Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste en het tweede middel
eerste middelklaagt over het gebruik door het hof van bewijsmateriaal dat direct of indirect afkomstig is van een criminele burger die onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie is ingezet voor de opsporing van strafbare feiten. De steller van het middel beoogt de principiële vraag voor te leggen of deze inzet (als zodanig) rechtmatig is en of zij überhaupt gewenst is in een rechtsstaat waarin als uitgangspunt heeft te gelden dat een bewezenverklaring slechts mag steunen op bewijsmateriaal dat controleerbaar is en dat als betrouwbaar kan worden aangemerkt”. Of de inzet van een criminele burger in de opsporing “überhaupt gewenst is”, is echter geen vraag die verband houdt met de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvereiste door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen en kan daarom niet worden aangemerkt als een cassatieklacht in de zin van de wet. [3] Gelet op het voorgaande en op de toelichting op het middel, die in het bijzonder is toegespitst op de inzet van een criminele burgerinfiltrant, begrijp ik het middel zo dat het klaagt over het oordeel van het hof dat
i)het openbaar ministerie bij de toepassing van art. 126w Sv kon overgaan tot de inzet van een criminele burgerinfiltrant en dat
ii)bij de beslissing hieromtrent en de uitvoering daarvan het openbaar ministerie over discretionaire ruimte beschikt.
tweede middelklaagt over het oordeel van het hof dat bij de inzet van [codenaam 1] werd voldaan aan de eisen die gelden voor de inzet van een criminele burgerinfiltrant. Dit oordeel geeft volgens de steller van het middel blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is onbegrijpelijk, omdat het hof voor de inzet van een criminele burgerinfiltrant geen wezenlijk zwaardere eisen heeft gesteld dan ten aanzien van een niet-criminele burgerinfiltrant. Het enige verschil is het vereiste van de vooraf gegeven instemming van het College van procureurs-generaal en van de vooraf gegeven toestemming van de minister, terwijl het juist op deze punten in deze zaak mis is gegaan. Daarnaast wordt aangevoerd dat belangrijke onderdelen van de motivering van het oordeel van het hof dat de inzet van [codenaam 1] rechtmatig is geweest, niet zonder meer begrijpelijk zijn.
alvorenskan worden overgegaan de inzet van een (criminele) burgerinfiltrant;
gedurendede inzet van een criminele burgerinfiltrant (2.30) en
Inzake Opsporing. [5] Uit dit rapport volgt dat de commissie een drievoudige crisis in de opsporing heeft geconstateerd, namelijk ontbrekende normen, een niet goed functionerende organisatie en problemen in de gezagsverhouding. [6] Een van de vele aanbevelingen in dit rapport is om geen gebruik te maken van criminele burgerinfiltranten. Ik citeer uit het rapport:
alleen in zeer uitzonderlijke omstandighedenis toegestaan, aldus de minister. [17] Hierbij lijkt de minister aansluiting te hebben gezocht bij de in de MvT genoemde voorlopige uitgangspunten afkomstig van het College van procureurs-generaal. In dit verband wijs ik op de volgende passage in de nota naar aanleiding van het verslag:
inzetvan een criminele burgerinfiltrant en vereisten die gelden
gedurendehet infiltratietraject.
inzetvan een (criminele) burgerinfiltrant aan de volgende vier eisen moet worden voldaan. Hierbij heb ik ook de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden betrokken. Ik noem de eisen die hierin zijn opgenomen slechts als deze een aanvulling vormen op de eisen die voortvloeien uit de wettekst en wetsgeschiedenis.
