van de planologie voorzienbaar is.
3.67
Ook als het eliminatiebeginsel niet is ingegeven vanuit de billijkheid kan de beslissing van de rechtbank volgens het subonderdeel niet in stand blijven. De toepassing van het eliminatiebeginsel en in het bijzonder de vraag of sprake is van een concreet plan als bedoeld in dat criterium, vergt een afweging van feitelijke aard en hangt dus per definitie samen met de omstandigheden van het geval. Ook de omstandigheid dat het niet elimineren van het bestemmingsplan ertoe leidt dat sprake is van een aanzienlijke waardeverdamping, moet volgens de klacht bij die beoordeling worden betrokken. De rechtbank heeft dit miskend.
3.68
De klachten falen op grond van wat hiervoor 3.63-3.65 is gezegd.
3.69
Onderdeel 2richt zich tegen het oordeel in rechtsoverwegingen 3.35-3.47 van het bestreden vonnis dat [onteigende] geen aanspraak kan maken op vergoeding van planschade, omdat [onteigende] moet worden geacht de bestemmingswijziging passief te hebben aanvaard, zodat de door hem geleden planschade redelijkerwijs voor zijn rekening moet blijven. Na de inleiding in rechtsoverweging 3.35 heeft de rechtbank in rechtsoverwegingen 3.36-3.37 de opvatting van de deskundigen weergegeven en in rechtsoverwegingen 3.38-3.39 de standpunten van partijen. Hiertegen worden op zichzelf geen klachten gericht. Ik citeer daarom hierna alleen de rechtsoverwegingen 3.40-3.47. De rechtbank heeft overwogen:
‘ Vergoeding planschade
(…)
Overwegingen rechtbank
3.40.
De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van planschade in het kader van artikel 40e Ow de beperkende planschadecriteria, zoals de voorzienbaarheid, in beginsel net zo worden toegepast als binnen het planschaderecht. De deskundigen hebben in dit verband onder meer verwezen naar een overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. [30] In een recentere uitspraak van de Afdeling [31] wordt het beoordelingskader voor voorzienbaarheid als volgt weergegeven:
18. De voorzienbaarheid van een planologische verandering wordt beoordeeld aan de hand van het antwoord op de vraag of ten tijde van de investeringsbeslissing, bijvoorbeeld ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak, voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft. Indien de planschade voorzienbaar is, blijft deze voor rekening van de koper, omdat hij in dat geval wordt geacht de mogelijkheid van verwezenlijking van de negatieve ontwikkeling ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak te hebben aanvaard.
19. Om op grond van een concreet beleidsvoornemen voorzienbaarheid te kunnen aannemen, moet een redelijk denkend en handelend koper uit de openbaarmaking daarvan kunnen begrijpen op welk gebied dat beleidsvoornemen betrekking heeft, wat de zakelijke inhoud ervan is, en dat hij van de inhoud ervan kan kennisnemen. [32]
20. Met voorzienbaarheid wordt in beginsel gedoeld op objectieve voorzienbaarheid, dat wil zeggen: voorzienbaarheid op basis van een concreet beleidsvoornemen dat openbaar is gemaakt. Niet vereist is dat het bewustzijn van het risico ook daadwerkelijk bij de koper aanwezig was. Indien geen sprake is van een openbaar gemaakt concreet beleidsvoornemen, dan is in beginsel geen sprake van voorzienbaarheid. Dat neemt niet weg dat specifieke persoonlijke omstandigheden, waardoor de koper feitelijk op de hoogte was van de komende planologische ontwikkeling en dus sprake was van subjectieve voorzienbaarheid, in voorkomende gevallen een rol kunnen spelen. [33]
3.41.
De vraag die moet worden beantwoord is wanneer voor [onteigende] voorzienbaar was dat de planologische situatie zou gaan wijzigen. Volgens de deskundigen blijken de concrete beleidsvoornemens uit de bestuursovereenkomst. De rechtbank is dat met de deskundigen eens. Daarbij is rekening gehouden met het volgende.
3.42.
