ECLI:NL:PHR:2024:998

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 oktober 2024
Publicatiedatum
27 september 2024
Zaaknummer
22/02529
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 359 lid 2 SvArt. 81 lid 1 ROArt. 285 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over bewezenverklaring en strafoplegging bedreiging met verkrachting en doodsbedreiging

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden dat de verdachte veroordeelde voor bedreiging met verkrachting en met enig misdrijf tegen het leven gericht. De bewezenverklaring omvatte meerdere bedreigingen gericht aan twee betrokkenen, waaronder dreigementen met verkrachting en het laten verdwijnen van de slachtoffers. De verdachte betwistte het opzet en de inhoud van de bedreigingen, stelde dat de uitingen niet bedreigend waren en dat het een zakelijk geschil betrof.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof de bewezenverklaring en het opzet voldoende heeft gemotiveerd en dat het middel dat klaagt over een onjuiste maatstaf faalt. Wel is geoordeeld dat de strafoplegging onbegrijpelijk is gemotiveerd omdat het hof een onvoorwaardelijke taakstraf oplegde op grond van een verklaring van de verdachte die niet in het dossier is terug te vinden. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het de strafoplegging betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.

Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure is overschreden, maar gezien de aard en duur van de straf kan volstaan worden met een constatering daarvan. De Hoge Raad benadrukt dat de beoordeling van bewijs en opzet aan de feitenrechter is voorbehouden en dat het hof de straf opnieuw moet motiveren op basis van het dossier en de juiste feiten.

De zaak bevat uitgebreide bewijsvoering, waaronder verklaringen van de verdachte, aangiften van de slachtoffers, en proces-verbalen van politieambtenaren met opgenomen bedreigingen op voicemail en telefoongesprekken. De verdachte heeft in eerste aanleg een deel van de bedreigende uitingen erkend, maar ontkent het bedreigende karakter daarvan en de intentie om daadwerkelijk schade te berokkenen.

Uitkomst: Arrest van het hof vernietigd voor strafoplegging en terugverwezen voor hernieuwde berechting; bewezenverklaring en opzet bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02529
Zitting1 oktober 2024
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
Bij arrest van 4 juli 2022 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, het op 7 oktober 2020 door de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, tegen de verdachte gewezen vonnis bevestigd met uitzondering van de strafoplegging. Daarmee heeft het hof de verdachte voor bedreiging met verkrachting en met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien dagen, waarvan negen dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf voor de duur van twaalf uren subsidiair zes dagen hechtenis. Verder heeft het hof een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd zoals bepaald in het bestreden arrest.
1.2
Het cassatieberoep is op 8 juli 2022 ingesteld namens de verdachte. J.P.W. Temminck Tuinstra, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste middel wordt geklaagd over het bewezenverklaarde opzet. In het tweede middel wordt geklaagd over de strafoplegging.
1.3
De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing wat betreft de strafoplegging.

2.Het eerste middel

2.1
In het middel wordt geklaagd dat het hof, door de bewijsoverwegingen en bewijsmiddelen van de rechtbank zonder nadere motivering over te nemen, de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte geen opzet heeft gehad op de bedreiging, ontoereikend heeft gemotiveerd. Daarnaast wordt in het middel geklaagd dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd door niet te toetsen of het opzet van de verdachte was gericht op het veroorzaken van redelijke vrees bij zowel [betrokkene 2] als [betrokkene 1] .
2.2
Ten laste van de verdachte is in het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank bewezenverklaard dat hij:
“op meer tijdstippen in de periode van 14 september 2019 tot en met 11 oktober 2019 te [plaats] en/of te [plaats] , in elk geval in Nederland,
telkens [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft bedreigd met verkrachting en met enig misdrijf tegen het leven gericht,
immers heeft verdachte opzettelijk dreigend
- een bericht ingesproken op de voicemail van voornoemde [betrokkene 1] , inhoudende: “Kankerhomo, je bent nu op vakantie maar je kunt maar beter niet thuis komen! Je gaat hangen en ik laat je in je kont neuken!” en
- [betrokkene 2] telefonisch de woorden toegevoegd: “Ik zit hier op het politiebureau en ze hebben hier vingerafdrukken en foto's van mij gemaakt. Dat kost jou en [betrokkene 1] 30.000 euro extra als boete. Dat geldt ook voor jou, [betrokkene 2] , jij bent hier ook verantwoordelijk voor! Als ik het geld vanavond niet heb, maak ik jullie af. Dan laat ik jullie verdwijnen!” en
- [verbalisant 1] (hoofdagent van de politie Eenheid Midden-Nederland) de woorden toegevoegd: “Oh ja, dit wil ik jullie nog even zeggen. Ik ga vanavond naar [betrokkene 1] . Bellen jullie [betrokkene 1] maar dat ik er vanavond aankom. Zorg maar dat jullie maar voorbereid zijn. Hij gaat er vanavond aan” en
- [verbalisant 2] (brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland) de woorden toegevoegd: “Ik ga vanavond naar [betrokkene 1] en krijg mijn geld en anders laat ik hem wel verdwijnen” en “jullie moeten [betrokkene 1] maar waarschuwen en de politie moet klaar staan om in te grijpen” en “ik hoef jullie toch niets uit te leggen over Amsterdamse toestanden en zo, jullie lezen toch kranten?”
2.3
Het bewezenverklaarde berust op de volgende bewijsmiddelen: [1]