dringend[
DP: mijn cursivering] vordert”. De subsidiariteitstoets is als het gaat om de inzet van een criminele burgerinfiltrant drieledig. Bij stap 1 van deze toets moet worden nagegaan of andere, minder ingrijpende, bijzondere opsporingsmethoden uitkomst kunnen bieden, voordat infiltratie kan worden ingezet. Bij stap 2 moet worden nagegaan of politionele infiltratie uitkomst biedt. Pas als dat niet het geval is, zal burgerinfiltratie mogen worden ingezet, zo volgt uit art. 126w lid 2 Sv. Stap 3 betreft de afweging tussen de inzet van de ‘gewone’ burgerinfiltrant en de criminele burgerinfiltrant. Hoewel de wettekst geen onderscheid maakt tussen beide vormen van infiltratie blijkt uit de hiervoor weergegeven totstandkomingsgeschiedenis van art. 126w Sv dat
crimineleburgerinfiltratie pas mag worden ingezet als inzet van een niet-criminele burgerinfiltrant niet mogelijk is. [43]
voordateen criminele burgerinfiltrant mag worden ingezet, verdient opmerking dat art. 126w Sv ook een aantal vereisten bevat die gelden tijdens de daadwerkelijke inzet van de criminele burgerinfiltrant. Zo volgt uit art. 126w lid 3 Sv dat een criminele burgerinfiltrant een persoon niet mag brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht (
Tallon-criterium). Daarnaast mag hij ingevolge art. 126w lid 6 Sv geen strafbare handelingen verrichten in het kader van zijn inzet, tenzij vooraf toestemming is gegeven door de officier van justitie. Art. 126w lid 7 Sv brengt mee dat de officier van justitie de uitvoering van de overeenkomst tot infiltratie beëindigt als niet meer wordt voldaan aan de in art. 126w lid 1 Sv genoemde voorwaarden. Tot slot, zo volgt aanvullend uit de Aanwijzing, moet ten behoeve van de betrouwbaarheid en stuurbaarheid van de criminele burgerinfiltrant deze altijd begeleid worden door een opgeleide begeleider van de afdeling Afgeschermde Operaties van de Landelijke Eenheid.
“De wet in formele zin.
Zoals hierboven overwogen, wordt in de tekst van de wet geen onderscheid gemaakt tussen criminele en niet criminele burgerinfiltranten. Bij de totstandkoming van de wettelijke bepaling is er ook aandacht geweest voor dit vraagstuk. In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat de wetgever zich bewust is van de bijzondere risico’s die met de inzet van burgers voor infiltratie gepaard gaan. In de memorie van toelichting is vervolgens opgenomen: “Met de inzet van infiltratie door criminele burgers zal nog terughoudender moeten worden omgegaan”. Dit betekent dat de inzet van criminele burgerinfiltranten nadrukkelijk is besproken en niet is uitgesloten. De Tweede Kamer heeft vervolgens de motie Kalsbeek aanvaard, zijnde een motie waarin wordt uitgesproken dat een verbod geldt voor de politie en het Openbaar Ministerie op het inzetten van criminele burgerinfiltranten. Het hof stelt vast dat de Tweede Kamer geen gebruik heeft gemaakt van het instrument van amendement. Dit heeft dus niet geleid tot een wijziging van de wet in die zin dat er een verbod op de inzet van een criminele burgerinfiltrant in de formele wet is opgenomen. De motie Kalsbeek heeft evenwel tot een rechtspraktijk geleid waarbij gedurende langere tijd geen gebruik werd gemaakt van de criminele burgerinfiltrant.
“Het College van procureurs-generaal stemt vooraf en schriftelijk in met een bevel als bedoeld in artikel 126ff, onderscheidenlijk een overeenkomst als bedoeld in de tweede afdeling van titel Va van het Eerste Boek en als bedoeld in artikel 126zu, een wijziging of een verlenging daarvan.”
“De rechtbank is van oordeel dat deze randvoorwaarde valt te vereenzelvigen met het in voornoemde bepaling(art. 126w Sv)
vervatte proportionaliteitsbeginsel. Behoudens aanwijzingen voor het tegendeel zullen bij de internationale drugshandel naar algemene ervaringsregels per definitie zware criminelen en criminele organisaties zijn betrokken. De rechtbank doelt daarbij in het bijzonder op de personen aan de top van de organisatie, dan wel de personen die het middenkader van de organisatie vormen. In het onderzoek Vidar is daarvan ook sprake geweest. (…) Het gaat in de zaak Vidar (…) om aanmerkelijke handelshoeveelheden harddrugs, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat de internationale handel in harddrugs de samenleving ernstig kan ontwrichten omdat achter die handel doorgaans een wereld van (grootschalige) georganiseerde en ondermijnende criminaliteit schuilgaat, waarbij het gebruik van (excessief) geweld niet geschuwd wordt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan deze randvoorwaarde is voldaan.”