Zoals hiervoor is overwogen is de challengevariant in 2013 als alternatief plan gepresenteerd voor de verdere plannen met betrekking tot de bereikbaarheid. Hiervan is een verbeterde variant vastgesteld die vervolgens als richting is gekozen voor de verdere planuitwerking. In artikel 1 vanPro de bestuursovereenkomst, die op 24 april 2015 in de Staatscourant is gepubliceerd, is deze definitie van de Challengevariant opgenomen: “ de autowegontsluiting van Eindhoven Airport via A2/N2, A58 (aansluiting Best) en de maatregelen op onderliggend wegennet, zoals opgenomen in bijlage 3 (Verbeelding Challengevariant)”. Bijlage 3 is ook in de Staatscourant gepubliceerd. Op pagina 16 van hun rapport hebben de deskundigen daarvan een afbeelding opgenomen.
3.43.
Uit deze afbeelding blijkt dat een deel van de nieuwe weg is voorzien aan de westzijde van het Beatrixkanaal , en over het perceel van [onteigende]. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de hiervoor vermelde criteria. [onteigende] heeft uit de openbaarmaking kunnen begrijpen op welk gebied dat beleidsvoornemen betrekking heeft, wat de zakelijke inhoud ervan is, en hij kon kennisnemen van de inhoud ervan. Uit de uitspraken van de Afdeling volgt dat niet vereist is dat de schadeveroorzakende maatregel volledig en onherroepelijk vaststaat, dat deze maatregel in detail is uitgewerkt of dat de omvang van de nadelige gevolgen met nauwkeurigheid kan worden bepaald. [34] Vanaf het moment van publicatie van de bestuursovereenkomst heeft [onteigende] rekening kunnen houden met de kans dat de nieuwe weg over zijn perceel zou worden aangelegd en dat dit mogelijk gevolgen zou hebben voor de benuttingsmogelijkheden. Uit het beoordelingskader volgt ook dat niet vereist is dat [onteigende] zich daarvan daadwerkelijk bewust is geweest.
3.44.
In verband met het concrete beleidsvoornemen is [onteigende] nog teruggekomen op de eliminatieregel. Volgens hem is toepassing van die regel aan de orde als er in april 2015 met de bestuursovereenkomst werkelijk een concreet plan lag, immers een concreet beleidsvoornemen. Dit standpunt van [onteigende] is zowel door de deskundigen als door de gemeente betwist. De deskundigen wijzen er op dat de concrete aanduiding van een beleidsvoornemen in het kader van de voorzienbaarheid vanwege mogelijke planschade een hele andere concreetheid is dan een concreet plan bij toepassing van de eliminatieregel. Een groter contrast is volgens de deskundigen haast niet denkbaar. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding anders te beslissen dan hetgeen hiervoor al is besloten over de toepassing van de eliminatieregel. Voor toepassing van de eliminatie- en planschaderegel gelden hele andere maatstaven. Nergens uit blijkt dat een samenloop van beide maatstaven in het algemeen tot de door [onteigende] getrokken conclusie dient te leiden. De maatstaven zullen immers van geval tot geval dienen te worden toegepast aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden zoals deze zich in iedere afzonderlijke zaak voordoen. In deze zaak leidt dat er toe dat de bestuursovereenkomst enerzijds niet dient te worden aangemerkt als een concreet plan voor het werk, maar anderzijds wel als een concreet beleidsvoornemen waarbij rekening diende te worden gehouden met de kans op een wijziging van de planologische situatie in nadelige zin.
3.45.
Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of door [onteigende] onder het oude planologische regime concrete pogingen tot realisering van de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn ondernomen. [35] Het risico op verwezenlijking van planologisch nadeel wordt geacht passief te zijn aanvaard als er voorzienbaarheid is en indien geen concrete pogingen zijn gedaan tot realisering van de bouw- en gebruiksmogelijkheden die onder het nieuwe planologische regime zijn komen te vervallen, terwijl dit van een redelijk denkende en handelende eigenaar, vanaf de peildatum voor voorzienbaarheid, kon worden verlangd. [36] In geval van vervallen bouwmogelijkheden bestaat een concrete poging uit indiening van een bouwplan dat zodanig is uitgewerkt dat het zich laat beoordelen op passendheid binnen het bestemmingsplan en dat in beginsel past binnen de bestaande mogelijkheden van het bestemmingsplan. [37]
3.46.
