Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
3.Procesverloop
4.Bespreking van het cassatiemiddel
g. Zij[ [verweerster] , toev. hof]
deed het ten onrechte voorkomen alsof haar [echtgenoot] een vordering op haar heeft uit overbedeling bij voormelde wijziging van haar huwelijksregime in koude uitsluiting ad € 438.061,-, terwijl haar – zo voerde zij aan ter afwering van de vordering in de procedure – geen vermogensbestanddelen van enige waarde zouden zijn toebedeeld (in welk geval zij dus in ieder geval niet kan zijn overbedeeld). Indien haar, zoals zij stelt, inderdaad niets van enige waarde zou zijn toebedeeld, zou zij overigens een vordering hebben op [echtgenoot] vanwege overbedeling, en niet andersom”.
(...) dit was enkel een vermogen “op papier”. Na het faillissement van [echtgenoot] (uitgesproken op 30 januari 2013) heeft de curator van [echtgenoot] onderzocht, of het zinvol was om deze wijziging van de huwelijksvoorwaarden aan te tasten. De curator heeft hiervan afgezien, omdat de aan [verweerster] toegedeelde vermogensbestanddelen geen reële waarde hadden. Hetzelfde gold overigens voor de aan [echtgenoot] toegedeelde baten (met een nettowaarde van € 2.993.298,50). De onroerende zaken waren (over)verhypothekeerd terwijl (het aandeel van 40% in) de aandelen Nacoqudoca B.V. die voor een bedrag van € 2.833.755,20 waren gewaardeerd, in werkelijkheid een waarde nul hadden”. In een noot (‘noot 6’) bij dit verweer staat vervolgens:
Nacoqudoca was een “eigen” vennootschap van [echtgenoot] die per datum faillissement (en trouwens ook daarna) geen positieve maar een negatieve waarde vertegenwoordigde. Overigens zijn de aandelen in deze vennootschap nimmer door [echtgenoot] aan [verweerster] geleverd. Zij vielen dus in het faillissementsvermogen van [echtgenoot]”.
Zoals de A-G (terecht) overweegt, heeft de curator inderdaad onderzocht of en zo ja welke vermogensbestanddelen [verweerster] had verkregen als gevolg van de wijziging van de huwelijkse voorwaarden, waarbij hij tot de conclusie is gekomen dat deze slechts een negatieve waarde vertegenwoordigden”.
“Het hof verwerpt evenwel de stelling van Swanenberg dat deze overbedeling tegenstrijdig is met de stelling van [verweerster] in de bodemprocedure dat aan haar geen vermogensbestanddelen van enige waarde zijn toegekend.”, alsmede de volgende:
“Uit deze citaten blijkt naar het oordeel van het hof dat de overbedeling ‘op papier’ in 2011 en het standpunt van [verweerster] met betrekking tot de werkelijke waarde van de vermogensbestanddelen in 2013 (…) niet tegenstrijdig waren.”In deze overwegingen van het hof ligt echter besloten dat hof uiteindelijk wél de door Swanenberg benoemde tegenstelling heeft beoordeeld. Het hof heeft het immers over de overbedeling in 2011 (waarvan volgens het hof sprake is geweest) en dat is nu precies wat [verweerster] (mede) ten grondslag heeft gelegd aan haar WSNP-toelatingsverzoek, en waar Swanenberg een punt van maakt omdat volgens haar deze gestelde overbedeling niet valt te rijmen met het verweer van [verweerster] in de bodemprocedure dat aan haar geen vermogensbestanddelen van enige waarde zijn toegekend. In dit verband wijs ik op rov. 3.8, waarin het hof heeft overwogen:
“In het bijzonder het argument van de “onverenigbare” standpunten in de bodemprocedure enerzijds en het toelatingsverzoek anderzijds – als centraal staand in de verwijzingsuitspraak van de Hoge Raad naast de te hanteren gedragsmaatstaf en de te hanteren criteria -, is door het hof nader onderzocht en ondeugdelijk gebleken.”Ook uit deze overweging kan worden afgeleid dat het hof de juiste, door Swanenberg gepresenteerde tegenstelling voor ogen stond.
“ondanks het verdampen van de waardes”en over
“mede gelet op het tijdsverloop tussen die momenten en de aard van de vermogensbestanddelen”en is dus uitgegaan van een waardevermindering tot nul in de periode 2011-2013 (die dan voor rekening van [verweerster] komt in haar relatie tot [echtgenoot] ). [16] Daar loopt het spaak, omdat de stellingen van [verweerster] , aangehaald door het hof, niet (noodzakelijkerwijs) duiden op ‘verdamping’ van de waardes tussen 2011 en 2013. Die stellingen houden slechts in dat de in het faillissement van [echtgenoot] aangestelde curator in 2013 onderzoek heeft verricht en tot de conclusie kwam dat er, kort gezegd, toen geen waarde was. Die stellingen houden niet in dat er (volgens [verweerster] of de curator) in 2011 wél (echt) waarde was en dat die waarde vervolgens is ‘verdampt’. De stelling van [verweerster] ,
“De curator heeft hiervan afgezien, omdat de aan [verweerster] toegedeelde vermogensbestanddelen geen reële waarde hadden.”, lijkt juist in te houden dat er reeds in 2011 geen vermogensbestanddelen met een reële waarde aan [verweerster] zijn toebedeeld. Daar duidt immers het woord ‘reëel’ op.
subonderdeel 2fherhalen in essentie het thema van subonderdeel 2d. Het eerste subonderdeel is specifiek gericht op het oordeel van het hof dat de overbedelingsvordering (wel) onverkort is blijven bestaan. Volgens het onderdeel is dit oordeel onbegrijpelijk, omdat (i) [verweerster] in de bodemprocedure tot aan 19 december 2023 heeft gesteld dat geen van beide echtelieden vermogensbestanddelen van enige waarde kreeg toebedeeld, (ii) de curator er dan ook van heeft afgezien om de wijziging van de huwelijksvoorwaarden aan te tasten, en (iii) als, zoals [verweerster] gesteld heeft, de aandelen in Nacoqudoca B.V. niet aan haar zijn geleverd door [echtgenoot] , [verweerster] juist is onderbedeeld. Met betrekking tot het punt onder (iii) wijst het subonderdeel erop dat [verweerster] de schulden van deze vennootschap moest dragen.