“De rechtbank is van oordeel dat deze voorwaarde valt te vereenzelvigen met het in artikel 126w, tweede lid, Sv vervatte subsidiariteitsbeginsel. Aan deze subsidiariteitseis is reeds voldaan, zoals hierboven is toegelicht.”
“Dat de inzet van een criminele burgerinfiltrant moet plaatsvinden onder strikte voorwaarden blijkt reeds uit de wettelijke voorwaarden waaronder de inzet plaats mag vinden, maar ook uit de wijze waarop de infiltratie zal moeten worden uitgevoerd. De uitvoering zal geen afbreuk mogen doen aan de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing. In de Aanwijzing is ten behoeve daarvan opgenomen dat bij de inzet van een criminele burgerinfiltrant steeds bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de betrouwbaarheid en de stuurbaarheid van de in te zetten burger. De burgerinfiltrant zal dan ook altijd begeleid moeten worden door een opgeleide begeleider van de afdeling Afgeschermde Operaties van de Landelijke Eenheid.
“In de Aanwijzing wordt bij de zin "De inzet moet kortdurend zijn en er wordt geen gebruik gemaakt van groei-infiltranten" in een voetnoot expliciet verwezen naar een uitlating van Minister Opstelten hieromtrent ("Zie pag. 20, Kamerstukken II 2013/2014, 29 279, nr. 195"). De rechtbank leidt hieruit af dat het College daarmee tot uitdrukking brengt dat aan voornoemde voorwaarde de volgende uitleg gegeven dient te worden:Minister Opstelten: (...) Het tweede punt betreft het korte traject. Het gaat er daarbij niet alleen om dat het een kort traject in tijd is. Het gaat primair om het doel van de inzet. Het moet een direct te bereiken doel zijn, zonder te veel tussenstappen. Dat wordt er ook mee aangegeven. De inzet leidt direct tot het verzamelen van het benodigde bewijs, bijvoorbeeld over een drugsdeal. Het gaat om een eenmalige inzet. Dat is hierbij het punt. Dit staat tegenover de niet toegestane langere trajecten, waarin meerdere stadia worden doorlopen om het doel te bereiken. Ik noem als voorbeeld: eerst een kleine drugsdeal organiseren, dan een iets grotere en daarna de grote klapper waarmee de hoofddader in beeld komt. Dat kan dus niet. Dan heb je een groeitraject.
kortin elke zaak een andere betekenis zal hebben. Veeleer zal met burgerinfiltratie de nodige tijd gemoeid zijn. Een en ander zal mede worden bepaald door de concrete omstandigheden van de specifieke zaak. Al het voorgaande bezien heeft de rechtbank een juiste afweging gemaakt en volgt het hof de rechtbank in haar conclusie.
dat Minister Grapperhaus - zij het via een in beknoptheid uitblinkende brief - op 21 maart 2019 toestemming heeft verleend voor de inzet van criminele burgerinfiltrant in het onderzoek Vidar.
a. het misdrijf en indien bekend, de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de verdachte;
b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat sprake is van een verdenking van een misdrijf;
c. de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven, en
d. de geldigheidsduur van het bevel.
a. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de verdachte;
b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is;
c. de aard van de goederen, gegevens of diensten;
d. de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven, daaronder begrepen strafbaar gesteld handelen, en
e. het tijdstip waarop, of de periode waarbinnen aan het bevel uitvoering wordt gegeven.
Het doel van deze introductie is te komen tot:
- de pseudokoop van een hoeveelheid harddrugs en/of de pseudodienstverlening met betrekking tot handelingen die betrekking hebben op het bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, aanwezig hebben en/of vervaardigen van harddrugs;
- het winnen van vertrouwen van [medeverdachte 1] en
- het zicht krijgen op de vermoedelijke contacten van [medeverdachte 1] met kaderleden van de Hells Angels, charter Northcoast.
Voorts is in de overeenkomst opgenomen dat de burger bij de uitvoering van de bij deze overeenkomst overeengekomen bijstand aan de opsporing wordt begeleid door opsporingsambtenaren van het team Werken onder Dekmantel van de landelijke eenheid. Bij de uitvoering van deze overeenkomst heeft het team Werken onder Dekmantel van de landelijke eenheid - bij wijze van inspanningsverplichting/zorgplicht - voortdurend oog voor de veiligheid van Burger.