Uitgaande van de startdatum 24 april 2015 en de einddatum 26 januari 2016 is er sprake geweest van een periode van negen maanden waarin [onteigende] de geldende bestemming kon realiseren. Gelet op de uitspraken van de Afdeling dient dit te worden aangemerkt als een voldoende benuttingsperiode. Op 15 januari 2016 heeft [onteigende] een omgevingsvergunning aangevraagd voor een bouwplan voor het bedrijfsgedeelte van zijn perceel. Na een uitspraak van de Afdeling [38] is deze vergunning uiteindelijk geweigerd omdat het bouwplan gedeeltelijk buiten het bouwvlak was voorzien. Er was sprake van een overschrijding van het bouwvlak van 2,48 meter. Uit de uitspraak blijkt ook dat [onteigende] op 22 september 2016 een gewijzigde bouwtekening heeft ingebracht waarin de bedrijfshal in noordwestelijke richting is opgeschoven, maar daarvan heeft de rechtbank volgens de Afdeling destijds terecht geconcludeerd dat geen sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard. Naar het oordeel van de rechtbank kan de vergunningsaanvraag van 2016 dan ook niet dienen als een concrete poging omdat deze in strijd was met het destijds geldende bestemmingsplan. Verder hebben de deskundigen er op gewezen dat de omvang van dat bouwplan ook op grond van het nieuwe bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Daarom is er met die aanvraag geen sprake geweest van de benutting van een bouwmogelijkheid die door het nieuwe bestemmingsplan verloren is gegaan. Dit is door [onteigende] niet weersproken. Daarom gaat ook de rechtbank ervan uit dat [onteigende] op basis van het nieuwe bestemmingsplan een bouwplan van de eerder beoogde omvang kan realiseren.
Conclusie: geen aanspraak op vergoeding van planschade
3.47.
Volgens de rechtbank moet [onteigende] dus geacht worden het risico van een nadelige bestemmingswijziging passief te hebben aanvaard. Dit betekent dat de door hem geleden planschade als gevolg van die wijziging redelijkerwijs voor zijn rekening behoort te blijven. Er is geen sprake is van (planologisch) nadeel in de zin van artikel 40e Ow zodat daarvoor ook geen vergoeding kan worden toegekend.’
3.7
Het onderdeel klaagt dat het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 3.41 dat de bestuursovereenkomst een concreet beleidsvoornemen vormt, onjuist is, althans onbegrijpelijk is in het licht van de essentiële stelling van [onteigende] dat in de bestuursovereenkomst zelfs niet indicatief is gesteld waar de parallelstructuur komt te liggen. [onteigende] heeft deze stelling uitgewerkt door te wijzen op de volgende omstandigheden:
in de gepubliceerde bestuursovereenkomst stond geen (enkel) concreet beleidsvoornemen;
alleen artikel 5 vanPro de bestuursovereenkomst bevat een passage die erop kan duiden dat over het perceel van [onteigende] een parallelstructuur wordt aangelegd langs het Beatrixkanaal;
waar de parallelstructuur zelfs maar indicatief komt te liggen, blijkt niet uit de bestuursovereenkomst;
of de parallellelstructuur links of rechts naast het Beatrixkanaal wordt gelegd, staat niet in de bestuursovereenkomst en onduidelijk is bovendien wat wordt bedoeld met de term parallelstructuur (weg, één- of tweebaans, fietspad, voetpad of combinatie);
tussen het Beatrixkanaal en het perceel van [onteigende] ligt een strook van circa 50 meter, zodat ook in zoverre onduidelijk was of de parallelstructuur over het perceel van [onteigende] zou komen te lopen.
In het licht van deze omstandigheden kon de rechtbank volgens de klacht niet volstaan met de overweging in rechtsoverweging 3.43 dat [onteigende] uit de openbaarmaking van de bestuursovereenkomst heeft kunnen begrijpen op welk gebied het beleidsvoornemen betrekking had, wat de zakelijke inhoud was en heeft kunnen kennisnemen van de inhoud ervan.
3.71
De klachten falen, omdat het onderdeel ten onrechte voorbijgaat aan de rechtsoverwegingen 3.42-3.43, waar de rechtbank motiveert waarom de bestuursovereenkomst een concreet beleidsvoornemen vormt. De rechtbank heeft niet volstaan met de in het onderdeel genoemde passage uit rechtsoverweging 3.43. Die passage maakte deel uit van een bredere motivering van het oordeel van de rechtbank.
