ECLI:NL:PHR:2026:190

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
25/01767
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 13 EVRMArt. 3 EVRMArt. 14 IVBPRArt. 18 Uitleveringswet
Verwijzingen
41 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping beroep tegen uitlevering aan Turkije wegens onvoldoende bewijs flagrante schending art. 6 EVRM

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant die de uitlevering van een persoon aan Turkije toelaatbaar heeft verklaard. De opgeëiste persoon wordt verdacht van handel in harddrugs en deelname aan een criminele organisatie. De verdediging voerde aan dat uitlevering ontoelaatbaar is vanwege een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM Pro), mede omdat de persoon familie is van PKK-leden en Turkije geen effectief rechtsmiddel biedt.

De rechtbank oordeelde dat hoewel er zorgen zijn over de onafhankelijkheid van de Turkse rechtspraak, onvoldoende is onderbouwd dat familieleden van PKK-aanhangers in de regel geen eerlijk proces krijgen. Het aangevoerde bewijs en rapporten waren te vaag om een flagrante schending aan te nemen. Ook het verweer dat de stukken ongenoegzaam zijn vanwege een later gedateerd aanhoudingsbevel werd verworpen, omdat de wet geen eis stelt dat het bevel eerder moet zijn dan het verzoek.

De Hoge Raad bevestigt dat het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk is en dat het cassatieberoep faalt. De Hoge Raad benadrukt het juridische kader rond uitlevering, het vertrouwensbeginsel en de uitzonderingen waarbij een flagrante schending kan worden aangenomen. De conclusie van de procureur-generaal is dat het beroep moet worden verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan Turkije wordt toegestaan.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01767 U
Zitting3 maart 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de opgeëiste persoon

1.Inleiding

1.1
De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda heeft bij uitspraak van 30 april 2025 (kenmerk UTL-I-2025000220) de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Republiek Turkije toelaatbaar verklaard “ter fine van strafvervolging ter zake van de in het uitleveringsverzoek vermelde feiten” (zie daarvoor nader hieronder in randnummer 2.1).
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de opgeëiste persoon. T.M.D. Buruma, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het uitleveringsverzoek

2.1
Bij schrijven van 14 januari 2025 is door de Turkse autoriteiten de uitlevering van de opgeëiste persoon verzocht in verband met een verdenking van de handel in harddrugs en/of deelname aan een criminele organisatie op 10 oktober 2013. Het (Engelstalige) uitleveringsverzoek houdt daarover het volgende in:

Number: […]
(…)
Charged Offense: selling, offering for sale, providing others, administering the movement, transporting, storing, purchasing, receiving or possessing heroin which is one of the narcotics or psychotropic substances
Commission Date: 10.10.2013
Commission Place: [district] / [plaats]
Applicable Code Articles: Articles 188/3-4, 53, 54 and 63 of Turkish Criminal Code
(…)
THE FACTS ON THE COMMISSION OF THE OFFENSE:
It is understood that the accused [opgeëiste persoon] , who was in Belgium, was contacted by the other accused persons for the transport of the drugs from [plaats] to the Netherlands. The accused [opgeëiste persoon] assigned his man [betrokkene 1] , who was in [plaats] , for this transport, and with the guidance of the accused [opgeëiste persoon] , the other accused persons met to deliver the heroin and placed the drugs in the warehouse in [district] district. [betrokkene 1] , who is [opgeëiste persoon] ’s man, tried to complete the preparations for the shipment after the other accused persons and the buyers abroad warned and pressured the accused [opgeëiste persoon] to carry out the shipment as soon as possible, in the meantime, the other accused persons realized that they were under police surveillance and changed the warehouse, a problem arose regarding the storage of the narcotic substances and [betrokkene 1] , [opgeëiste persoon] ’s man, conveyed the situation to [opgeëiste persoon] . The accused persons dealt to make the delivery on 10.10.2013 at evening hours and they put the substances in the vehicle having plate no: 34 VE 5199. Then they came to the vehicle having plate no: [kenteken] at the gas station on [a-straat] and after placing the bag full of heroin on the back seat of this vehicle, they drove away. While the accused persons were placing the drugs in the vehicle having plate no: [kenteken] for transportation, an operation decision was ordered and the persons were captured. The accused [opgeëiste persoon] , ‘known as [alias opgeëiste persoon] ’ was in the position of transportation organizer in this organization operating for the purpose of international drug trafficking.
Upon [betrokkene 2] , who was the owner of the heroin seized in the operation, asked for [plaats] -Dutch transport, he conveyed this situation to [betrokkene 1] in [plaats] and assigned a person named [betrokkene 1] to transport the heroin to the Netherlands. [betrokkene 1] contacted [betrokkene 2] ’s man [betrokkene 3] and had him take delivery of the heroin in our province, upon the delay in the transport. [betrokkene 3] held talks with the accused [opgeëiste persoon] abroad and conveyed [betrokkene 2] 's instructions and warnings to this person to make the transport as soon as possible. The accused [opgeëiste persoon] conveyed these difficulties and the hard situation he was in to the accused [betrokkene 1] and instructed him to expedite the transport process, and the accused [betrokkene 1] stated that he was under police surveillance and went to Iraq and asked for time from the accused [opgeëiste persoon] . After the person named [betrokkene 1] returned to our country, the accused [opgeëiste persoon] continuously received information from the person named [betrokkene 1] about the problems with the warehousemen in our province and the day and manner of the transport, and instructed the person named [betrokkene 1] to make a call for the gathering of the structure they called the “Cemaat” (Congregation) and to take the heroin from the warehousemen as soon as possible and to transport it. The amount of the seized drugs was determined to be net 16.851.00 grams of heroin substance.
In line with the data created within the scope of the price value calculation studies of narcotic substances, based on the fact that the wholesale price of the heroin substance in the market is between minimum 27.000 TL - maximum 29.000 TL per kilo, it has been determined from the entire file scope that the heroin substance gross weight of which is 17 kilos 600 grams has a value worth an average of 492.800 TL.
EVIDENCE AGAINST THE ACCUSED:
The minutes regarding the surveillance of communication which has been recorded following the communication detection order issued by [plaats] High Criminal Court which is authorized by the article 10 of the Anti-Terror Law, within the scope of the investigation initiated by the [plaats] Chief Public Prosecutor's Office, which is also authorized by the article 10 of the Anti-Terror Law, against the accused persons for the offense of organized drug trafficking, through Investigation No. […] ”
2.2
Bij het uitleveringsverzoek is onder meer een aanhoudingsbevel van 20 januari 2025 gevoegd. Dit bevel houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

ARREST WARRANT
(…)
File No: […] docket
Investigation Number of Chief Public Prosecutor’s Office:[…]
(…)
Action charged against the Accused: Selling, offering for sale, providing others, administering the movement, transporting, storing, purchasing, receiving or possessing heroin which is one of the narcotics or psychotropic substances
Date of Commission: 2013
Place of Commission: …….
Articles regarding the action set forth in the law: Articles 188/3-4, 53, 54 and 63 of Turkish Criminal Code”