Voorts is in de overeenkomst opgenomen dat de burger recht heeft op een onkosten- en uurvergoeding als bedoeld in artikel 1 onder Pro h van de Circulaire bijzondere opsporingsgelden ten bedrage van € 50,- per uur bij de inzet.
- gezien de reacties van [medeverdachte 1] kan blijken dat hij zich bezighoudt met de handel in verdovende middelen en dat een burgerpseudokoop van harddrugs in de maak is.
- [codenaam 1] lijkt het vertrouwen van [medeverdachte 1] gewonnen te hebben en is bezig de getuige [codenaam 2] te introduceren.
- Uit de bij proces-verbaal van bevindingen vastgelegde ontmoeting, die [medeverdachte 1] met [codenaam 1] op 24 mei 2018 heeft gehad, blijkt dat [medeverdachte 1] met betrekking tot de handel in harddrugs niet zelfstandig kan handelen. Tijdens deze ontmoeting zegt [medeverdachte 1] dat hij overleg moet plegen met een derde persoon en mensen niet kan passeren.
- Na de tweede ontmoeting is de volgende dag contact met [verdachte] , vicepresident bij de Hells Angels North Coast te [plaats] .
- Bij de derde ontmoeting heeft [codenaam 1] [medeverdachte 1] met de buitenlandse [codenaam 2] laten kennismaken en is een vervolg hiervan op handen.
- Vrijwel direct na de derde geregisseerde ontmoeting op 5 juli 2018, rijdt [medeverdachte 1] naar de woning van [verdachte] in [plaats] .
- Op 30 juli 2018 is een spontane ontmoeting geweest tussen [medeverdachte 1] en [codenaam 1] . Tijdens deze ontmoeting is een afspraak gemaakt voor de volgende dag.
- Op 31 juli 2018 heeft een geregisseerde ontmoeting plaatsgevonden en daarbij zijn nadere plannen gemaakt voor de burgerpseudokoop door getuige [codenaam 2] . In de eerste week van september 2018 zal getuige [codenaam 2] weer naar Nederland komen om tot de pseudokoop te komen.
Er blijkt aldus dat een aanstaande burgerpseudokoop/-dienstverlening op handen is waar [codenaam 1] onderdeel vanuit maakt op grond waarvan wordt verzocht de overeenkomst met [codenaam 1] te verlengen. Uit het dossier blijkt dat de overeenkomst op 15 augustus 2018 is verlengd voor de duur van 12 weken en eindigt op 15 november 2018.
- Op donderdag 30 augustus 2018 werd namens de WOD door [codenaam 1] de afspraak gemaakt om op dinsdag 4 september 2018 tot een pseudokoop van één kilo cocaïne door de buitenlandse [codenaam 2] te komen.
- Op dinsdag 4 september 2018 heeft een geregisseerde ontmoeting plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1] met [codenaam 1] en [codenaam 2] , waarbij het voornemen was om tot de pseudokoop te komen, hetgeen uiteindelijk niet is geslaagd.
- Op maandag 10 september 2018 heeft een gesprek plaats gevonden tussen [medeverdachte 1] en [codenaam 1] . Hierin is besproken dat in oktober 2018 een vervolg zal komen van de vertrouwens-pseudokoop van 1 kilo cocaïne door [codenaam 2] .
- Op woensdag 10 oktober 2018 heeft getuige [codenaam 1] een geregisseerde ontmoeting gehad met [medeverdachte 1] . Hierbij is door [codenaam 1] een bestelling gedaan van 100 gram cocaïne en één kilogram speed. Deze harddrugs zijn maandag 15 oktober 2018 in een geregisseerde ontmoeting, door tussenkomst van [codenaam 1] , aan [codenaam 2] geleverd door [medeverdachte 1] .
- Door de WOD zal voor [codenaam 1] en [codenaam 2] een geregisseerde ontmoeting worden gepland in november 2018, waarbij een grotere hoeveelheid harddrugs bij [medeverdachte 1] zal worden besteld.
