Uitspraak
[woonplaats].
16 februari 1982.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de Procureur-Generaal tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam dat een vrijspraak bevestigde van een verdachte die werd verdacht van rijden onder invloed met een bloedalcoholgehalte van 1,39 promille. De kern van het geschil was of het bloedonderzoek, uitgevoerd met minder dan de voorgeschreven hoeveelheid van ongeveer 8 milliliter bloed, rechtsgeldig was volgens de Wegenverkeerswet en de Bloedproefbeschikking.
Het Hof had geoordeeld dat niet was gebleken dat de wettelijke voorschriften, met name artikel 4 lid 2 van Pro de Bloedproefbeschikking, waren nageleefd. Dit voorschrift geldt ook voor vrijwillige bloedproeven, waarbij de verdachte toestemming geeft nadat een opsporingsambtenaar daarom heeft gevraagd. De wet maakt geen onderscheid tussen vrijwillige en verplichte bloedproeven wat betreft de naleving van deze waarborgen.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof geen onjuiste opvatting had gegeven over de betekenis van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 26 van Pro de Wegenverkeerswet. De vrijspraak was daarom niet onrechtmatig en het cassatieberoep van de Procureur-Generaal werd niet-ontvankelijk verklaard. Hiermee werd bevestigd dat een bloedonderzoek met onvoldoende bloedafname bij een vrijwillige bloedproef niet voldoet aan de wettelijke waarborgen en dus niet als bewijs kan dienen.
De uitspraak benadrukt het belang van strikte naleving van wettelijke voorschriften bij bloedonderzoeken en bevestigt dat ook bij vrijwillige medewerking aan een bloedproef dezelfde waarborgen gelden als bij verplichte bloedproeven.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk en bevestigt de vrijspraak wegens onvoldoende bloedafname bij vrijwillige bloedproef.