De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 23 september 2020:
Ik heb diverse malen de voicemail van [betrokkene 1] ingesproken en bepaalde uitlatingen gedaan, zoals “Ik laat je in de kont neuken”.
De aangifte van [betrokkene 1] van 27 september 2019:
“Ik woon in [plaats] en doe aangifte van bedreiging door een (ex)cliënt van mij. Ik ben eigenaar van een financieringsmaatschappij, genaamd [A] gevestigd op de [a-straat 1] te [plaats] , (...). In deze heb ik een zakelijk geschil met een cliënt van mij vanuit mijn werk bij [A] . (...) Hierdoor werd helaas de manier van communiceren van [verdachte] erg onplezierig en uiteindelijk zelfs bedreigend. Dit heeft zelfs zoveel impact op mij dat ik genoodzaakt ben om aangifte te doen van bedreiging. Deze meneer heeft een aantal voicemails ingesproken op mijn telefoonnummer (...). Deze voicemails geven mij aan dat deze meneer (...) mij bedreigt en beledigt. Ik herkende de stem ook direct als zijnde de stem van [verdachte] . Een fragment van de zaken die meneer vertelt door de voicemails zijn: Kankerhomo, je bent nu op vakantie maar je kunt maar beter niet thuis komen! Je gaat hangen en ik laat je in je kont neuken! of woorden van gelijke strekking. Ik zal alle voicemails die ik heb van deze meneer aan u overhandigen op een USB-stick zodat deze aan de aangifte kunnen worden toegevoegd. Ik voel mijzelf erg angstig in deze situatie. Dit heeft ook te maken met het feit dat deze meneer op de hoogte is van mijn woonadres, dat ik op vakantie was en de dreigementen richting mijn zakenpartner [betrokkene 2] . (...) Ik (...) acht deze meneer echt in staat om zijn woorden tot uitvoer te brengen. Ik ben ook in de dagen dat ik nu thuis alleen zou moeten werken bang voor een bezoek van deze manier of iemand anders namens hem.”
Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 10 oktober 2019:
“Ik deed onderzoek naar een bedreiging of bedreigingen die geuit zouden zijn. Van deze bedreigingen zouden mogelijk geluidsfragmenten zijn, in de vorm van ingesproken voicemailberichten. Bij de proces-verbalen zat een USB-stick gevoegd, waar de geluidsfragmenten op zouden staan. Nadat ik deze geluidsfragmenten op mijn telefoon laadde, speelde ik ze af en hoorde een man de volgende berichten:
(...)
14 september 2019 19:41 uur.
(...) Naam bestand: Pox2.mp3
“Hee homo, ik heb vernomen dat jij en je partner op vakantie zijn, maar ik kan je een ding garanderen: Als je jezelf lief hebt, blijf dan lekker op vakantie, want die overeenkomst die ik met [betrokkene 2] getekend heb, die is niet geldig, want er stonden ook een paar dingen in die jullie zouden als tegenprestatie en die komt niet voort. Dus als je jezelf lief hebt, blijf dan lekker op vakantie, want je hangt gewoon. Ja, ik laat je gewoon in je kont neuken, vuile vieze kankerhomo.”
Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 11 oktober 2019:“Ik, verbalisant, (...) hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, verklaar het volgende: Op vrijdag 11 oktober 2019 (...) was ik werkzaam voor de recherche van basisteam De Copen aan het politiebureau (...) te Woerden. Ik had samen met collega [verbalisant 2] een verdachtenverhoor afgenomen bij [verdachte] .
(...)
Vervolgens hoorde ik dat [verdachte] . een gesprek had met iemand aan de telefoon. Ik hoorde dat [verdachte] . zei “Ik zit hier op het politiebureau en ze hebben hier vingerafdrukken en foto's van mij gemaakt. Dat kost jou en [betrokkene 1] 30.000 euro extra als boete. Dat geldt ook voor jou, [betrokkene 2] , jij bent hier ook verantwoordelijk voor! Als ik het geld vanavond niet [AG: heb] maak ik jullie af. Dan laat ik jullie verdwijnen!”
(...)
Ik zag dat [verdachte] . na het tekenen van de aangifte zei: "Oh ja, dit wil ik jullie nog even zeggen. Ik ga vanavond naar [betrokkene 1] ! Bellen jullie [betrokkene 1] maar dat ik er vanavond aankom! Zorg maar dat jullie maar voorbereid zijn. Hij gaat er vanavond aan!”(...)
Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] van 11 oktober 2019:
“Ik, verbalisant, (...) brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland, verklaar het volgende: Op vrijdag 11 oktober 2019, werd de verdachte (...) [verdachte] , in het politiebureau te Woerden, gehoord over telefonische bedreigingen aan het adres van o.a. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . (...) Op enig moment zei [verdachte] : "Ik ga vanavond naar [betrokkene 1] en krijg mijn geld en anders laat ik hem wel verdwijnen, (...), hij voegde eraan toe dat we hem [betrokkene 1] maar moesten waarschuwen en de politie moest maar klaar staan om in te grijpen. (...) [verdachte] voegde er vervolgens aan toe: “ik hoef jullie toch niets uit te leggen over Amsterdamse toestanden en zo, jullie lezen toch kranten?”
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , heb op vrijdag 11 oktober 2019 (...) telefonisch contact gehad met [betrokkene 2] . Ik deelde hem mede, wie ik was en vroeg of hij vandaag 11 oktober 2019 telefonisch was bedreigd door [verdachte] . [betrokkene 2] bevestigde dit (...).”
De aangifte van [betrokkene 1] van 11 oktober 2019:
“Ik doe aangifte van bedreiging. (...) Op vrijdag 11 oktober 2019, omstreeks 19.30 uur, (...) belde uw collega [verbalisant 2] mij. (...) Ik hoorde dat [verbalisant 2] tegen mij zei dat [verdachte] had aangegeven dat hij [betrokkene 2] en mij, [betrokkene 1] , weg wilde maken. Dit was zeer beangstigend en gezien de voorgeschiedenis bestond bij mij de volle overtuiging dat [verdachte] deze bedreiging ten uitvoer zou brengen.(...).”
2.4
De door het hof bevestigde bewijsoverweging van de rechtbank houdt in:
“Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij in de periode van 14 september 2019 tot en met 11 oktober 2019 meerdere berichten heeft ingesproken op de voicemail van [betrokkene 1] , waaronder het bericht: “ik laat je in je kont neuken”. De verdachte heeft daarmee gedreigd met verkrachting.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte daarnaast [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in deze periode heeft bedreigd met de dood. Uit de bewijsmiddelen blijkt ook dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] daadwerkelijk van de diverse bedreigingen op de hoogte zijn geraakt.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bedreigingen van verdachte van dien aard en onder zodanige omstandigheden gedaan, dat in het algemeen de redelijke vrees kon ontstaan dat de misdrijven waarmee werd gedreigd ook zouden worden gepleegd. Dat [betrokkene 2] zich niet daadwerkelijk bedreigd zou hebben gevoeld, maakt dit niet anders. Niet vereist is namelijk dat de bedreiging in het concrete geval op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat er werkelijk vrees is opgewekt en de bedreigde zich in zijn vrijheid belemmerd achtte. Dat verdachte nooit de bedoeling zou hebben gehad om zijn bedreigingen ook daadwerkelijk ten uitvoer te leggen doet aan het oordeel dat sprake is van een bedreiging niet af, nu voor de beoordeling van de vraag of bovenbedoelde redelijke vrees kon ontstaan, niet is vereist dat het opzet van verdachte ook was gericht op het ten uitvoer brengen van zijn bedreigingen. [2]
2.5
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 juni 2022 houdt onder meer in:
“Verdachte verklaart, desgevraagd:
[…]
Ik heb niemand bedreigd en de straf klopt niet.
[…]
Het klopt dat sprake is van een zakelijk geschil en dat ik totaal gefrustreerd ben geraakt. Ik ben opgelicht!
[…]
Ik heb de tenlastegelegde woorden niet gesproken. Er liggen twee verklaringen van verbalisanten die beweren dat ik gebeld heb met [betrokkene 2] . Dat is gewoon niet waar. Ik heb gezegd: "die man stinkt uit zijn bek”. Ik was verbaasd dat ik opgepakt werd. Mij werd zelfs het plegen van gijzeling toegedicht.