Bij de eerste ontmoeting(-en) tussen [medeverdachte 1] en [codenaam 2] zal [codenaam 1] aanwezig zijn. Onduidelijk is of de vertrouwensband tussen [codenaam 2] en [medeverdachte 1] op korte termijn van die mate is, dat [codenaam 1] het contact met [medeverdachte 1] kan beëindigen. Daarmee heeft [codenaam 1] mogelijk een langduriger en meer stelselmatig contact met [medeverdachte 1] .
discretionaire ruimteheeft bij de beslissing tot inzet van een criminele burgerinfiltrant en gedurende die inzet, hetgeen – zolang wordt voldaan aan de hiervoor weergegeven wettelijke vereisten – rechtens juist is.
de factohanteren van een minder streng toetsingskader. Bovendien heeft het hof ook gemotiveerd waarom aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan. De begrijpelijkheid van deze oordelen komt hieronder nog aan bod. Hier volsta ik met de opmerking dat in de overwegingen van het hof dat de strafbare feiten waarmee de te infiltreren organisatie zich bezighield
voldoende ernstigwaren om de inzet van een criminele burgerinfiltrant te rechtvaardigen en dat in het oordeel dat
niet kon worden volstaanmet de inzet van een politionele dan wel niet-criminele burgerinfiltrant besloten ligt dat het hof zich er terdege van bewust was dat voor de inzet van een criminele burgerinfiltrant strengere eisen gelden dan voor de inzet van een niet-criminele burgerinfiltrant. Ook om deze reden faalt de klacht.
proportionaliteitstoetsmerk ik op dat het hof hierbij acht heeft geslagen op het feit dat een verdenking bestond dat leden van de Hells Angels, waaronder de verdachte, bij internationale handel in drugs waren betrokken, hetgeen een ernstig misdrijf is. In dit verband merk ik op dat het een feit van algemene bekendheid is dat (internationale) drugshandel zeer ontwrichtende gevolgen voor de samenleving kan hebben; ontvoeringen, levensdelicten, gijzelingen of aanslagen zijn in het kader van deze handel aan de orde van de dag. Verder heeft het hof er acht op geslagen dat de indringendheid waarmee de criminele burgerinfiltrant heeft geïnfiltreerd in de organisatie relatief beperkt is gebleven. Hij heeft voorzien in de bij de verdachten bestaande behoefte naar internationale contacten die harddrugs zouden willen afnemen of een rol zouden kunnen spelen bij de feitelijke uitvoer van drugs naar het buitenland. Het hof heeft hierbij ook betrokken dat de criminele burgerinfiltrant zich slechts in de buitenlaag van het middenkader van de organisatie heeft bevonden en, nadat het traject met [medeverdachte 1] was doodgebloed, heeft opgetreden als tussenpersoon van [medeverdachte 2] (zijnde de
middle manvan de verdachte) en overwegend een ondersteunende rol heeft gehad, namelijk die van netwerker en vervoerder van drugs en geld op verzoek van [medeverdachte 2] . Tijdens besprekingen van de organisatie heeft de criminele burgerinfiltrant zich overwegend afzijdig gehouden; hij nam zelf geen belangrijke beslissingen. Deze motivering van de proportionaliteit van de infiltratie acht ik niet onbegrijpelijk. Het argument van de steller van het middel dat de duur van het traject (meer dan een jaar) maakt dat het oordeel van het hof dat de indringendheid waarmee is geïnfiltreerd relatief beperkt is gebleven onbegrijpelijk is, gaat niet op. De duur van het infiltratietraject alleen zegt immers weinig over de indringendheid daarvan. Ook het argument dat het ging om de voorbereiding van drugstransporten van betrekkelijk geringe hoeveelheden drugs en daarom geen sprake is van verdenking van een ernstig misdrijf die inzet van de infiltratie rechtvaardigt, volg ik niet. Het ging volgens het hof om een verdenking dat leden van de Hells Angels (waaronder de verdachte als prominent lid van charter North Coast) bij (grootschalige) internationale handel in harddrugs betrokken waren.
