Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
12 april 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd verdacht van het besturen van een voertuig onder invloed van cannabis en cocaïne, waarbij het bloedonderzoek volgens het hof niet voldeed aan de strikte waarborgen zoals bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW Pro 1994. Het hof sprak de verdachte vrij omdat het onderzoek niet als betrouwbaar werd beschouwd vanwege onduidelijkheden over het transport en de bewaring van het bloedmonster, dat naar een laboratorium in Duitsland werd gestuurd.
De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof dat het vervoer van bloed naar het buitenland automatisch leidt tot niet-naleving van strikte waarborgen onjuist is. Volgens de Hoge Raad kan een laboratorium in het buitenland, mits geaccrediteerd, het onderzoek uitvoeren zonder dat dit de strikte waarborgen doorbreekt. Wel bevestigt de Hoge Raad dat het voorschrift dat het bloedmonster zo spoedig mogelijk naar een geaccrediteerd laboratorium moet worden verzonden, nog steeds tot de strikte waarborgen behoort.
De Hoge Raad stelt dat de nieuwe werkwijze van bewaren en transporteren van bloed bij -20 °C het risico op bederf minimaliseert, maar dat dit niet betekent dat het voorschrift over spoedige verzending niet langer geldt. De niet-naleving van voorschriften die niet tot de strikte waarborgen behoren, zoals het vastleggen van ontvangstdata en de termijn van twee weken voor onderzoek, heeft geen directe gevolgen voor het bewijs van het onderzoek.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe beoordeling, waarbij het hof rekening moet houden met de juiste rechtsopvatting over de strikte waarborgen en het vervoer van bloed naar het buitenland.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onjuiste toepassing van strikte waarborgen bij bloedonderzoek.