Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
5.Beslissing
26 januari 2024.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak staat centraal of bij de waardering van planschade in het kader van een onteigeningsprocedure op grond van art. 40e (oud) Onteigeningswet rekening moet worden gehouden met de beperkende criteria die gelden binnen het planschaderecht op grond van art. 6.1 Wro (oud). De Hoge Raad bevestigt dat deze criteria, waaronder het normale maatschappelijke risico en de voorzienbaarheid, in beginsel ook van toepassing zijn bij de vergoeding van planschade in het onteigeningsgeding.
De zaak betreft onroerende zaken nabij een adres te een plaats, onteigend voor de realisering van het bestemmingsplan “Harnaschpolder Zuid 2014”. De rechtbank had de schadeloosstelling vastgesteld op € 940.740,--, inclusief een bedrag voor planschade. De deskundigen hadden een normaal maatschappelijk risico van 2% toegepast en een bedrag van € 28.000,-- als anderszins verzekerd aangemerkt.
De Hoge Raad oordeelt dat het bedrag van € 28.000,-- geen vergoeding van planschade betreft, maar een waardestijging van het onteigende na de waardepeildatum van de planschade. Dit bedrag mag niet in mindering worden gebracht op de vergoeding van planschade volgens art. 40e (oud) Ow. Daarom vernietigt de Hoge Raad het vonnis voor zover de schadeloosstelling werd vastgesteld en verhoogt de schadeloosstelling met € 28.000,-- tot € 968.740,--. Het Bedrijvenschap wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan de onteigende.
De Hoge Raad wijst verder klachten af die stelden dat de beperkende criteria niet zouden gelden of anders toegepast moeten worden, en bevestigt dat de rechtbank het beoordelingskader correct heeft toegepast. De uitspraak verduidelijkt de samenhang tussen onteigeningsrecht en planschaderecht en bevestigt de toepassing van de criteria van art. 6.1 Wro (oud) bij planschadevergoeding in onteigeningsprocedures.
Uitkomst: De schadeloosstelling wordt verhoogd met € 28.000,-- tot € 968.740,-- en het Bedrijvenschap moet dit bedrag aan de onteigde betalen.