subsidiariteitstoetsmerk ik op dat het hof in dit verband heeft overwogen dat in de periode van mei 2018 tot 1 maart 2019 in het traject [medeverdachte 1] allerlei opsporingsbevoegdheden zijn ingezet, namelijk observatie, stelselmatige informatie-inwinning, opname van vertrouwelijke informatie en telecommunicatie, opvragen van historische verkeersgegevens en burgerpseudokoop/-dienstverlening, maar dat onvoldoende zicht is verkregen op de eventuele betrokkenheid van (leden van de) Hells Angels bij de internationale drugshandel, terwijl de resultaten van de voornoemde opsporingsbevoegdheden wel aanwijzingen gaven van die betrokkenheid. Dit kwam omdat [medeverdachte 1] en de verdachte (die lid was van de Hells Angels) hun communicatie op succesvolle wijze hebben weten af te schermen. Voor het vaststellen of uitsluiten van betrokkenheid van de Hells Angels was volgens het hof dus inzet van de criminele burgerinfiltrant nodig; een politionele infiltrant dan wel een niet-criminele burgerinfiltrant zou onvoldoende vertrouwen genieten in het criminele milieu van [plaats] om op korte termijn te kunnen infiltreren. Uit het voorgaande leid ik af dat het hof in feite de onder randnummer 2.27 door mij beschreven drieledige subsidiariteitstoets heeft toegepast en wat mij betreft op begrijpelijke wijze.
3.Het derde middel
C- De betrouwbaarheid van [codenaam 1]Standpunt van de verdedigingDoor de verdediging is aangevoerd dat de verklaringen van [codenaam 1] niet betrouwbaar zijn. Onder andere is aangevoerd dat [codenaam 1] vanwege de problemen die in hoger beroep zijn vastgesteld met betrekking tot zijn psychische gesteldheid niet betrouwbaar is. Ook de slechthorendheid van [codenaam 1] en dat hij vervolgens zelf invulling geeft aan wat hij wel of niet heeft gehoord, maakt dat zijn verklaringen niet betrouwbaar zijn. Daarnaast is het onduidelijk in hoeverre het eigen (financiële) belang van [codenaam 1] van invloed is op zijn gedragingen en verklaringen zodat ook om die reden [codenaam 1] niet betrouwbaar is. Ook is aangevoerd dat [codenaam 1] drugs heeft gebruik tijdens zijn inzet en daarbij is de vraag opgeworpen waarom dat niet in het procesdossier is vermeld.
In de mail wordt vermeld dat zij recentelijk van de officier van justitie Burgeroperaties bericht hebben ontvangen dat bij getuige [codenaam 1] zich een beginnende vasculaire dementie aan het manifesteren is. De diagnose is gesteld door een arts in het land waar [codenaam 1] verblijft en is daarom niet te delen met de proces-deelnemers omdat daaruit is af te leiden in welke land [codenaam 1] verblijft. Naar aanleiding van dit bericht hebben de advocaten-generaal de volgende vragen opgeworpen:
Interview begeleidende medewerkers politieEr zijn twee begeleidende politiemedewerkers aanwezig die informatie kunnen geven over het beloop van mogelijke cognitieve problemen. Een van de medewerkers kent onderzochte al sinds 2016 (start operatie), de tweede medewerker kent onderzochte ongeveer 2 jaar. (…) Meest opvallende verandering bij onderzochte was het horen van geluiden (bv. kloppen op de deur) en stemmen die er niet waren, waar hij soms heftig op kon reageren (bv. naar een bovenbuurman die hij geagiteerd aansprak en beschuldigde). Dit begon in 2017/2018 en deze later als ‘waanbeelden’ getypeerde verschijnselen namen in ernst toe. Sinds ongeveer een half jaar gebruikt hij medicatie, (antipsychotica, slaapmedicatie) en inmiddels zijn deze waanbeelden nagenoeg afwezig. Ook slaapt hij nu goed, wat lange tijd een probleem was. Onderzochte hoort al lange tijd slecht, ook spreekt hij onduidelijk, binnensmonds. (…) Volgens beide agenten is het geheugen normaal. (…) Onderzochte geeft aan geen geheugenproblemen te hebben. (…) Hij is erg opgelucht dat hij geen waanbeelden meer heeft. Hij had hier veel last van, vooral van de stemmen die altijd dreigend waren. Deze kwamen het meest voor in de nacht, vooral einde van de nacht. Hij heeft zich altijd wel achteraf gerealiseerd dat de dreigingen (bv. ‘we komen je zo halen’) niet echt waren. (…)
