Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
23 mei 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een opgeëiste persoon tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam over een uitleveringsverzoek van Turkije wegens betrokkenheid bij handel in verdovende middelen.
De Rechtbank had geoordeeld dat de Minister van Veiligheid en Justitie de risico's van uitlevering voor schending van artikel 6 en Pro 13 EVRM moest toetsen, en verwierp het verweer dat de uitlevering zou leiden tot een flagrante schending van fundamentele rechten. De Hoge Raad bevestigt dat de rechtbank de bevoegdheidsverdeling tussen rechter en Minister in de Uitleveringswet heeft miskend, maar dat dit niet tot cassatie leidt omdat het verweer onvoldoende onderbouwd was.
De Hoge Raad herhaalt dat de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over het risico van schending van artikel 6 EVRM Pro, tenzij voldoende onderbouwd is dat na uitlevering geen rechtsmiddel beschikbaar is. De uitleveringsrechter kan de Minister adviseren over het al dan niet toestaan van uitlevering. Het beroep wordt verworpen en het arrest bevestigt het belang van het vertrouwensbeginsel en de bevoegdheidsverdeling in uitleveringszaken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de bevoegdheidsverdeling tussen rechter en Minister bij uitlevering wordt bevestigd.