Subonderdeel 2fklaagt dat het hof ongemotiveerd is voorbijgegaan aan de stelling van Swanenberg dat als de aandelen in Nacoqudoca B.V. inderdaad, zoals [verweerster] gesteld heeft, niets waard zouden zijn, [verweerster] dan een vordering zou hebben op [echtgenoot] . Volgens het subonderdeel had het hof op deze stelling moeten ingaan, aangezien dat van belang is voor de beoordeling van de goede trouw zijdens [verweerster] .
Nacoqudoca was een “eigen” vennootschap van [echtgenoot] die per datum faillissement (en trouwens ook daarna) geen positieve maar een negatieve waarde vertegenwoordigde. Overigens zijn de aandelen in deze vennootschap nimmer door [echtgenoot] aan [verweerster] geleverd. Zij vielen dus in het faillissementsvermogen van [echtgenoot] ”. Als echter de aandelen in Nacoqudoca B.V. nooit door [echtgenoot] aan [verweerster] zijn geleverd of niets waard waren, kan in zoverre niet gesproken worden van overbedeling van [verweerster] . [17]
“h. Zij [ [verweerster] , toevoeging hof] beriep zich in de procedure ten onrechte op waardeloosheid van de aandelen Nacodoqudoca, terwijl die volgens het (door het hof tot uitgangspunt genomen) publicatierapport over 2010 een waarde hadden van € 7.077.142,-”
“er is niets over van het bedrag dat mij destijds is toebedeeld’’) besloten ligt dat zij in 2011, bij de verdeling, wél vermogensbestanddelen van waarde toebedeeld heeft gekregen. Het hof heeft dienaangaande overwogen dat, anders dan Swanenberg heeft aangevoerd, waardeveranderingen van latere datum niet buiten beschouwing moeten blijven (
“voor zover het gaat om de weging in deze procedure van het gevoerde verweer door [verweerster] in de bodemprocedure”, aldus het hof) en dat [verweerster] in de bodemprocedure heeft gesteld dat de onroerende zaken onder water stonden en na de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap executoriaal zijn verkocht. [18] Ik acht dit oordeel van het hof onvoldoende begrijpelijk, omdat deze stelling van [verweerster] niet noodzakelijkerwijs inhoudt dat de woningen pas na de verdeling onder water zijn komen te staan. Stonden de woningen reeds ten tijde van de verdeling onder water, dan kan in zoverre geen sprake zijn geweest van overbedeling.
“a. Ter afwering van de vordering betwistte [verweerster] tegen beter weten in de echtheid van de leningsdocumentatie, ontkende zij haar eerder genoemde instemming ex art. 1:88 BW Pro, weersprak zij de overeengekomen hoofdelijkheid en verzette zij zich ten onrechte tegen gelijkstelling van haar en [echtgenoot] tegenover Swanenberg. Van deze onjuiste en onwaarachtige stellingen maakt [verweerster] in haar verzoekschrift geen melding”.
“e. [verweerster] wist toen zij ex art. 1:88 BW Pro met de hoofdelijkheid instemde de aanzienlijke schuld, als [echtgenoot] en zij daarop zouden worden aangesproken, nooit te zullen kunnen voldoen”.
“n. Ook ontkende [verweerster] ten onrechte en tegen beter weten in betrokkenheid van [echtgenoot] bij de geldleningen probeerde zij ten onrechte zijn betrokkenheid bij 2SQR af te zwakken”.Naar het oordeel van het hof is niet dan wel onvoldoende gebleken dat [verweerster] zelf daadwerkelijk betrokken is geweest bij de activiteiten van [echtgenoot] en [betrokkene 1] en feitelijk ook op de hoogte was van de in 2009 aan 2SQR verstrekte lening en alle omstandigheden daarom heen. De betrokkenheid van [echtgenoot] kan niet zonder meer één op één worden toegerekend aan [verweerster] of zonder meer als bij haar bekend worden aangemerkt, nu [verweerster] onweersproken heeft gesteld dat zij huisvrouw was en zich niet bemoeide met de onderneming van haar echtgenoot.
“De mededelingen zijn (…) aldus correct”) niet volgt uit hetgeen het hof daaraan voorafgaand heeft overwogen.
“q. Daarbij had Heusden Veste, anders dan [verweerster] , ter toelichting op haar toelatingsverzoek zou betogen, geen ondeugdelijke vordering. Haar (hoogst toewijsbare) vordering stuitte enkel af op voormelde omzetting van de algehele gemeenschap van goederen in koude uitsluiting, nu op basis van de uitspraak in de zaak ASR/Achmea (waarnaar de Hoge Raad ook in zijn arrest verwees), haar regresvordering op [verweerster] pas daarna ontstond, met haar aflossingen op de (door [echtgenoot] en [betrokkene 1] met instemming van [verweerster] voor Heusden Veste met Sondag gesloten) overeenkomst van geldlening”.
verworpen. Dat is echter niet het geval: heeft de Hoge Raad een bepaalde klacht onbesproken gelaten, dan betekent dit niet dat de Hoge Raad deze klacht heeft verworpen. [24]