"Omdat betrokkene vaak wel non-verbaal adequaat reageert in het contact (oogcontact, knikken, bevestigen) ontstaat de indruk dat hij het nodige wel hoort en begrijpt. Maar dat is zeker niet het geval. Dit wordt nog eens versterkt door het feit dat onderzochte maar heel beperkt actief aangeeft iets niet helemaal te hebben begrepen of te hebben verstaan en vervolgens datgene doet of vertelt wat hij meent gehoord of begrepen te hebben. Dit kan tot misverstanden leiden en mogelijk zelfs de indruk wekken dat hij ‘verward’ overkomt door zijn niet passende antwoorden. Bij verhoor is het belangrijk bij onderzochte nadrukkelijk te verifiëren of hij de gestelde vragen voldoende heeft verstaan en begrepen, bijvoorbeeld door consequent de gestelde vragen door hem te laten herhalen."Op de vraag of deze beginnende aandoening (of een andere aandoening) aanwezig was tijdens de inzet van de getuige in het onderzoek Vidar of toen de getuige werd gehoord in eerste aanleg bij de rechter-commissaris heeft [betrokkene 10] geantwoord:
“Deze vraag is op basis van de huidige informatie niet goed te beantwoorden. De enige informatie waarover we nu beschikken is hetgeen de politiemedewerker die hem al kent sinds 2016 hierover meldt. Hij ziet geen veranderingen in (cognitief) functioneren tussen nu en 2016 en beoordeelt onderzochte als iemand die nu nog even ‘scherp’ is als in 2016. Hij heeft wel een tijdlang minder goed gefunctioneerd (met de eerste tekenen in 2017/2018) door het slechte slapen en het horen van stemmen, maar dit is met medicatie verholpen.”
De advocaten-generaal hebben naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting bij het hof, op verzoek van het hof, een aanvullend proces-verbaal laten opmaken. Uit dat proces-verbaal volgt dat de officier van justitie in mei 2018 niet bekend was met de mentale problemen van [codenaam 1] en dat hij in augustus 2023 door de advocaat-generaal is geïnformeerd dat sprake zou zijn van beginnende vasculaire dementie.
“Meest opvallende verandering bij onderzochte was het horen van geluiden (bv. kloppen op de deur) en stemmen die er niet waren, waar hij soms heftig op kon reageren (bv. naar een bovenbuurman die hij geagiteerd aansprak en beschuldigde). Dit begon in 2017/2018 en deze later als ‘waanbeelden’ getypeerde verschijnselen namen in ernst toe.”.
laterzijn getypeerd als waanbeelden. Als overwogen zijn de WOD-begeleiders [codenaam 8] , [codenaam 7] en [codenaam 9] in de zaken van beide medeverdachten [betrokkene 9] expliciet ondervraagd op de vraag of zij op de hoogte waren van psychische klachten bij [codenaam 1] . Deze verklaringen zijn in het dossier van verdachte gevoegd. Zij hebben die vragen concreet beantwoord en die beantwoording is inhoudelijk in overeenstemming met het nadien door de advocaten-generaal ingebrachte proces-verbaal. Die antwoorden kunnen bovendien passen in de door (wie dan ook) aan [betrokkene 10] gegeven achtergrondinformatie.
Het hof maakt daaruit op dat de reden voor [codenaam 1] om mee te doen was gelegen in de omstandigheid dat hij zich miskend voelde door het Leeuwarder criminele milieu omdat hij niet meer meedraaide zoals hij dat vroeger deed. Dat ongenoegen maakt op zichzelf de verklaringen van [codenaam 1] niet onbetrouwbaar. Het dossier biedt geen concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat het [codenaam 1] niet alleen zou hebben gebracht tot samenwerking met de politie maar ook tot het in strijd met de waarheid afleggen van belastende verklaringen. Daarbij komt dat uit het dossier niet blijkt dat [codenaam 1] specifiek ten opzichte van enige verdachte in het onderzoek Vidar gevoelens van miskenning of veronachtzaming had.
4.Het vierde middel
Standpunt van de verdediging