Conclusie
1.Inleiding
2.Het middel
Nadere overweging
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor rijden onder invloed van cannabis met een taakstraf en voorwaardelijke hechtenis. In cassatie werd geklaagd over het oordeel van het hof dat het bloedmonster 'zo spoedig mogelijk' bij het laboratorium was bezorgd, zoals vereist in artikel 13 lid 1 onder Pro d van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer.
Het hof baseerde zich op een algemeen schrijven van een forensisch onderzoeker en een proces-verbaal van een verbalisant, waaruit bleek dat bloedmonsters sinds 2019 bij -20°C worden bewaard en vervoerd, waardoor afbraak van stoffen wordt voorkomen. Het hof concludeerde dat het risico op afbraak afwezig was en dat de verzending binnen 28 dagen plaatsvond, wat volgens eerdere rechtspraak als 'zo spoedig mogelijk' kan gelden.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof onvoldoende concrete vaststellingen heeft gedaan over de specifieke wijze van bewaren en vervoer van het bloedmonster van de verdachte, terwijl dit noodzakelijk is bij een tijdsverloop van 28 dagen. Hierdoor is het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.
Daarnaast merkt de Hoge Raad ambtshalve op dat de redelijke termijn is overschreden, maar dat dit geen gevolgen heeft vanwege de voorgestelde wijze van afdoening.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling wegens onvoldoende motivering over de bewaring en verzending van het bloedmonster.