3.72
Ten overvloede merk ik op dat het oordeel van de rechtbank geenszins onbegrijpelijk is. [39] In artikel 1 vanPro de bestuursovereenkomst wordt als definitie van het begrip ‘Challengevariant’ gegeven: ‘de autowegontsluiting van Eindhoven Airport via A2/N2, A58 (aansluiting Best) en de maatregelen op onderliggend wegennet, zoals opgenomen in de bijlage 3 (Verbeelding Challengevariant).’ Vervolgens bepaalt artikel 5 vanPro de bestuursovereenkomst:
‘ Artikel 5 (Challengevariant)
1. In 2014 is de in het Bereikbaarheidsakkoord van 2 juni 2009 verkozen extra autowegontsluiting van Eindhoven Airport e.o. op de A2/N2 gechallenged. Uitkomst daarvan is dat in het Bestuurlijk Overleg MIRT van 13 november 2014 het Rijk en de Regio inhoudelijk overeenstemming hebben bereikt over de in bijlage 3 opgenomen autowegontsluiting van Eindhoven Airport e.o. (Challengevariant) in plaats van de in 2 juni 2009 overeengekomen variant. In de Challengevariant wordt de bestaande [d-straat] opgewaardeerd, worden de aansluitende op- en afritten op de N2 aangepast, wordt een parallelstructuur langs het Beatrixkanaal aangebracht en wordt een verbinding gelegd tussen het Goederen Distributie Centrum (GDC), de toekomstige Brainport Industries Campus, Eindhoven Airport en de A58, en wordt de aansluiting Best in beperkte mate opgewaardeerd.
2. Partijen komen overeen dat de Challengevariant verder wordt uitgewerkt in een Voorlopig Ontwerp en in een Definitief Ontwerp. Maatregelen zijn nodig op het hoofdwegennet (wegbeheerder Rijkswaterstaat) en het onderliggende wegennet, in beheer bij de gemeenten Best, Eindhoven en Oirschot. De Gemeente richt een projectorganisatie in, waaraan voornoemde wegbeheerders deelnemen. Aan Partijen zal regelmatig de voortgang worden gerapporteerd. De ontwerpen zullen ter toetsing aan voornoemde wegbeheerders worden voorgelegd. Eindhoven Airport wordt betrokken vanuit haar belang voor een goede verkeersafwikkeling en -circulatie op Eindhoven Airport en de aangrenzende bedrijventerreinen.
3. Partijen streven naar de feitelijke realisatie van de Challengevariant vóór 2020.’
Bijlage 3 bij de bestuursovereenkomst, waarnaar in artikelen 1 en 5 wordt verwezen, toont de volgende weergave van de Challengevariant (met een rode pijl heb ik globaal weergegeven waar het perceel van [onteigende] ligt).
3.73
In het licht van deze gegevens uit de bestuursovereenkomst is de stelling van [onteigende] dat in de bestuursovereenkomst zelfs niet indicatief is gesteld waar de parallelstructuur zou komen te liggen en dat onduidelijk is wat de parallelstructuur zou inhouden, evident onhoudbaar. In de eerste plaats volgt uit artikelen 1 en 5 onmiskenbaar dat de Challengevariant ziet op de autowegontsluiting van Eindhoven Airport en maatregelen op onderliggend wegennet. Daarmee is ook duidelijk dat de parallelstructuur (in ieder geval ook) zal zien op een autoweg. Ik zie niet in waarom in dit verband verder nog van belang is of sprake zal zijn van een eenbaansweg of tweebaansweg en of er ook nog voetpad of fietspad zal worden aangelegd. In de tweede plaats volgt uit de hierboven weergeven afbeelding uit de bijlage waar de parallelstructuur indicatief zou komen te liggen. Al met al is voldoende duidelijk dat in de bestuursovereenkomst een gedeelte van de nieuwe weg is voorzien aan de westzijde van het Beatrixkanaal, en over het perceel van [onteigende], zoals de rechtbank in rechtsoverwegingen 3.42-3.43 terecht vaststelt.