3.Het eerste middel

3.1
Het eerste middel behelst de klacht dat de rechtbank op onjuiste, althans onbegrijpelijke gronden heeft verworpen het verweer dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard omdat sprake is van een dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM Pro, waartegen de opgeëiste persoon na uitlevering geen rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM Pro ten dienste staat.
Het verweer van de verdediging
3.2
Tijdens de zitting van 2 april 2025 heeft de raadsvrouw van de opgeëiste persoon het woord gevoerd overeenkomstig haar aan de rechtbank overgelegde en aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitaantekeningen, dat onder meer inhoudt (met weglating van de voetnoten):
“1. Vandaag ziet op de toelaatbaarheid van de uitlevering van [opgeëiste persoon] . Ik heb u bij voorbaat een uitgebreide brief toegestuurd met onderbouwing van de redenen waarom [opgeëiste persoon] niet uitgeleverd moet worden: ik verzoek u die brief van 18 maart 2025 hier als herhaald en ingelast te beschouwen.
(…)
Dreigende (flagrante) schending van artikel 6 j° 13 EVRM
5. In zijn conclusie van 24 januari 2025 (ECLI:PHR:2025:93) heeft de advocaat-generaal Snijders terecht opgemerkt dat onder Nederlands recht het vereiste van een
flagranteschending vermoedelijk niet nodig is (par. 3.23). Het vereiste dat tegen die schending geen rechtsmiddel openstaat is bovendien niet uit de EHRM-jurisprudentie af te leiden.
6. In deze zaak is sprake van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro, waartegen geen effectief rechtsmiddel openstaat, althans van een dreigende schending van artikel 6 EVRM Pro. Er zijn objectief gerechtvaardigde twijfels over de onafhankelijkheid van de rechtspraak in Turkije in strafzaken tegen personen die met de PKK in verband worden gebracht, waartegen geen effectief rechtsmiddel openstaat nu diezelfde risico’s zich ook voordoen bij berechting door de hogere Turkse rechter. Ik verwijs naar HR 6 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:864 (Rwanda) waarin deze grondslag voldoende werd geacht de uitlevering te weigeren. Daar vul ik nog bij aan dat
in casuhet lidmaatschap van het EHRM geen verschil (meer) maakt, nu uit de overlegde informatie blijkt dat Turkije zich niet langer houdt aan EHRM-uitspraken.
7. Dat er in Turkije een zeer groot probleem is met de mensenrechtelijke situatie in het algemeen en de bejegening van Koerden en de onafhankelijkheid van de rechtspraak in het bijzonder heb ik in mijn brief uitvoerig onderbouwd. De gebeurtenissen in [plaats] die we sindsdien in het nieuws hebben zien langskomen bevestigen dat beeld des te meer. Eén van de feiten waar de burgemeester van [plaats] van verdacht wordt is dat hij de PKK zou hebben geholpen, doordat zijn politieke partij een lijstverbinding was aangegaan met een Koerdische democratische partij (de DEM). Daarbij is het overigens tekenend dat hij formeel nog niet voor deze terrorismefeiten is aangehouden, maar voor de ‘neutralere’ verdenking van corruptie (
bijlage 18, aangehecht). Dit illustreert hoe de formele grondslag van de arrestatie lang niet altijd de daadwerkelijke verdenkingen dekt.
8. Het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken, de Europese Commissie, de U.S. State Department en de VN, allemaal benoemen ze een structureel patroon van politieke invloed op de rechterlijke macht, waarbij de Europese Commissie stelt: “
the judiciary not only lacks structural independence, but [...] the decision-making of authorities and bodies that administer the justice system, as well as individual actions and decisions of prosecutors and judges, are manifestly partisan and often taken in pursuance of het objectives of the government.” Er is dus niet alleen sprake van directe politieke beïnvloeding: ook zonder concrete aanwijzingen van buitenaf handelen officieren van justitie en rechters partijdig en ter onderbouwing van de kennelijke wensen van de staat.
9. Dit algemene, structurele probleem geldt in het bijzonder in strafzaken tegen personen die op enige wijze met de PKK in verband worden gebracht. Ik wees in de brief op de grote moeilijkheden advocaten te vinden die bereid zijn personen die met de PKK in verband worden gebracht bij te staan en op de ernstige twijfels inzake de rechtmatigheid van bewijs verkregen onder de Anti-Terror Law. Deze risico’s gelden dus voor de zeer brede kring personen die op de één of andere manier met de PKK in verband wordt gebracht, in het bijzonder familieleden, zo bleek uit het vorige maand verschenen Algemeen Ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
10. Ik kan niet genoeg benadrukken hoe groot de groep personen wel niet is die met de PKK wordt geassocieerd en als gevolg daarvan wordt benadeeld: volgens het ambtsbericht zijn er tussen de 20.000 en 25.000 politieke gevangenen in Turkije, waarvan 80% Koerd is.
11. In de brief is reeds uitvoerig uiteengezet dat familieleden van cliënt actief waren bij de HPG (de gewapende afdeling van de PKK), en dat andere familieleden al veelvuldig zijn geconfronteerd met transnationale repressie. Ik toon u nu bovendien enkele foto's van een reis die cliënt met zijn ouders heeft gemaakt in 2019 naar Noord-lrak. Ik verzoek u deze foto’s goed te bestuderen en te vergelijken met de eerste bijlage van mijn brief, in het bijzonder de aldaar opgenomen foto’s en logo’s. U zult begrijpen dat het voor cliënt cruciaal is dat deze foto’s niet met de Turkse autoriteiten worden gedeeld, reden waarom ik de foto's hier ter zitting (achter gesloten deuren) aan u toon.
12. Er is dan ook alle aanleiding aan te nemen dat cliënt specifiek het risico loopt van partijdige rechtspraak.
13. Dat de formele verdenking een drugsdelict betreft is daarbij niet relevant, zo blijkt ook uit de uitspraak van 6 juni 2023. Er zijn echter redenen om aan te nemen dat deze verdenking überhaupt niet de ware reden is dat men cliënt wenst te vervolgen. In het uitleveringsverzoek wordt immers opgemerkt dat het bewijs is opgenomen “following the communication detection order issued by Istanbul High Criminal Court which is authorized by the article 10 of the Anti-Terror Law”. Dit artikel 10 Anti Pro-Terror Law regelde (tot 2014) inderdaad de jurisdictie in zaken die onder haar bereik vielen, waaronder “the offense of organized drug trafficking” (artikel 188),
mitsdit gedaan is “in het kader van de activiteiten van een terroristische organisatie” (artikel 4 Anti Pro Terror Law). In het verleden is meermaals gesteld dat de PKK gelden zou verkrijgen uit drugshandel: het heeft er dan ook alle schijn van dat het onderzoek tegen cliënt wel degelijk direct op betrokkenheid bij de PKK ziet. Overigens zijn de gebruikte termen
Cemaaten Irak (waar de PKK gevestigd is) daar ook indicaties voor.
14. Belangrijk is bovendien dat het
business addressdat in het
arrest warrantgenoemd wordt het bedrijf van de broer van cliënt betreft wiens uitlevering geweigerd is! Dit duidt eveneens op een relatie tussen beide zaken althans onderbouwt de stelling dat cliënt dezelfde risico’s loopt. [1]
3.3
Blijkens voormeld proces-verbaal van de zitting heeft de raadsvrouw in aanvulling op bovenstaande het volgende naar voren gebracht:
“De Turkse staat intimideert de familie en de gemeenschap. Ik toon verschillende foto's om te laten zien dat cliënt nog steeds banden heeft met de PKK. Als betrokkene in Turkije komt, is het risico voor hem heel groot. Het is niet eenvoudig om aan de hand van de stukken vast te stellen dat het gaat om drugshandel en niet om politieke standpunten. Er wordt ook gesproken over Irak. De stukken illustreren dat als betrokkene wordt uitgeleverd, dat hij in een problematische rechtspraak en in een terrorisme regime belandt. Er is daarom sprake van een flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro. Het systeem van de wetgever staat op gespannen voet met het uitgangspunt dat als er een weigeringsgrond is, dat dan geconcludeerd moet worden dat geen uitlevering kan plaatsvinden. Ik zie bij de Memorie van Toelichting geen enkele reden waarom de rechter niet kan oordelen of sprake is van discriminatoire vervolging. Hier is geen jurisprudentie over. Het gaat dus om rechtsontwikkeling.
(…)
(…) Over artikel 6 EVRM Pro geeft de officier van justitie een maatstaf die niet uit de jurisprudentie is af te leiden. Ik verwijs naar de uitspraak Rwanda. Daarin is vastgesteld wat nodig is om een verweer artikel 6 EVRM Pro te honoreren. Eerst was er het vertrouwensbeginsel, maar er kwam steeds meer informatie dat de conclusie was dat we niet op basis van het vertrouwensbeginsel kunnen aannemen dat geen sprake is van schending. In Turkije is dezelfde situatie gaande. Dit land is aan het afglijden. Op enig moment kan de conclusie zijn dat het niet voldoende is. Al helemaal met betrokkene die persoonlijke omstandigheden heeft. De vereisten van de Hoge Raad zijn dat er een objectieve twijfel moet zijn over het systeem in het algemeen gecombineerd met een reëel risico gezien de positie van de betrokkene. De officier van justitie vindt het niet relevant dat betrokkene in verband kan worden gebracht met PKK, maar dat is een specifieke omstandigheid. Betrokkene voldoet aan het kader wat uit de rapporten blijkt. Ik blijf bij het standpunt dat sprake is van flagrante schending.”
3.4
In bovengenoemde pleitaantekeningen verwijst de raadsvrouw meermaals naar een brief met bijlagen van 18 maart 2025 van haar hand. De rechtbank heeft niet nadrukkelijk gereageerd op haar verzoek ter zitting om die brief als herhaald en ingelast te beschouwen, maar maakt in haar beslissing wel melding van dit stuk onder paragraaf 1.3, waaronder de overige in het uitleveringsdossier opgenomen stukken worden opgesomd, en geeft er in haar overwegingen bovendien blijk van acht te hebben geslagen op de inhoud. Deze brief bevindt zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Ten behoeve van de bespreking van het middel volsta ik met een weergave van het volgende:

