Uitspraak
1.Geding in cassatie
[betrokkene 2] :
3.Beslissing
9 april 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor medeplegen van hennepteelt en diefstal van elektriciteit in een woning te Utrecht. Het hof baseerde zijn oordeel mede op verklaringen van een medeverdachte die de verdachte belastten.
De raadsman van de verdachte voerde in hoger beroep aan dat deze verklaringen onbetrouwbaar waren en dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het daarvan was afgeweken. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet voldeed aan de motiveringsplicht zoals vereist in art. 359, tweede lid, tweede volzin Sv, omdat het hof slechts stelde dat het verweer werd weersproken door bewijsmiddelen zonder nadere onderbouwing.
Dit gebrek aan motivering leidt volgens art. 359, achtste lid Sv tot nietigheid van het arrest voor het betreffende onderdeel. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betreft en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. Het overige beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.