3.74
Ook de voortbouwklacht van het onderdeel, die ervan uitgaat dat de hierboven behandelde klacht van het onderdeel zou slagen, faalt.
3.75
Onderdeel 3richt zich tegen het oordeel in rechtsoverwegingen 3.48-3.53 van het bestreden vonnis dat de bijzondere context van het onteigeningsrecht niet meebrengt dat in dit geval een andere maatstaf moet gelden voor planschadevergoeding. De rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 3.48-3.49 de opvatting van de deskundigen weergegeven en in rechtsoverwegingen 3.50-3.51 de standpunten van partijen. Hiertegen worden op zichzelf geen klachten gericht. Ik citeer daarom alleen rechtsoverwegingen 3.52-3-53. De rechtbank overwoog:
‘ Uitzondering op planschaderegels?
(…)
Overwegingen rechtbank
3.52.
De bijzondere context van het onteigeningsrecht kan er mogelijk toe leiden dat voor planschadevergoeding toch in enig opzicht een andere maatstaf geldt. Zoals ook door AG Valk is vermeld in zijn conclusie moet daarvoor dan een overtuigende reden bestaan. [40] Naar het oordeel van de rechtbank is die er niet in deze zaak. Na het gesprek met de gemeente, en dus echt aan het einde van de benuttingsperiode, heeft [onteigende] immers nog wel geprobeerd om de gunstige bestemming te realiseren. Deze aanvraag heeft echter tot niets geleid omdat er sprake is geweest van een fout in de tekening veroorzaakt door een fout van zijn architect. Ook de gewijzigde bouwtekening voldeed niet. Deze feiten en omstandigheden hebben zich voorgedaan aan de zijde van [onteigende] en de gevolgen daarvan dienen naar het oordeel van de rechtbank voor zijn rekening en risico te blijven. Als onder meer op grond hiervan zou worden geoordeeld dat aan [onteigende] geen passieve risicoaanvaarding moet worden tegengeworpen komen de gevolgen uiteindelijk voor rekening van de gemeente. Dat komt de rechtbank niet redelijk voor.
Conclusie: geen uitzondering
3.53.
De rechtbank is van oordeel dat er geen uitzondering moet worden gemaakt op de conclusie met betrekking tot de planschadevergoeding.’
3.76
Het onderdeel klaagt dat het oordeel onjuist of onbegrijpelijk is.
3.77
Volgens het onderdeel heeft de rechtbank in rechtsoverweging 3.52 ten onrechte aangenomen dat alleen bij een ‘overtuigende reden’ denkbaar is dat voor planschadevergoeding in enig opzicht een andere maatstaf geldt in onteigeningsprocedures. Uit rechtspraak van uw Raad volgt dat onder omstandigheden de bijzondere context van het onteigeningsrecht kan nopen tot een uitzondering op de uitgangspunten van planschadevergoeding. De rechtbank is volgens het onderdeel uitgegaan van een te stringente maatstaf door aan te nemen dat er een overtuigendereden moet zijn om uit te kunnen gaan van een in enig opzicht andere maatstaf dan de maatstaf die volgt uit het reguliere planschaderecht.
3.78
In het arrest van 26 januari 2024 heeft uw Raad stilgestaan bij de vergoeding van planschade in het kader van een onteigening. Op grond van art. 40e Onteigeningswet kan planschade in het onteigeningsgeding voor vergoeding in aanmerking komen. Uw Raad overwoog in dit verband: [41]
‘4.2 Het uitgangspunt van de Onteigeningswet is dat een onteigende een volledige vergoeding krijgt voor alle schade die hij als eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk lijdt door het verlies van zijn zaak (art. 40 (oud) Ow). De door de onteigende te ontvangen vergoeding omvat de werkelijke waarde van het onteigende en in voorkomend geval ook vergoeding van bijkomende schade. Bij het bepalen van de werkelijke waarde van het onteigende wordt uitgegaan van de prijs, tot stand gekomen bij een onderstelde koop in het vrije commerciële verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en de onteigenaar als redelijk handelende koper (art. 40b lid 2 (oud) Ow). Het voorgaande geldt onverkort onder afdeling 15.3 van de Omgevingswet.