[…]
Het verhaal klopt helemaal niet.
[…]
De raadsman van verdachte merkt op:
De discussie gaat voor de verdediging niet over het eerste gedachtestreepje in de tenlastelegging. Het gaat verdachte erom wat hij gezegd zou hebben op het politiebureau. Hij betwist de woorden te hebben gesproken, zoals opgenomen in het proces-verbaal. Zijn telefoon is in beslag genomen, maar nu blijkt dat er geen onderzoek naar die telefoon is gedaan. Verdachte heeft het gevoel dat de politie meer doet tegen hem en niets doet voor zijn aangifte.
[…]
De raadsman van verdachte pleit:
Primair verzoek ik u verdachte integraal vrij te spreken. Verdachte stelt dat hij de bewoordingen zoals onder het eerste gedachtestreepje wel heeft gezegd, maar dat ze niet bedreigend waren en niet als bedreigend waren bedoeld. Hetgeen onder de andere gedachtestreepjes is tenlastegelegd heeft hij niet gezegd.
Dit dossier geeft wel twijfel aan hetgeen de verbalisanten hebben geverbaliseerd.
Opmerkelijk is dat de telefoon van verdachte in beslag is genomen en er zou onderzoek zijn gedaan, zoals in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal staat vermeld. Nu blijkt dat dat niet het geval is.
Er is melding gemaakt van een mogelijke wederrechtelijk vrijheidsberoving. Maar als er vervolgens gebeld wordt met [betrokkene 2] dan geeft hij aan dat hij niet bedreigd was. Er zou alleen sprake zijn van een zakelijk geschil.
Mocht het hof toch vinden dat de uitingen zijn gedaan, dan vraag ik u toch om vrijspraak. Er moet worden gelet op de context waarbinnen de uitingen zijn gedaan. Ik verwijs naar een arrest van de Hoge Raad van 25 mei 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW6181). De context van de uitingen is hier dat verdachte te kampen had met frustratie, boosheid en gevoelens van onmacht. Als gekeken wordt naar het voicemailbericht, dan valt op dat verdachte probeert contact te krijgen. Hij gaat steeds een stapje verder en wordt steeds bozer en bozer. Dan is juridisch gezien geen sprake meer van een bedreiging.
Mocht het hof wel tot een veroordeling komen, dan vraag ik u een gevangenisstraf van niet meer dan de vier dagen voorarrest op te leggen.”
2.6
Voor zover in de toelichting op het middel wordt geklaagd dat de rechtbank de bewezenverklaring gelet op hetgeen door de verdediging in eerste aanleg is aangevoerd onbegrijpelijk en/of ontoereikend heeft gemotiveerd, faalt het. In een geval als het onderhavige waarin het hof het vonnis van de rechtbank wat betreft de bewezenverklaring en bewijsvoering heeft bevestigd, wordt in cassatie slechts getoetst of het oordeel van de rechtbank begrijpelijk en toereikend is gemotiveerd in het licht van hetgeen door of namens de verdachte in hoger beroep is aangevoerd.
2.7
Het hof heeft hetgeen door de verdediging is aangevoerd met betrekking tot het tenlastegelegde opzet kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv Pro. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. In zoverre is immers slechts aangevoerd dat de door de verdachte geuite woorden niet bedreigend waren en niet bedreigend waren bedoeld en dat het een zakelijk geschil betrof. Verder heeft het hof, anders dan de steller van het middel meent, de door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep gemaakte opmerkingen dat “moet worden gelet op de context waarbinnen de uitingen zijn gedaan”, en “dat verdachte te kampen had met frustratie, boosheid en gevoelens van onmacht” waardoor “juridisch gezien geen sprake meer is van een bedreiging” evenmin behoeven op te vatten als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat de verdachte geen opzet had op de bedreiging. Het middel faalt in zoverre.
2.8