Zus [zus opgeëiste persoon]
In 2004 werd de zus van cliënt, [zus opgeëiste persoon] , met wie cliënt zeer nauwe banden heeft, aangehouden in Nederland op verdenking van deelname aan de PKK in de zaak met parketnummer 10/000299-04. Het Openbaar Ministerie is door de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 8 oktober 2008 niet-ontvankelijk verklaard. Desondanks werd zij toen zij in 2014 voor het laatst trachtte Turkije te bezoeken aangehouden en over de Nederlandse verdenking gehoord. In de zomer van 2024 bleken de Turkse autoriteiten opnieuw interesse in deze zaak te hebben en werd [zus opgeëiste persoon] in het kader van een rechtshulpverzoek als getuige bij de rechter-commissaris in Rotterdam gehoord over [betrokkene 4] , die [zus opgeëiste persoon] niet kent maar die in 2004 een medeverdachte bleek te zijn geweest in de strafzaak in Nederland naar de PKK.
Broer [broer opgeëiste persoon]
In juni 2013 hebben de Turkse autoriteiten de uitlevering verzocht van de broer van cliënt, [broer opgeëiste persoon] , wegens gestelde drugsfeiten. Het Gerechtshof Den Haag heeft de uitlevering echter bij uitspraak van 2 februari 2016 verboden wegens een dreigende schending van artikel 3 EVRM Pro, en daarbij overwogen (dikgedrukt TB):
Naar voorlopig oordeel van het hof is op basis van het uitgebreide betoog van [appellant] en de door hem in dat verband overgelegde foto's voldoende aannemelijk geworden datzowel (een deel van) zijn familie als [appellant] zelf actief is in de Koerdische onafhankelijkheidsstrijd, althans dat in het verleden is geweest. [appellant] heeft verklaard dat enkele van de door hem overgelegde foto's afbeeldingen betreffen van hem, begin jaren negentig, tijdens een PKK-trainingskamp in de [locatie] in Libanon (productie 4 in eerste aanleg, eerste foto, en productie 14 in appel). Het hof heeft voorshands geen aanleiding om aan deze (op zichzelf ook niet betwiste) verklaring te twijfelen, mede in aanmerking genomen het feit dat op één van de foto's de letters PKK op de achtergrond te zien zijn en op twee andere foto’s, eveneens op de achtergrond, een embleem met wapens zichtbaar is. Onweersproken is bovendien dat het Turkse paspoort van [appellant] jarenlang is ingehouden door de Turkse autoriteiten. Ook dit is een aanwijzing dat Turkije hem destijds in verband bracht met terroristische, althans haar onwelgevallige activiteiten. Dat [appellant] al sinds eind jaren negentig niet meer (politiek) actief is, doet naar voorlopig oordeel van het hof in zoverre niet ter zake,dat aannemelijk is dat in Turkije ook bijzondere aandacht zal bestaan voor niet recente connecties met de PKK. Dit blijkt alleen al uit de hierboven reeds vermelde, onbestreden gebleven inhoud van de brief van de advocaat van [appellant] van 13 januari 2015, waaruit blijkt dat een recent aan Turkije uitgeleverde persoon met een Koerdische achtergrond (i) is gefolterd en (ii) werd ondervraagd over zijn banden met de PKK en werd geconfronteerd met een aan de Turkse autoriteiten onwelgevallige brief van hem uit 1995. Zoals [appellant] terecht heeft opgemerkt, is het vredesbestand tussen de PKK en de Turkse autoriteiten in juli 2015 opgeheven en is het Turks/Koerdische conflict sindsdien in alle hevigheid opgelaaid, [appellant] heeft afdoende onderbouwd dat de situatie met betrekking tot martelen in Turkije reden tot zorg blijft en dat de Turkse autoriteiten alles in het werk stellen om de PKK en zijn leden, die zij als terroristen beschouwen, definitief uit te schakelen; in dit verband zij onder meer verwezen naar de door [appellant] aangehaalde Algemene Ambtsberichten Turkije uit 2012 en 2013. De Staat betoogt terecht dat het te ver voert om aan te nemen dat iedere Koerd in Turkse detentie een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro.Naar voorlopig van oordeel van het hof zijn er echter wel gegronde redenen om aan te nemen dat een persoon met een Koerdische achtergrond van wie, zoals bij [appellant], voldoende aannemelijk is dat hij of zij aantoonbare en relevante banden heeft of heeft gehad met het Koerdisch verzet zoals de PKK, zodanig risico loopt, óók indien uitlevering wordt gevraagd met het oog op de vervolging voor een commuun delict.
Na dit oordeel heeft de Nederlandse staat de uitlevering geweigerd.”
De beslissing van de rechtbank
3.5
De rechtbank heeft de verweren verworpen en daartoe het volgende overwogen:

3.3 Dreigende schending van fundamentele mensenrechten
Het meest verstrekkende verweer betreft de stelling dat bij uitlevering van de opgeëiste persoon een flagrante schending van diens fundamentele mensenrechten dreigt. Kortheidshalve verwijst de rechtbank naar 2.2. Met betrekking tot dit verweer overweegt de rechtbank het volgende.
In beginsel dient bij uitleveringszaken bij de beoordeling te worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten zal respecteren (vgl. Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288).
Blijkens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad (zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463) is het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 3 van Pro het EVRM voorbehouden aan de Minister. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren.
Uit voormelde jurisprudentie volgt voorts dat het oordeel omtrent een beroep op een dreigende schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM en/of artikel 14, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (hierna: IVBPR), in de regel niet aan de uitleveringsrechter is. Hierop kan een uitzondering bestaan indien bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van Pro het EVRM respectievelijk artikel 2, derde lid, aanhef en onder a, van het IVBPR ten dienste staat. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat niet snel sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
Aan een beoordeling van een beroep op een voltooide schending van artikel 6 van Pro het EVRM, komt de uitleveringsrechter in de regel niet toe omdat pas na de berechting in de verzoekende staat kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie.
Ter onderbouwing van het verweer heeft de verdediging aangevoerd dat de opgeëiste persoon stamt uit een Alevitische Koerdische familie en dat een aantal van zijn familieleden betrokken is geweest bij de Koerdische arbeiderspartij PKK. Met verwijzing naar onder meer een ambtsbericht, een rapportage van Human Rights Watch en andere stukken heeft de verdediging naar voren gebracht dat – kort gezegd – de rechterlijke macht in Turkije niet onafhankelijk en onpartijdig is en beïnvloed wordt door de uitvoerende macht. Volgens de verdediging zijn deze problemen acuut in zaken met een politieke component, zoals tegen familieleden die beschouwd worden als aanhangers van de PKK. De opgeëiste persoon zou bij uitlevering aan Turkije geen eerlijk proces krijgen en geconfronteerd worden met bewijsmateriaal verkregen onder anti-rechtstatelijke Anti-terror law, politieke inmenging met de rechtspraak, marteling en mishandeling in detentie en met grote moeilijkheden een advocaat kunnen vinden, aldus de verdediging.
De rechtbank stelt voorop dat de verdediging niet heeft gesteld dat de opgeëiste persoon zelf politiek actief is of betrokken is geweest bij de PKK. De rechtbank gaat er wel van uit dat hij behoort tot een familie waarvan een aantal leden als PKK-aanhangers kan worden beschouwd.
In het overgelegde ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse zaken van februari 2025 is omtrent familieleden van PKK-aanhangers vermeld dat zij door het Turkse veiligheidsapparaat werden gesurveilleerd, opgepakt en/of gedwongen om informatie te verschaffen over PKK-aanhangers. Indien familieleden geld stuurden naar politieke gevangenen, konden zij strafrechtelijk worden onderzocht en vervolgd wegens financiële ondersteuning van de PKK. Ook kregen familieleden van PKK-aanhangers te maken met huisinvallen. Deze werden verricht door speciale gemaskerde eenheden. Huisinvallen gingen volgens de bron veelvuldig gepaard met mishandelingen en detenties. Voornoemde vormen van repressie werden hoofdzakelijk ingezet tegen ouders, echtgenoten, broers en zussen en kinderen van PKK-aanhangers, zo is vermeld in het ambtsbericht. Anderzijds is ook vermeld dat onduidelijk is gebleven op welke schaal deze praktijken voorkwamen en welke familieleden onder welke omstandigheden een doelwit werden voor de Turkse autoriteiten.
Gelet op de overgelegde stukken bestaan gerechtvaardigde zorgen over de onafhankelijkheid van de rechtspraak in Turkije in het algemeen en meer in het bijzonder in strafzaken tegen personen die met de PKK in verband worden gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is evenwel onvoldoende onderbouwd dat familie-leden van PKK-aanhangers in de regel te maken krijgen met politieke inmenging in hun berechting en geen eerlijk proces zullen krijgen, zoals bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM. Het overgelegde ambtsbericht is daarvoor te vaag.
Gelet op vorenstaande kan het namens de opgeëiste persoon gedane beroep niet tot de conclusie leiden dat sprake is van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM. Het beroep hierop wordt daarom verworpen.”
Het juridisch kader
3.6
Nederland heeft zich als verdragsstaat bij het EVRM te houden aan de uit art. 1 EVRM Pro voortvloeiende algemene verplichting tot eerbiediging van mensenrechten bij uitlevering. Dat houdt in dat Nederland als aangezochte staat niet mag overgaan tot uitlevering van de opgeëiste persoon, indien en voor zover sprake is van een ernstige schending van mensenrechten. [2]
3.7
De bevoegdheid tot beoordeling van mensenrechtenverweren bij uitlevering ter strafvervolging is afwisselend toebedeeld aan de Minister van Justitie van Veiligheid (hierna: de Minister) en aan de uitleveringsrechter. Zo ligt de beoordeling van een dreigende schending van art. 3 EVRM Pro, een dreigende schending van art. 5 EVRM Pro, een dreigende schending van art. 6 EVRM Pro die niet ‘flagrant’ is en een voltooide schending van art. 6 EVRM Pro bij de Minister. [3] De uitleveringsrechter is bevoegd om te oordelen over (onder meer) een
dreigende flagranteschending van art. 6 EVRM Pro. De Hoge Raad heeft het toepasselijke beoordelingskader hiervoor in zijn arrest van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463,
NJ2017/276, m.nt. N. Rozemond als volgt gepreciseerd:
“3.5. Uitgangspunt in uitleveringszaken is dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal respecteren (vgl. HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288). Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is in uitleveringszaken - gelet op het systeem van de Uitleveringswet (hierna: UW), zoals daarvan blijkt uit de art. 8 en Pro 10 UW, en de geschiedenis van de totstandkoming van die wet - het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een
dreigendeinbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer art. 3 EVRM Pro voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie en zal hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een
voltooideinbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren. Er bestaat geen goede grond ten aanzien van die bevoegdheidstoedeling anders te oordelen in zaken waarin het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten van toepassing is, zij het dat het dan de Gouverneur is die de taken en bevoegdheden heeft welke de UW aan de Minister toekent.
3.6
Bij een beroep op een inbreuk op de fundamentele rechten die de opgeëiste persoon in art. 6 EVRM Pro zijn toegekend, geldt het volgende.
(…)
B. (i) Indien het gaat om een
verzoek tot uitlevering ter strafvervolgingen wordt aangevoerd dat in de desbetreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR, is het in de regel niet aan de uitleveringsrechter te oordelen over de gegrondheid van zo een beroep op een
dreigendemensenrechtenschending. In een dergelijk geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. Zo een verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in het aangevoerde grond kan vinden de Minister in zijn advies als bedoeld in art. 30 UW Pro, dan wel de Gouverneur deelgenoot te maken van zijn opvatting omtrent het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, waaronder in voorkomende gevallen begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende Staat om een dergelijke dreigende schending te voorkomen.
(ii) Op grond van het vertrouwensbeginsel moet voorts worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon in staat stelt om na diens uitlevering ter strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR. Daarbij verdient opmerking dat in geval van een uitlevering ter strafvervolging de vraag of inbreuk is gemaakt op het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces, in de regel eerst kan worden beantwoord na de uitspraak van de strafrechter in de verzoekende Staat, omdat pas dan kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. De uitleveringsrechter kan daarom in de regel niet toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer dat sprake is van een reeds
voltooideschending van art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR.
(iii) Het uitgangspunt dat in de gevallen waarin de uitlevering ter strafvervolging is gevraagd, de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende en/of voltooide mensenrechtenschendingen, kan evenwel uitzondering lijden indien naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan
(a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en tevens
(b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM Pro respectievelijk art. 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.
In zo een geval staat de op de landen van het Koninkrijk rustende verplichting om de uit voormelde verdragsbepaling(en) voortvloeiende rechten van de opgeëiste persoon te verzekeren in de weg aan de nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering. Op grond van voormelde bevoegdheidstoedeling is het derhalve - kort gezegd - de uitleveringsrechter die tot oordelen is geroepen ingeval bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting beroep is gedaan op het (dreigende) risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM onderscheidenlijk art. 14, eerste lid, IVBPR, doch uitsluitend indien tevens is aangevoerd dat en waarom de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als vorenbedoeld ten dienste staat.
Daarbij moet worden aangetekend dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM die moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter strafvervolging. In dat verband kan worden gewezen op EHRM 17 januari 2012, Othman tegen V.K., nr. 8139/09, NJ 2013/360, rov. 259 waar gevallen zijn opgesomd waarin sprake is van een ‘flagrant denial of justice’.”
3.8
Uit het voorgaande volgt dat niet elke schending van art. 6 EVRM Pro een beletsel voor uitlevering vormt. Het moet gaan om een (dreigende)
flagranteschending. Het begrip flagrante schending is afgeleid van de rechtspraak van het EHRM, die inhoudt dat art. 6 EVRM Pro slechts in uitzonderlijke gevallen aan uitlevering in de weg kan staan, namelijk wanneer de opgeëiste persoon “has suffered or risks suffering a flagrant denial of a fair trial”. [4] Een “flagrant denial of justice” is, aldus het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in de zaak Othman/Verenigd Koninkrijk, “a stringent test of unfairness which goes beyond mere irregularities or lack of safeguards in the trial procedures such as might result in a breach of Article 6 if occurring within the Contracting State”. Vereist is “a breach of the principles of a fair trial guaranteed by Article 6 which is so fundamental as to amount to a nullification, or destruction of the very essence, of the right guaranteed by that Article”. [5] De in de