4.3
De prijs die in overeenstemming met de hiervoor in 4.2 genoemde uitgangspunten wordt vastgesteld, wordt verminderd of vermeerderd met voordelen of nadelen ten gevolge van bestemmingen die door het werk waarvoor onteigend wordt tot uitvoering komen en bestemmingen voor de feitelijke handhaving waarvan onteigend wordt, voor zover deze voordelen of nadelen ook na toepassing van art. 40d (oud) Ow redelijkerwijze niet of niet geheel ten bate of ten laste van de onteigende behoren te blijven (art. 40e (oud) Ow). Op grond van art. 40e (oud) Ow kan planschade in het onteigeningsgeding voor vergoeding in aanmerking komen.
Aan deze aanvullende aanspraak op grond van art. 40e (oud) Ow wordt niet toegekomen als eliminatie van een bestemming plaatsvindt op grond van de eliminatieregel van art. 40c (oud) Ow.
4.4
Buiten het onteigeningsgeding kon planschade op grond van art. 6.1 e.v. Wro (oud) voor vergoeding in aanmerking komen. Art. 6.1 lid 1 Wro (oud) bepaalt dat burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een bepaling van een bestemmingsplan, op aanvraag een tegemoetkoming toekennen, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.
Voor de vergoeding van planschade op de voet van deze bepaling gelden bepaalde (beperkende) criteria. Zo bepaalt art. 6.2 lid 1 Wro (oud) dat binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager blijft en bepaalt art. 6.3 Wro (oud) dat burgemeester en wethouders bij hun beslissing op de aanvraag met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade in ieder geval betrekken (a) de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak en (b) de mogelijkheden van de aanvrager om de schade te voorkomen of te beperken.
Als op grond van art. 6.1 Wro (oud) een vergoeding is toegekend, wordt deze vergoeding in het onteigeningsgeding op de prijsvermeerdering zoals bedoeld in art. 40e (oud) Ow in mindering gebracht (art. 40f (oud) Ow).
4.5
De tekst van art. 40e (oud) Ow is ontleend aan de tekst van (de voorloper van) art. 6.1 Wro (oud). Als uitgangspunt geldt daarom dat de (beperkende) criteria die gelden bij de vergoeding van planschade buiten het onteigeningsgeding op de voet van art. 6.1 Wro (oud), ook gelden bij de vergoeding van planschade in het onteigeningsgeding op de voet van art. 40e (oud) Ow. Onder omstandigheden kan de bijzondere context van het onteigeningsrecht nopen tot een uitzondering op dit uitgangspunt.’
3.79
De kern van het oordeel van uw Raad valt te lezen onder 4.5: als uitgangspunt geldt dat de (beperkende) criteria die gelden bij vergoeding van planschade buiten het onteigeningsrecht ook gelden bij vergoeding van planschade in het onteigeningsgeding op de voet van art. 40e Onteigeningswet, maar onder omstandigheden kan de bijzondere context van het onteigeningsrecht nopen tot een uitzondering op dit uitgangspunt.
3.8
De rechtbank heeft in rechtsoverweging 3.52 vooropgesteld dat de bijzondere context van het onteigeningsrecht ertoe kan leiden dat voor planschadevergoeding in enig opzicht een andere maatstaf geldt dan buiten het onteigeningsrecht. Vervolgens overweegt zij dat daarvoor dan wel een overtuigende reden moet bestaan. Ik lees deze overweging aldus dat de rechtbank hiermee slechts tot uitdrukking heeft willen brengen dat sprake moet zijn van omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen op het uitgangspunt dat de criteria die gelden buiten het onteigeningsrecht ook gelden binnen het onteigeningsrecht, althans ik zie geen aanwijzing dat de rechtbank heeft bedoeld in afwijking van de rechtspraak van uw Raad een stringentere maatstaf aan te leggen. Aldus onderstreept de rechtbank dat de enkele bijzondere context van het onteigeningsrecht op zichzelf niet voldoende is, maar dat er méér nodig is. Dit is geheel in overeenstemming met de rechtspraak van uw Raad en lijkt mij nog steeds juist. Wie ook zonder overtuigende reden wil afwijken van een regel, geeft die regel eenvoudig prijs, met alle verlies aan houvast die daaraan onlosmakelijk kleeft. De klacht faalt.