Als bewijsmiddel is gebezigd de ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van de verdachte: “Ik heb diverse malen de voicemail van [betrokkene 1] ingesproken en bepaalde uitlatingen gedaan, zoals “Ik laat je in de kont neuken”.” In de toelichting op het middel wordt erop gewezen dat de verdachte tegelijkertijd heeft verklaard dat dit als grap bedoeld is en dat hij het niet bedreigend vindt overkomen en dat het hof geen, althans onvoldoende gewicht heeft toegekend aan deze nuancering.
2.9
Het middel faalt ook in zoverre omdat de verdachte deze nuancering blijkens de stukken van het geding in hoger beroep niet heeft herhaald en omdat evenmin in hoger beroep is aangevoerd dat de rechtbank gewicht had moeten toekennen aan deze nuancerende verklaring. Ten overvloede merk ik op dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter en dat deze beslissingen – behoudens bijzondere gevallen – niet behoeven te worden gemotiveerd [3] en dat daarover in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd. [4]
2.1
In het middel wordt voorts geklaagd dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd door niet te toetsen of het opzet van de verdachte was gericht op het veroorzaken van redelijke vrees bij zowel [betrokkene 2] als [betrokkene 1] .
2.11
Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met verkrachting is onder meer vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen en verkracht zou worden [5] en dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte daarop was gericht. [6]
2.12
In de toelichting op het middel wordt gesteld dat in de door het hof bevestigde bewijsoverweging van de rechtbank slechts van een gedeelte van het [hiervoor onder 2.11 weergegeven] beslissingskader van de Hoge Raad is uitgegaan, nu daarin niet, althans niet voldoende is meegewogen of het opzet van de verdachte erop was gericht dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen of verkracht zou worden. Door het opzet op de bedreiging buiten beschouwing te laten, is volgens de steller van het middel “een onjuiste maatstaf aangelegd”.
2.13
De steller van het middel veronderstelt dat, nu niet expliciet is overwogen dat “het opzet van de verdachte erop was gericht dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen of verkracht zou worden”, in de bewijsoverweging “het opzet op de bedreiging” buiten beschouwing is gebleven. De steller van het middel miskent daarmee dat de feitenrechter zijn oordeel dat (het tenlastegelegde opzet op) de bedreiging bewezen is, verantwoordt in de gebruikte bewijsmiddelen en dat geen rechtsregel vereist dat de feitenrechter dat oordeel nader toelicht in een bewijsoverweging. [7] Met andere woorden: uit het enkele ontbreken van een nadere bewijsoverweging over het bewezenverklaarde opzet kan niet worden afgeleid dat het hof het opzet “buiten beschouwing heeft gelaten”. In zoverre faalt het middel.
2.14
Uit de voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de feitenrechter heeft vastgesteld dat de verdachte de in de bewezenverklaring opgenomen woorden heeft geuit. Voorts heeft de feitenrechter geoordeeld dat de bedreigingen van dien aard en onder zodanige omstandigheden zijn gedaan, dat in het algemeen de redelijke vrees kon ontstaan dat de misdrijven waarmee werd gedreigd ook zouden worden gepleegd. Op grond van die vaststellingen is kennelijk geoordeeld dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de koop toenam dat zijn uitlatingen deze vrees konden opwekken [8] en dat hij daarmee voorwaardelijk opzet had op het ontstaan van deze vrees. Dit niet onbegrijpelijke oordeel behoeft geen nadere motivering. [9] Voor zover in de toelichting op het middel wordt geklaagd dat het oordeel van het hof “dat sprake is geweest van opzet zonder nadere motivering zonder meer niet begrijpelijk is”, faalt het dan ook.
2.15
Het middel faalt.