Othman-uitspraak genoemde voorbeelden van een “flagrant denial of justice” betreffen:
“- conviction
in absentiawith no possibility subsequently to obtain a fresh determination of the merits of the charge (
Einhorn, cited above, § 33;
Sejdovic, cited above, § 84;
Stoichkov, cited above, § 56);
- a trial which is summary in nature and conducted with a total disregard for the rights of the defence
(
Bader and Kanbor, cited above, § 47);
- detention without any access to an independent and impartial tribunal to have the legality the detention reviewed (
Al-Moayad, cited above, § 101);
- deliberate and systematic refusal of access to a lawyer, especially for an individual detained in a
foreign country (ibid.).”
3.9
Het EHRM nam in de
Othman-zaak voor het eerst een dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM Pro aan. Die dreigende flagrante schending hield in casu in dat een reëel risico bestond dat de betrokkene op basis van belastende verklaringen van gefolterde getuigen zou worden veroordeeld.
3.1
Garanties van de verzoekende staat die het recht op een eerlijk proces moeten waarborgen kunnen een rol spelen bij de vraag of uitlevering toelaatbaar is. De minister kan garanties vragen van de verzoekende staat (en de uitleveringsrechter kan daartoe adviseren) ter voorkoming van dreigende schendingen van mensenrechten. [6]
3.11
De vraag of de opgeëiste persoon door uitlevering zal worden blootgesteld aan het (dreigende) risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM Pro toekomend recht, betreft een feitelijk oordeel dat aan de uitleveringsrechter is voorbehouden en zich dus slechts voor een beperkte toets in cassatie leent. Met A-G Harteveld en Hofstee meen ik dat in cassatie wel relevant kan zijn wat in feitelijke aanleg bij de uitleveringsrechter door de opgeëiste persoon is aangevoerd, in relatie tot het oordeel van de uitleveringsrechter dat blootstelling aan een dergelijke flagrante schending van art. 6 EVRM Pro al dan niet aannemelijk is geworden. [7]
3.12
Indien de uitleveringsrechter vaststelt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het (dreigende) risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM Pro toekomend recht, zal de uitleveringsrechter zich – volgens voormeld beoordelingskader van de Hoge Raad – moeten uitlaten over de vraag of de opgeëiste persoon na zijn uitlevering een effectief rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM Pro ten dienste staat ter zake van de gestelde flagrante inbreuk. Slechts indien daarvan geen sprake is zal de rechter over kunnen gaan tot het ontoelaatbaar verklaren van de verzochte uitlevering. Indien de rechter de uitlevering toelaatbaar verklaart, moet de Minister vervolgens beslissen op het uitleveringsverzoek. De Minister moet in zijn beoordeling onder meer de mensenrechtensituatie in de verzoekende staat betrekken. Tegen een beslissing tot inwilliging van het uitleveringsverzoek staat beroep open bij de civiele rechter.
3.13
Aan de Hoge Raad zijn eerder zaken voorgelegd waarin een uitleveringsverzoek van Turkije voorlag en waarin door of namens de opgeëiste persoon tegenover de rechtbank eveneens het verweer is gevoerd dat sprake is van een (dreigend) risico van een flagrante inbreuk op art. 6 EVRM Pro. Zo hield bij arrest van 23 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:955 een uitspraak waarin de rechtbank weliswaar de bevoegdheidstoedeling aan de uitleveringsrechter en de Minister had miskend in cassatie stand, omdat de rechtbank volgens de Hoge Raad het verweer dat sprake was van een dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM Pro slechts had kunnen verwerpen. Door of namens de opgeëiste persoon was immers onvoldoende onderbouwd aangevoerd dat aan de opgeëiste persoon na zijn uitlevering ingeval van een flagrante inbreuk op art. 6 EVRM Pro niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM Pro ten dienste zou staan. Dit was in lijn met de conclusie van A-G Aben, die zich op het standpunt stelde dat op grond van hetgeen namens de opgeëiste persoon ter zitting was aangevoerd, niet is komen “
vast te staan” dat de
jegens de opgeëiste persoonhet risico dreigt van een flagrante inbreuk op enig aan de opgeëiste persoon ingevolge art. 6 EVRM Pro toekomend recht en evenmin dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM Pro ten dienste staat ter zake van die inbreuk. Het enkele uitroepen van de noodtoestand in Turkije en (in de woorden van de raadsman) “het opschorten van het EVRM” op de voet van art. 15 EVRM Pro waren volgens Aben daarvoor ontoereikend. Aben benadrukte in dat kader onder meer dat het bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering steeds gaat om de vraag of voor
dezeopgeëiste persoon bij uitlevering een flagrante schending van zijn door het EVRM gewaarborgde rechten dreigt, niet om de vraag of de Turkse rechtstaat zich in zijn algemeenheid op een hellend vlak bevindt. Tot slot merkte Aben op dat de mensenrechtensituatie in Turkije alsnog van betekenis kan zijn voor de uitleveringszaak tegen de opgeëiste persoon, nu de Minister de mensenrechtensituatie in Turkije (moet) meewegen bij zijn beslissing op het uitleveringsverzoek en ook de weg naar de civiele rechter openstaat indien de Minister het verzoek zou inwilligen. [8]
3.14
In de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:1032 was door de verdediging het verweer gevoerd dat de opgeëiste persoon in Turkije geen eerlijk proces zal krijgen, omdat hij lid is van de oppositiepartij HDP, die door president Erdogan een terroristische organisatie wordt genoemd, terwijl bovendien in het algemeen kan worden gesteld dat de rechtstaat in Turkije er nog slechter aan toe is dan de rechtstaat in Polen, dat de rechterlijke macht in Turkije niet langer onafhankelijk is en dat het enkele vermoeden dat een persoon tegenstander is van de huidige regering al reden genoeg is om geen eerlijk proces te krijgen. De rechtbank verwierp het verweer en overwoog dat zij weliswaar zorgwekkende rechtstaatontwikkelingen in Turkije waarneemt, maar dat onvoldoende is gebleken dat de situatie zodanig is dat iedere verdachte ongeacht de aard van de verdenking het risico loopt op een flagrante inbreuk op het recht op een eerlijk proces. Verder nam de rechtbank in aanmerking dat (kort gezegd) de uitlevering van de opgeëiste persoon niet werd verzocht voor een politiek delict, maar voor een commuun delict, en dat niet is gebleken dat hij een prominent of politiek geprofileerd of bekend lid is van HDP, zodat niet aannemelijk is dat hij het risico loopt op politieke vervolging. De Hoge Raad deed het cassatieberoep af met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
3.15
Eenzelfde afwikkeling kreeg het cassatieberoep in de zaak die ten grondslag ligt aan HR 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1500. De verdediging had in deze zaak erop gewezen dat de opgeëiste persoon aanhanger is van de Gülen-beweging en dat uit openbare bronnen blijkt dat de Turkse rechterlijke macht in politiek gevoelige zaken niet onafhankelijk is. De verwerping van dit verweer door de rechtbank hield onder meer in dat niet is gebleken dat de opgeëiste persoon zich in het openbaar op enige wijze heeft gepresenteerd als een aanhanger van de Gülen-beweging en er geen aanwijzingen zijn dat de Turkse overheid structureel invloed of druk uitoefent op de rechterlijke macht in commune strafzaken en niet is gebleken van een politiek gemotiveerde vervolging.
3.16
Tot slot wijs ik op de zaak die uitmondde in het recente arrest van de Hoge Raad van 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:64. Door de verdediging was aangevoerd dat de opgeëiste persoon een Koerdische achtergrond heeft en zijn familie al jaren in verband wordt gebracht met gewapende en politieke verzetsbewegingen tegen de Turkse overheid, waaronder de PKK. De rechtbank meende dat niet zij, maar de Minister, zich moest uitlaten over een dergelijke dreigende (flagrante) schending van art. 6 EVRM Pro. Daarover klaagde het cassatiemiddel volgens A-G Paridaens terecht. Zij concludeerde evenwel tot verwerping van het cassatieberoep, op de grond dat de rechtbank het gevoerde verweer slechts had kunnen verwerpen. In dat verband overwoog Paridaens dat uit hetgeen door de verdediging naar voren was gebracht onvoldoende duidelijk bleek waarom bij de strafvervolging wegens een commuun delict (drugshandel) voor de opgeëiste persoon een reëel gevaar zou bestaan dat zijn recht op een eerlijk proces zal worden geschonden bij de strafvervolging. [9] Ook het cassatieberoep tegen deze beslissing deed de Hoge Raad af met verwijzing naar art. 81 lid 1 RO Pro.
De bespreking van het middel
3.17
Namens de opgeëiste persoon is bij de rechtbank het verweer gevoerd dat de door Turkije verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard wegens een dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM Pro. Dit verweer luidde in de kern dat er objectief gerechtvaardigde twijfels zijn over de onafhankelijkheid van de rechtspraak in Turkije in strafzaken tegen personen die met de PKK in verband worden gebracht en dat daartegen geen effectief rechtsmiddel openstaat. Daartoe is onder meer aangevoerd dat:
- de opgeëiste persoon uit een Alevitische Koerdische familie komt en in verband kan worden gebracht met de PKK, omdat verschillende directe familieleden, waaronder zijn ouders en broers en zus, actief waren bij de PKK en/of de HPG (de gewapende afdeling van de PKK);
- een aantal familieleden is eerder al geconfronteerd met transnationale repressie door Turkije via de inzet van internationale rechtshulp, zoals de broer van de opgeëiste persoon, wiens uitlevering in 2013 door Turkije werd verzocht wegens een verdenking van drugshandel. Het hof Den Haag verbood de uitlevering wegens een dreigende schending van art. 3 EVRM Pro, omdat deze broer actief was geweest als PKK-strijder [10] ;
- uit verschillende rapporten van onder meer Human Rights Watch, de Europese Commissie en de Verenigde Naties kan worden afgeleid dat er grote zorgen zijn op het gebied van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak in Turkije en dat sprake is van systematische overheidsbemoeienis met de rechterlijke macht, in het bijzonder in politiek gevoelige zaken (zoals tegen Koerdische politici en PKK-leden);
- uit voornoemde rapporten tevens volgt dat Turkije zich niet langer houdt aan EHRM-uitspraken en resoluties en adviezen van de Raad van Europa;
- uit een Algemeen Ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van februari 2025 blijkt dat familieleden van PKK-leden worden gesurveilleerd, opgepakt en/of gedwongen om informatie te verschaffen over PKK’ers;