3.81
Als de rechtbank is uitgegaan van de juiste maatstaf bij de beantwoording van de vraag of er een uitzondering moet worden gemaakt op de hoofdregel bij de toepassing van art. 40e Onteigeningswet, heeft zij haar beslissing dat dit niet het geval is volgens het onderdeel onvoldoende gemotiveerd in het licht van de opvatting van de deskundigen dat de situatie van [onteigende] dusdanig bijzonder is dat een uitzondering moet worden gemaakt. De deskundigen hebben gewezen op het feit dat [onteigende] (om te voorkomen dat een aanspraak op planschade zou sneuvelen op passieve risicoaanvaarding) ondanks het beleidsdocument waarin de weg was opgenomen net had moeten doen alsof er niets aan de hand was en een bouwplan moeten indienen. Dat wringt volgens de deskundigen.
3.82
De deskundigen hebben in het deskundigenrapport overwogen dat ‘pleitbaar’ is dat in deze zaak sprake is van omstandigheden die een uitzondering op het uitgangspunt van vergoeding van planschade rechtvaardigen: [42]
‘Naar het oordeel van deskundigen is een dergelijke uitzondering in dit geval pleitbaar. Vast staat immers dat in dit geval de gemeente reeds tijdens de zgn. benuttingsperiode met [onteigende] gesprekken was gestart over de door de gemeente gewenste verwerving van (een deel van) zijn bedrijfsterrein voor de beoogde aanleg van de nieuwe verbindingsweg daarop. In die context kan het onredelijk zijn om aan [onteigende] tegen te werpen dat hij die periode niet heeft benut om een bouwaanvraag te doen die de door dezelfde gemeente aanleg van die verbindingsweg juist zou belemmeren/frustreren.’
Tijdens het pleidooi hebben de deskundigen daaraan nog toegevoegd: [43]
‘Dan is de laatste vraag: Is deze uitkomst redelijk in deze situatie? Daarvoor biedt de Hoge Raad wat ruimte. In het rapport staat ook dat als je een bijzondere omstandigheid zou willen aannemen, dan zou de situatie van [onteigende] daar wel degelijk voor in aanmerking komen. Het blijft vrij bizar dat de gemeente een beleidsdocument maakt met het voornemen van een weg, en de gemeente legt die weg ook daadwerkelijk aan, dat je dan zegt: “U had net moeten doen alsof er niets aan de hand is en een bouwplan moeten indienen.” Dat wringt volgens de deskundigen. Het is de taak van de rechter daarop te beslissen.’
3.83
Ik stel voorop dat de klacht uitgaat van een onjuiste lezing van de opvatting van de deskundigen, waar zij ervan uitgaat dat volgens de deskundigen de situatie van [onteigende] dusdanig bijzonder is dat er een uitzondering moet worden gemaakt. Uitgangspunt van de deskundigen is immers het scenario waarin geen sprake is van eliminatie en vergoeding van planschade, zij het dat zij ‘pleitbaar’ achten dat wat betreft de vergoeding van planschade een uitzondering moet worden gemaakt op regels die buiten het onteigeningsrecht daarvoor gelden en daarom ook een alternatief scenario hebben opgenomen. De deskundigen laten het uitdrukkelijk aan de rechter om de knoop hierover door te hakken. Ik voeg daaraan toe dat op zichzelf de opvatting van de deskundigen niet maakt dat aan de motivering van de onteigeningsrechter hogere eisen moeten worden gesteld dan anders.
3.84
De rechtbank overweegt in rechtsoverweging 3.52 dat [onteigende] aan het einde van de benuttingsperiode nog heeft geprobeerd om de gunstige bestemming te realiseren, maar dat dit tot niets heeft geleid doordat sprake was van een fout in de tekening (veroorzaakt door een fout van zijn architect), en ook een gewijzigde tekening niet voldeed. Deze feiten en omstandigheden hebben zich voorgedaan aan de zijde van [onteigende] en de gevolgen daarvan moeten voor zijn rekening en risico blijven. Daarin ligt besloten dat de rechtbank niet meegaat in de opvatting van de deskundigen dat van [onteigende] moeilijk kan worden verlangd dat hij ondanks het beleidsdocument met het voornemen om een weg aan te leggen zou doen alsof er niets aan de hand was en een bouwplan zou indienen die de aanleg van die weg zou belemmeren, en wel omdat nu eenmaal vaststaat dat [onteigende] daadwerkelijk een aanvraag heeft gedaan, zij het dat die aanvraag fouten bevatte, waarvoor de rechtbank de verantwoordelijkheid bij [onteigende] laat. Deze beoordeling is mijns inziens voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Mijns inziens is het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk.
