ECLI:NL:HR:2026:64

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
25/03481
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 UitleveringswetArt. 12 EUVArt. 6 EVRMArt. 13 EVRMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep tegen uitleveringsuitspraak Turkije wegens formele bezwaren

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 juni 2025, waarin werd beslist over het uitleveringsverzoek van de Republiek Turkije betreffende de opgeëiste persoon van Belgische nationaliteit.

De opgeëiste persoon voerde in cassatie aan dat het uitleveringsverzoek niet ontvankelijk was omdat het originele of authentieke afschrift van het aanhoudingsbevel ontbrak, wat volgens hem een schending van artikel 18 van Pro de Uitleveringswet en artikel 12 van Pro het EU-Verdrag opleverde. Tevens stelde hij dat er sprake was van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro zonder effectief rechtsmiddel, in strijd met artikel 13 EVRM Pro.

De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Hoge Raad motiveert dit niet uitvoerig omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en daarmee de uitleveringsuitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de uitleveringsuitspraak wordt verworpen en de uitlevering aan Turkije bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer25/03481 U
Datum20 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 juni 2025, nummer UTL-I-2025007032, op verzoek van de Republiek Turkije tot uitlevering
van
[de opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de opgeëiste persoon.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft de advocaat A.M.S. Jumelet bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 januari 2026.