- politieke tegenstanders in Turkije ook onder de vlag van commune (niet-politieke) delicten strafrechtelijk worden vervolgd;
- in het uitleveringsverzoek in deze zaak aanknopingspunten zijn te vinden dat de verdenking van drugshandel in werkelijkheid verband houdt met een onderzoek naar betrokkenheid bij de PKK.
3.18
De rechtbank heeft dit verweer verworpen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon behoort tot een familie waarvan een aantal leden als PKK-aanhangers kan worden beschouwd en dat de verdediging niet heeft gesteld dat de opgeëiste persoon zelf politiek actief is of betrokken is geweest bij de PKK. De rechtbank heeft vervolgens acht geslagen op het hiervoor genoemde ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse zaken, dat over de behandeling van familieleden van PKK’ers het volgende inhoudt – met weglating van de voetnoten:
“Subparagraaf 1.3.2 behandelt het gewapend conflict tussen de Turkse staat en de PKK op Turkse bodem. Deze paragraaf gaat in op hoe de Turkse autoriteiten familieleden van PKK’ers behandelden.
Voorgaande ambtsberichten meldden dat familieleden van (vermeende) PKK’ers te maken konden krijgen met huisinvallen of opzettelijk werden tegengewerkt door de Turkse autoriteiten.
In de verslagperiode bleef voornoemde situatie hetzelfde. Zo kwamen familieleden van PKK’ers niet in aanmerking voor overheidsbanen. In de nasleep van de aanslag op het TUSAŞ-complex nabij Ankara (zie subparagraaf 1.3.2) werd een particulier beveiliger in dienst van de gemeente Izmir ontslagen, omdat hij een broer was van één van de aanslagplegers.
Een bron gaf aan dat familieleden van PKK’ers door het Turkse veiligheidsapparaat werden gesurveilleerd, opgepakt en/of gedwongen om informatie te verschaffen over PKK’ers. Indien familieleden geld stuurden naar politieke gevangenen, konden zij strafrechtelijk worden onderzocht en vervolgd wegens financiële ondersteuning van de PKK. Ook kregen familieleden van PKK’ers te maken met huisinvallen. Deze werden verricht door speciale gemaskerde eenheden. Huisinvallen gingen volgens de bron veelvuldig gepaard met mishandelingen en detenties. Voornoemde vormen van repressie werden hoofdzakelijk ingezet tegen ouders, echtgenoten, broers en zussen en kinderen van PKK’ers, aldus de bron.
Het bleef onduidelijk op welke schaal deze praktijken voorkwamen en welke familieleden onder welke omstandigheden een doelwit werden voor de Turkse autoriteiten.” [11]
3.19
De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat gerechtvaardigde zorgen bestaan over de onafhankelijkheid van de rechtspraak in Turkije in het algemeen en meer in het bijzonder in strafzaken tegen personen die met de PKK in verband worden gebracht, maar dat onvoldoende is onderbouwd dat familieleden van PKK-aanhangers in de regel te maken krijgen met politieke inmenging in hun berechting en geen eerlijk proces zullen krijgen. De rechtbank meent dat het overgelegde ambtsbericht daarvoor te vaag is. Een en ander brengt de rechtbank tot de slotsom dat het namens de opgeëiste persoon gedane beroep niet tot de conclusie leiden dat sprake is van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM.
3.2
Het middel klaagt dat dit oordeel onjuist althans onbegrijpelijk is.
3.21
Ik merk op dat het oordeel van de rechtbank – mede bezien in het licht van het uitgebreide verweer dat door de verdediging is gevoerd – nogal beknopt is gemotiveerd. Anders dan het middel wil, komt dat oordeel mij echter niet onjuist of onbegrijpelijk voor.
3.22
De verdediging heeft onderbouwd geïllustreerd dat er in zijn algemeenheid zorgen zijn ten aanzien van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak in Turkije en meer in het bijzonder ten aanzien van de behandeling van politieke tegenstanders van het Turkse regime, zoals PKK-leden. De rechtbank heeft die zorgen ook onderkend. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering gaat het uiteindelijk echter om de vraag of voor
dezeopgeëiste persoon bij uitlevering een flagrante schending van zijn door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde rechten dreigt. Alleen dan biedt het geldende juridische kader de uitleveringsrechter de ruimte om de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren.
3.23
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon als familielid van PKK’ers geen eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM Pro zal krijgen. Ter onderbouwing van dat standpunt is verwezen naar het hiervoor weergegeven ambtsbericht. Daarin wordt een vertrouwelijke bron aangehaald die stelt dat familieleden van PKK’ers door het Turkse veiligheidsapparaat onder meer door surveillance en detentie onder druk worden gezet om informatie te verschaffen over PKK’ers. Daarbij wordt in het ambtsbericht aangetekend dat onduidelijk is op welke schaal deze praktijken voorkomen en welke familieleden onder welke omstandigheden een doelwit zijn voor de Turkse autoriteiten. Zonder af te willen doen aan de ernst van die signalen, kan daaruit naar mijn inzicht niet zonder meer worden afgeleid dat in commune strafzaken aan het recht op een eerlijk proces van familieleden van PKK’ers wordt getornd. Daarover zwijgt het ambtsbericht. Tegen die achtergrond kan ik het oordeel van de rechtbank dat het ambtsbericht te vaag is om vast te stellen dat familieleden van PKK-aanhangers in de regel te maken krijgen met politieke inmenging in hun berechting en geen eerlijk proces zullen krijgen, goed volgen. In weerwil van het middel is die conclusie niet strijdig met de overweging van de rechtbank dat er gerechtvaardigde zorgen bestaan over de onafhankelijkheid van de rechtspraak in Turkije in strafzaken “tegen personen die met de PKK in verband worden gebracht”. Ik begrijp dat de rechtbank daarmee doelde op PKK-leden en niet (ook) op personen die zelf geen betrokkenheid bij de PKK hebben, maar wel familie zijn van PKK-leden.
3.24
Dat de rechtbank niet nadrukkelijk is ingegaan op het verweer van de verdediging dat diverse familieleden van de opgeëiste persoon zijn vastgezet of onderwerp zijn geweest van internationale rechtshulpverzoeken vanuit Turkije, moet ook tegen die achtergrond worden bezien. Blijkens de cassatieschriftuur doelt de steller van het middel hiermee op een rechtshulpverzoek om de zus van de verdachte als getuige te horen en een uitleveringsverzoek met betrekking tot de broer van de verdachte. Uit de beschrijving van deze incidenten in de brief van 18 maart 2025 van de raadsvrouw van de verdachte maak ik op dat deze familieleden zelf werden verdacht van directe betrokkenheid bij de PKK, dan wel deel hadden genomen aan de gewapende strijd. [12] Een en ander kan aldus geen ondersteuning bieden voor de stelling van de verdediging dat de opgeëiste persoon als familielid van PKK’ers geen eerlijk proces zal krijgen in zijn strafzaak. [13]
3.25
Voor zover in de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon volgens de verdediging niet zelf politiek actief is of betrokken is geweest bij de PKK, treft het middel evenmin doel. De steller van het middel verwijst naar het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank, waaruit blijkt dat de verdediging foto’s heeft getoond aan de rechtbank “om te laten zien dat cliënt nog steeds banden heeft met de PKK.” Deze foto’s zijn niet overgelegd aan de rechtbank en de rechtbank heeft daarover verder geen waarnemingen gedaan, dus de inhoud daarvan is mij onbekend. Uit de door de raadsvrouw voorgedragen pleitaantekeningen leid ik af dat het gaat om foto’s van een reis die de opgeëiste persoon met zijn ouders heeft gemaakt in 2019 naar Noord-Irak. Kennelijk heeft de rechtbank het zo begrepen dat de verdediging hiermee heeft willen illustreren dat de opgeëiste persoon nog steeds contact heeft met familieleden die betrokken zijn bij de PKK. Dat de rechtbank hierin niet als stelling heeft ingelezen dat de opgeëiste persoon zélf betrokken is (geweest) bij de PKK, acht ik – mede bezien in het licht van het overige dat is aangevoerd – niet onbegrijpelijk.
3.26
Tot slot maakt het middel er gewag van dat de rechtbank niet is ingegaan op hetgeen onder punt 13 en 14 van het schriftelijk standpunt naar voren is gebracht. Vooropgesteld zij dat de rechtbank er niet toe genoodzaakt is op alle onderdelen van het verweer expliciet te reageren. [14] De vraag is of het oordeel van de rechtbank, in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, (on)begrijpelijk is.
3.27
De steller van het middel doelt op het in het pleidooi neergelegde verweer dat in de uitleveringsstukken aanwijzingen zijn te vinden dat de formele drugsverdenking in werkelijkheid verband houdt met een strafrechtelijk onderzoek naar betrokkenheid bij de PKK. Het zou gaan om de volgende aanwijzingen:
- het bewijs waaraan in het uitleveringsverzoek wordt gerefereerd is vergaard op basis van art. 10 van Pro de Anti-Terror Law, welke bevoegdheid destijds enkel kon worden ingezet voor onderzoeken naar (onder meer) drugshandel, voor zover die gedragingen plaatsvonden in het kader van een terroristische organisatie. In het verleden is door de Turkse autoriteiten meermaals gesteld dat de PKK gelden zou verkrijgen uit drugshandel;
- in het feitenrelaas worden de termen ‘Cemaat’ en Irak genoemd, wat ook indicaties zijn voor een verband met de PKK;
- in het aanhoudingsbevel wordt bij de gegevens van de opgeëiste persoon onder het kopje ‘business address’ het adres van het bedrijf van zijn broer genoemd, wiens uitlevering in 2016 is geweigerd (zie hiervoor onder randnummer 3.17).
3.28
De omstandigheid dat het bewijs dat heeft geleid tot de verdenking aan het adres van de verdachte is voortgekomen uit de toepassing van een bevoegdheid die enkel zou mogen worden ingezet in terrorisme-onderzoeken, lijkt mij niet zonder meer de conclusie rechtvaardigen dat de verdenking van de opgeëiste persoon in werkelijkheid ziet op vermeende betrokkenheid bij de PKK, laat staan dat de opgeëiste persoon in zijn berechting geen eerlijk proces zal krijgen. De in het feitenrelaas genoemde termen lijken mij daarvoor evenzeer onvoldoende specifiek. Uit de vermelding van het ‘business address’ van de broer van de opgeëiste persoon kan mijns inziens evenmin worden afgeleid dat sprake is van een dreigende flagrante inbreuk op art. 6 EVRM Pro in de berechting van de opgeëiste persoon. Daarbij weeg ik mee dat de uitlevering van de broer ook voor drugsfeiten werd verzocht en dat uit de beslissing tot weigering van deze uitlevering niet kan worden opgemaakt dat het daar ging om een ‘gefabriceerde’ verdenking. Gelet hierop acht ik het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de door de verdediging genoemde omstandigheden niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een dreigende flagrante schending van het recht op een eerlijk proces van de opgeëiste persoon, ook zonder nadrukkelijke motivering, niet onbegrijpelijk. Voor verdere toetsing is in cassatie geen plaats.
3.29
Het eerste middel faalt in alle onderdelen.

