Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste middel
doorslaggevendbelang geacht dat de getuigen (waaronder dus ook [getuige 2] ) op meer of mindere afstand in het café stonden en dat de aangever zelf de verdachte de klap heeft zien uitdelen. De keuze van het hof om meer gewicht toe te kennen aan de verklaring van de aangever (ondersteund door de verklaring van de [getuige 1] ) dan aan de verklaringen van zes getuigen die een andere dader aanwijzen, is daarmee niet onbegrijpelijk. Daarbij komt dat het hof heeft onderkend dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat de aangever een tweede klap op het achterhoofd heeft gekregen, en dat die volgens de aangever door een andere dader is uitgedeeld.
3.Het tweede middel
directde verdachte herkend op de aan hem getoonde ‘stills’ van het filmpje.
4.Het derde middel
kan[DP: mijn cursivering] zijn”, niet mee dat zwaar lichamelijk letsel enkel mag worden aangenomen als dit uit (medische) stukken kan worden afgeleid. Ik wijs in dit verband ook nog op het arrest van de Hoge Raad van 22 mei 1990. In deze zaak werd het zwaar lichamelijk letsel (in dat geval een zonder toestemming aangebrachte tatoeage) door het hof vastgesteld aan de hand van aangeefsters verklaring omtrent de zeer pijnlijke behandeling die was vereist om deze tatoeage te verwijderen. Het oordeel van het hof dat sprake was van zwaar lichamelijk letsel bleef in cassatie in stand. [11]
pijnlijkemedische behandelingen, waaronder wortelkanaalbehandelingen, heeft moeten ondergaan, kan dus bijdragen aan het oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.