3.85
Het onderdeel voert tot slot aan dat de rechtbank heeft overwogen dat het binnen de risicosfeer van [onteigende] ligt dat de door hem ingediende vergunningaanvraag tot niets heeft geleid, maar dat die beslissing onbegrijpelijk is omdat het niet duidelijk is of de rechtbank er rekening mee heeft gehouden dat [onteigende] pas na het gesprek met de gemeente de betreffende aanvraag heeft ingediend en dus onder tijdsdruk. Bovendien gaat de rechtbank niet in op de vraag of überhaupt realistisch was om van [onteigende] te verwachten dat hij in het zicht van de wegaanleg een vergunningsaanvraag zou hebben ingediend. De rechtbank adresseert dit punt niet expliciet en (ook) daarom is haar oordeel volgens het onderdeel onbegrijpelijk.
3.86
Het onderdeel verwijst in voetnoot 21 van de procesinleiding naar pagina 17-20 van de reactie zijdens [onteigende] op het conceptrapport van de deskundigen. In deze pagina’s valt echter niets te lezen over de omstandigheid dat [onteigende] pas na het gesprek met de gemeente een vergunningaanvraag heeft ingediend en dat er dus sprake was van tijdsdruk. Daarop stuit de desbetreffende klacht af. Voor het overige geldt dat in het oordeel van de rechtbank besloten ligt dat een vergunningaanvraag van [onteigende] wél kon worden verlangd en ook dat een vergunningaanvraag zonder wezenlijke fouten redelijkerwijs voor hem mogelijk was. Dat is een aan rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden waardering van de feiten.
4.Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
1.De Onteigeningswet is per 1 januari 2024 vervallen; per die datum is de Omgevingswet in werking getreden. Op deze zaak is nog de Onteigeningswet van toepassing omdat het verzoek tot het nemen van een onteigeningsbesluit vóór 1 januari 2024 is gedaan. Zie art. 4.4 Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet in verbinding met art. 72a lid 1 Onteigeningswet. In deze conclusie zal ik naar deze inmiddels vervallen wet steeds verwijzen als ‘Onteigeningswet’ (voluit geschreven).
6.HR 1 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2021:1421. In dat arrest oordeelde uw Raad dat de rechtbank in strijd met art. 54i lid 4 Ow had verzuimd een bedrag te bepalen als zekerheid voor de voldoening van de schadeloosstellening en heeft uw Raad zelf de zaak afgedaan door alsnog een som als zekerheid te bepalen; voor het overige faalden de klachten tegen het onteigeningsvonnis.
16.In de bestuursovereenkomst zijn partijen in dat verband uitdrukkelijk overeengekomen dat de Challengevariant verder wordt uitgewerkt in een Voorlopig Ontwerp en een Definitief Ontwerp.
17.Pleitnotities zijdens [onteigende], onder 19.
18.Zie Bijlage 4 bij reactie [onteigende] op concept deskundigenrapport.
19.Zie vonnis rechtbank onder 3.21. Te raadplegen via:
20.Zie figuur 4.3 van het ontwerp bestemmingsplan respectievelijk van het vastgestelde bestemmingsplan.
21.Zie vonnis rechtbank onder 3.21. Te raadplegen via:
22.Zie vonnis rechtbank onder 3.21. Te raadplegen via:
26.Zie punt 5.8.1 van de toelichting en bijlage III: ‘Bij de inpassing van de infrastructuur wordt in beginsel de structuur van het landschap gevolgd en worden grote landschappelijke elementen waar mogelijk versterkt. In vier gebieden wordt binnen de Challengevariant een (ecologische) kwaliteitsimpuls gegeven aan het landschap. Het betreft het versterken van: (…) de ecologische verbindingszone en inrichting van het Beatrixkanaal tussen A58 afslag Best en [d-straat].’