4.Het tweede middel

4.1
Het tweede middel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de stukken genoegzaam zijn en/of dat art. 12 van Pro het Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: EUV) en art. 18 Uitleveringswet Pro (hierna: Uw) niet vereisen dat het over te leggen bevel tot aanhouding gedateerd dient te zijn vóór de datum van het uitleveringsverzoek.
Het verweer van de verdediging
4.2
Meergenoemde pleitaantekeningen die de raadsvrouw van de opgeëiste persoon op de zitting van 2 april 2025 heeft voorgedragen houden over de genoegzaamheid van de Turkse uitleveringsstukken het volgende in:

Ongenoegzaamheid stukken Turkije
18. Hoewel mijns inziens op de bovenstaande gronden de uitlevering nu al ontoelaatbaar moet worden verklaard meen ik subsidiair dat het dossier nog niet compleet is voor u om tot het oordeel te komen dat de uitlevering
toelaatbaaris.
19. Ten eerste het
arrest warrant. Artikel 12 EUV Pro vereist dat tot staving van (
be supported byin de originele tekst) een uitleveringsverzoek het origineel of een authentiek afschrift van een bevel tot aanhouding wordt overlegd. In het dossier is uitsluitend een
arrest warrantopgenomen dat gedateerd is op 20 januari 2025. Het uitleveringsverzoek zelf echter dateert van 14 januari 2025; dit arrestatiebevel kan dan ook niet geacht worden het uitleveringsverzoek te
supporten.
20. Daar komt bij dat het thans onmogelijk is vast te stellen of de aanhouding en detentie van cliënt wel rechtmatig was, nu er geen arrestatiebevel is overlegd dat ten grondslag lag aan het
Interpol red notice-verzoek. Dit raakt ook de eventuele gevangenhouding die u zou dienen te bevelen.
21. In ieder geval bent u thans niet in staat te oordelen voor welke zaak de uitlevering nu exact wordt verzocht, gezien de verschillende dossiernummers die worden genoemd in het uitleveringsdossier respectievelijk het aanhoudingsbevel en gezien de tegenstrijdigheden tussen het uitleveringsverzoek en het
red notice-bevel.
22. In bredere zin is thans niet goed vast te stellen waar cliënt nu precies voor wordt opgeëist en of er mogelijk sprake is van weigeringsgronden; daarvoor is bijvoorbeeld nogal van belang wat nu precies de verwijzing naar
Cemaat, Irak en het adres van de broer van cliënt inhoudt en of er in de zaak een relatie wordt gelegd met terrorisme.
23. Ik ben dan ook van mening dat de stukken thans ongenoegzaam zijn en dat er in ieder geval moeten worden overlegd:
a) De originele
indictmentvan 26 januari 2014
b) Het originele
arrest warrantvan 4 augustus 2015 (volgens red notice)
c) De communication detection order issued by Istanbul High Criminal Court through Investigation No. […] ”
De beslissing van de rechtbank
4.3
De rechtbank heeft als volgt overwogen en beslist over de genoegzaamheid van de stukken:

3.5 Genoegzaamheid van de stukken
De verdediging heeft gesteld dat in strijd met artikel 12 van Pro het EUV het overgelegde bevel tot aanhouding (‘arrest warrant’) gelet op de datum daarvan (20 januari 2025) niet geacht kan worden het uitleveringsverzoek van 14 januari 2025 te staven. In de ‘red notice’ wordt gesproken van een arrestatiebevel van 4 augustus 2015 en dit ontbreekt. Voorts ontbreken de originele ‘indictment’ van 26 januari 2014 en de hiervoor genoemde ‘communication detection order’. Volgens de verdediging kan gelet op de verschillende dossiernummers die in het uitleveringsdossier en het aanhoudingsbevel zijn genoemd en voorts, gelet op de tegenstrijdigheden tussen het uitleveringsverzoek en het ‘red notice-bevel’, niet worden beoordeeld voor welke zaak de uitlevering wordt verzocht. Daarnaast is het noodzakelijk om een reclasseringsrapport op te stellen om vast te kunnen stellen dat de opgeëiste persoon voldoende inzicht heeft in de procedure en de gevolgen daarvan.
Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van het EUV bepaalt onder meer dat tot staving van (‘be supported by’) het uitleveringsverzoek een bevel tot aanhouding dient te worden overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat deze bepaling niet vereist dat het over te leggen bevel tot aanhouding gedateerd dient te zijn voor de datum van het uitleveringsverzoek. Evenmin is vereist dat eerder uitgevaardigde arrestatiebevelen worden overgelegd. Bij het verzoek zijn de in artikel 18 van Pro de UW en artikel 12 van Pro het EUV genoemde stukken gevoegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan daaruit afdoende worden opgemaakt voor welke feiten de opgeëiste persoon wordt vervolgd. Het overleggen van het dossier met de genoemde ‘indictment’ van 26 januari 2014 is niet vereist. Het is voorts niet aan de rechter in deze uitleveringsprocedure om te toetsen of de opeisende staat voldoende bewijs heeft voor de verdenking. Mitsdien is evenmin vereist dat de eerder genoemde ‘minutes’ worden overgelegd. De stukken worden door de rechtbank genoegzaam geoordeeld. De door de verdediging genoemde tegenstrijdigheden en andere opmerkingen doen daar niet aan af.”
Het juridisch kader
4.4
Vooropgesteld moet worden dat het voorliggende uitleveringsverzoek van Turkije in de eerste plaats wordt beheerst door het EUV, dat – in geval van strijdigheid – voorgaat op de bepalingen van de Uw. [15] Art. 12 lid 2 EUV Pro luidt:
“Tot staving van het verzoek dienen te worden overgelegd:
(a) het origineel of een authentiek afschrift, hetzij van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling, hetzij van een bevel tot aanhouding of van een andere akte die dezelfde kracht heeft, opgemaakt in de vorm voorgeschreven door de wet van de verzoekende Partij;
(…)”
4.5
Het bij het EUV behorende ‘Explanatory report’ houdt over art. 12 lid 2 EUV Pro in:

Article 12 (The request and supporting documents)
(…)
Paragraph 2specifies at sub-paragraphs (a), (b) and (c) the documents which the requesting Party is required to produce in support of its request, and the information which it must supply. Some of the experts thought that the warrant of arrest or any other order having the same effect should be issued by an authority of a judicial nature. This point arises from Article 1, in which the Parties undertake to extradite persons against whom the competent authorities of the requesting Party are proceeding or who are wanted by them.
It was observed that the description of the person claimed is not generally given in the request itself but is attached as a separate document.
During the discussion on Article 12 it was found that most of the States represented on the Committee of Experts do not extradite a person claimed until after a decision by a judicial Authority.”
4.6
Art. 12 lid 2 EUV Pro vereist – in min of meer vergelijkbare bewoordingen als art. 18 lid 3 Uw Pro – dat bij een verzoek strekkende tot vervolgingsuitlevering een (authentiek afschrift) van een bevel tot aanhouding wordt overgelegd. De memorie van toelichting bij de goedkeuring van het EUV wijst nadrukkelijk op de overeenkomsten met (het destijds ontwerp-wetsvoorstel van) art. 18 Uw Pro:
“De opsomming van bij een verzoek tot uitlevering over te leggen stukken komt overeen met die welke is gegeven in artikel 18 van Pro het ontwerp-Uitleveringswet.” [16]
4.7
Art. 18 Uw Pro luidt – voor zover hier van belang:
“1. Een verzoek tot uitlevering kan slechts in overweging worden genomen, indien het voldoet aan de vereisten omschreven in de navolgende leden van dit artikel.
(…)
3. Het verzoek moet vergezeld gaan van:
a. het origineel of een authentiek afschrift
hetzij van een, voor tenuitvoerlegging vatbaar, tegen de opgeëiste persoon gewezen strafvonnis,
hetzij van een door de daartoe bevoegde autoriteit van de verzoekende staat gegeven bevel tot zijn aanhouding, of van een stuk dat dezelfde rechtskracht heeft,
een en ander opgemaakt in de vorm voorgeschreven door het recht van die staat, en betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;
(…)”
4.8
De memorie van toelichting bij art. 18 Uw Pro houdt het volgende in:

Artikel 18. De hierin gestelde eisen aan vorm en inhoud van verzoeken tot uitlevering komen overeen met de in verdragen gebruikelijke. Dit artikel zou, daar het betrekking heeft op voorwaarden waarvan de vervulling nodig is voor de mogelijkheid tot uitlevering, eigenlijk systematisch thuis behoren in hoofdstuk II. Ter wille van de overzichtelijkheid zijn echter de bepalingen die aangeven wat in de opeenvolgende stadia van de uitleveringsprocedure kan of moet geschieden, in het derde hoofdstuk bijeengehouden.” [17]
4.9
De in respectievelijk art. 12 EUV Pro en art. 18 Uw Pro gestelde eisen dienen een drietal doelen. Het uitleveringsverzoek en de bijbehorende stukken moeten het de aangezochte staat in de eerste plaats mogelijk maken de identiteit en de nationaliteit van de opgeëiste persoon vast te stellen. Ten tweede moet uit de uitleveringsstukken kunnen worden opgemaakt met welk doel de uitlevering wordt verzocht en voor welk feit. Ten derde moeten de uitleveringsstukken de aangezochte staat de benodigde gegevens verschaffen om te beoordelen of tot uitlevering kan worden overgegaan in het licht van de geldende voorwaarden en weigeringsgronden. [18]
De bespreking van het middel
4.1
Bij het uitleveringsverzoek van de Turkse autoriteiten van 14 januari 2025 is onder meer gevoegd een aanhoudingsbevel (“arrest warrant”) dat is gedateerd 20 januari 2025. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dit aanhoudingsbevel het uitleveringsverzoek niet kan staven, omdat het van een latere datum is en de stukken derhalve ongenoegzaam zijn. Voorts heeft de verdediging gewezen op discrepanties in de op het uitleveringsverzoek en het aanhoudingsbevel genoemde onderzoeksnummers.
4.11
De rechtbank heeft dit verweer verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank vereist art. 12 lid 2 EUV Pro niet dat het aanhoudingsbevel gedateerd dient te zijn vóór de datum van het uitleveringsverzoek. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de in art. 18 Uw Pro en art. 12 EUV Pro genoemde stukken zijn gevoegd bij het uitleveringsverzoek en dat daaruit afdoende kan worden opgemaakt voor welke feiten de opgeëiste persoon wordt vervolgd. De rechtbank komt tot de slotsom dat de stukken genoegzaam zijn en dat de door de verdediging genoemde tegenstrijdigheden in die stukken daar niet aan afdoen.
4.12
Het middel voert allereerst aan dat art. 12 EUV Pro en art. 18 Uw Pro in redelijkheid niet anders kunnen worden uitgelegd dan dat het aanhoudingsbevel reeds moest bestaan ten tijde van het uitleveringsverzoek en dus niet later dan dat verzoek kan worden gedateerd. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis bij art. 5 en Pro 18 Uw [19] bepleit de steller van het middel dat bedoeld is dat uitlevering slechts mogelijk is voor feiten waarvoor daadwerkelijk detentie mogelijk is en dat daarbij niet past dat reeds een uitleveringsverzoek kan worden opgesteld alvorens een rechter of andere bevoegde autoriteit vaststelt dat er voldoende gronden en mogelijkheden voor detentie zijn. Een en ander brengt volgens de steller van het middel ook mee dat de voorlopige aanhouding onrechtmatig moet worden beschouwd, omdat er geen sprake was van een geldig aanhoudingsbevel uit Turkije ten tijde van het opstellen van het uitleveringsverzoek.
4.13
Het standpunt van de steller van het middel dat art. 12 EUV Pro en art. 18 Uw Pro vereisen dat de daarin genoemde stukken eerder zijn gedateerd dan het uitleveringsverzoek vindt geen steun in het recht. De tekst van art. 12 EUV Pro en art. 18 Uw Pro biedt daarvoor geen aanknopingspunten. Uit de wetsgeschiedenis bij beide bepalingen kan een dergelijke eis evenmin met zoveel woorden worden afgeleid. De bedoeling van de wetgever noopt – anders dan het middel wil – in mijn optiek ook niet tot de door de steller van het middel bepleite uitleg. De in art. 12 lid 2 EUV Pro en art. 18 Uw Pro neergelegde voorschriften hebben tot doel de aangezochte autoriteiten voldoende te informeren, zodat zij een oordeel kunnen vellen over (de toelaatbaarheid van) het verzoek tot uitlevering. Het lijkt mij tegen die achtergrond niet bezwaarlijk dat een uitleveringsverzoek wordt opgesteld voordat een rechterlijke autoriteit in de verzoekende staat heeft vastgesteld of er gronden zijn voor aanhouding. In het hypothetische geval dat een aanhoudingsbevel uiteindelijk niet zou kunnen worden overgelegd omdat de rechterlijke autoriteit meent dat daarvoor onvoldoende gronden bestaan, zal het uitleveringsverzoek reeds op die grond (moeten) worden afgewezen door de aangezochte staat. Ik zie dan ook niet in welk belang zou zijn gediend met het stellen van een aanvullende eis dat het bedoelde aanhoudingsbevel voorafgaat aan het uitleveringsverzoek. Het middel faalt op dit punt.
4.14
Het middel klaagt in de tweede plaats dat de rechtbank zijn oordeel onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd heeft in het licht van het verweer van de verdediging over de discrepanties in onderzoeksnummers tussen het uitleveringsverzoek en het aanhoudingsbevel. Deze – niet nader toegelichte – klacht treft mijn inziens evenmin doel. Het oordeel van de rechtbank dat uit de bij het uitleveringsverzoek gevoegde stukken voldoende blijkt voor welke feiten de opgeëiste persoon wordt vervolgd en eventuele discrepanties in de stukken daar niet aan afdoen kan ik goed volgen. Daarbij neem ik in aanmerking de inhoud van het uitleveringsverzoek en het aanhoudingsbevel zoals hiervoor onder randnummers 2.1-2.2 weergegeven, waarin dezelfde strafbare gedragingen en dezelfde pleegperiode wordt beschreven en waarin voorts hetzelfde zaaknummer wordt genoemd (nummer […] ).

5.Slotsom

5.1
Beide middelen falen en in ieder geval het eerste middel kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Hierbij is op de pleitaantekeningen met de hand geschreven: “Deze morgen dossier gekregen:
2.V.H. Glerum en N. Rozemond, ‘Uitlevering’, in: R. van Elst en E. van Sliedregt (red.),
3.Glerum & Rozemond,
4.EHRM 7 juli 1989, ECLI:CE:ECHR:1989:0707JUD001403888,
5.EHRM 17 januari 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD000813909 (
6.Glerum & Rozemond,
7.Vgl. ook randnr. 24 van de conclusie van A-G Harteveld vóór HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:133 en randnr. 17 van de conclusie van A-G Hofstee vóór HR 6 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:864,
8.Conclusie A-G Aben 4 april 2017, ECLI:NL:PHR:2017:370, randnrs. 9 en 23.
9.Conclusie A-G Paridaens 9 december 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1342.
10.Gerechtshof Den Haag 2 februari 2016 (civiele kamer), ECLI:NL:GHDHA:2016:143. Het hof was van oordeel dat de betrokkene in detentie een reëel risico zou lopen op een behandeling in strijd met art. 3 EVRM Pro.
11.Ministerie van Buitenlandse Zaken, ‘Algemeen Ambtsbericht Turkije (februari 2025)’, 24 februari 2025, p. 66.
12.Deze incidenten zijn verder beschreven in de brief van 18 maart 2025 van de raadsvrouw van de verdachte, die zich zoals gezegd bevindt bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden.
13.De onderhavige zaak laat zich wegens dit punt ook niet zonder meer vergelijken met de uitspraak van rechtbank Gelderland van 23 mei 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:3998 die de steller van het middel in de schriftuur noemt. De rechtbank Gelderland achtte in die zaak “voldoende aannemelijk (…) geworden dat zowel de opgeëiste persoon zelf als een aantal familieleden actief is of is geweest voor Koerdische organisaties die door Turkije als terroristisch worden aangemerkt” en verklaarde de uitlevering aan Turkije in die zaak ontoelaatbaar, op de grond dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk van artikel 6 EVRM Pro.
14.Art. 359 Sv Pro is in de Uw niet van overeenkomstige toepassing verklaard.
15.Zie hierover meer bijv. J. Remmelink,
18.Glerum & Rozemond,