Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
6 juni 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een Rwandese oud-militair en politiek opposant aan Rwanda, verdacht van genocide en misdrijven tegen de menselijkheid. De rechtbank Den Haag verklaarde de uitlevering ontoelaatbaar wegens het risico dat de opgeëiste persoon in Rwanda geen eerlijk proces zal krijgen door politieke inmenging en het ontbreken van een effectief rechtsmiddel na uitlevering.
De rechtbank baseerde haar oordeel op diverse recente openbare bronnen, waaronder ambtsberichten, mensenrechtenrapporten en deskundigeninbreng, die een patroon van politieke inmenging en schendingen van het recht op een eerlijk proces in strafzaken tegen politieke opponenten in Rwanda aantonen. De opgeëiste persoon werd als politiek opponent aangemerkt vanwege zijn militaire verleden en actieve oppositierol in Nederland.
De Hoge Raad bevestigt dat het uitgangspunt van vertrouwen in de verzoekende staat kan worden doorbroken indien concreet en voldoende onderbouwd is vastgesteld dat sprake is van een reëel risico op flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro en het ontbreken van een effectief rechtsmiddel. Dit is hier het geval. De garanties uit de Rwandese Transfer Law bieden onvoldoende waarborg.
Het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie wordt verworpen. De uitlevering blijft ontoelaatbaar en het bevel tot gevangenhouding wordt opgeheven.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat uitlevering aan Rwanda ontoelaatbaar is wegens risico flagrante schending recht op eerlijk proces.