3.Het tweede middel

3.1
In het middel wordt geklaagd dat het hof het hof de strafoplegging onvoldoende met redenen heeft omkleed, omdat het hof niet begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom het een onvoorwaardelijke taakstraf heeft opgelegd, terwijl het hof uitdrukkelijk stelde een geldboete, naast een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, het meest passend te achten.
3.2
Het hof heeft de opgelegde taakstraf als volgt gemotiveerd:
“Het hof acht echter aangewezen dat de verdachte naast het reeds ondergane strafdeel daadwerkelijk wordt geconfronteerd met de gevolgen van zijn handelen. Hoewel een geldboete daarvoor naar het oordeel van het hof de meest passende sanctie is, ziet het hof daar in dit geval geen ruimte voor. De verdachte heeft in eerste aanleg immers verklaard dat hij een eventuele geldboete op een van zijn slachtoffers zal verhalen. Het hof zal daarom een onvoorwaardelijke taakstraf van 12 uren opleggen.”
3.3
Het hof heeft overwogen dat de verdachte in eerste aanleg heeft verklaard dat hij een eventuele geldboete op een van zijn slachtoffers zal verhalen. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat noch uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en hoger beroep, noch uit de pleitnotities van de raadsman bij deze zittingen, blijkt dat de verdachte dit heeft verklaard. Daardoor is de strafoplegging volgens de steller van het middel onbegrijpelijk gemotiveerd.
3.4
Inderdaad blijkt uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en de door de raadsman aldaar voorgedragen pleitnota niet dat de verdachte heeft verklaard dat hij een eventuele geldboete op een van zijn slachtoffers zal verhalen. [10] Nu het proces-verbaal de enige kenbron is van hetgeen ter terechtzitting is verklaard, [11] moet het ervoor worden gehouden dat hij dat aldaar niet heeft verklaard. Nu het hof zijn oordeel dat het een onvoorwaardelijke taakstraf zal opleggen uitsluitend heeft gegrond op een verklaring van de verdachte die niet is terug te vinden in de stukken van het geding, is de door het hof opgelegde taakstraf niet begrijpelijk gemotiveerd. In het middel wordt daarover terecht geklaagd.
3.5
Ik heb mij nog afgevraagd of de motivering van het hof niet toch voldoende zou zijn wanneer daarbij de strafmotivering van de rechtbank in aanmerking wordt genomen. Daarin staat:
“De houding en de opmerking van verdachte ter terechtzitting dat hij een eventueel op te leggen geldboete bij [betrokkene 1] zal ophalen, en de omstandigheid dat een oplossing voor het zakelijke geschil tussen partijen nog niet in zicht lijkt te zijn, vormen voor de rechtbank aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen alsmede de hierna genoemde vrijheidsbeperkende maatregel.”
Met de steller van het middel meen ik dat het hof de gewraakte verklaring van de verdachte kennelijk aan de bovenvermelde strafmotivering van de rechtbank heeft ontleend. De strafmotivering van de rechtbank is derhalve in zoverre eveneens onbegrijpelijk gemotiveerd. Zou gesteld kunnen worden dat, nu de verdediging deze onbegrijpelijkheid in hoger beroep aan de orde had kunnen stellen, in cassatie niet voor het eerst hierover kan worden geklaagd? Ik meen dat die stelling niet opgaat. Wanneer de Hoge Raad oordeelt dat een kwestie niet voor het eerst in cassatie aan de orde kan worden gesteld, is het argument daarbij doorgaans [12] dat de beoordeling van de gegrondheid van de klacht een feitelijk onderzoek vergt, waarvoor in cassatie geen plaats is. [13] In het onderhavige geval is voor die beoordeling echter geen feitelijk onderzoek vereist. De stukken spreken voor zich.
3.6
Het middel is terecht voorgesteld.

4.Slotsom

4.1
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO Pro gebaseerde motivering. Het tweede middel is terecht voorgesteld.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat sinds het instellen van het cassatieberoep op 8 juli 2022 tot aan deze conclusie al meer dan twee jaren zijn verstreken, zodat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro in cassatie is overschreden. De rechter naar wie de zaak zal worden teruggewezen of verwezen – of, wanneer dat niet het geval is, de Hoge Raad zelf – zal met deze overschrijding rekening dienen te houden. Gelet echter op de duur van de opgelegde gevangenisstraf en taakstraf en de aard van de opgelegde maatregel [14] kan worden volstaan met de constatering van die schending.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Met weglating van de gebruikte voetnoten.
2.Voetnoot rechtbank: “Hoge Raad 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1106”.
3.Vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5061,
4.Vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5061,
5.Vgl. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659,
6.Vgl. HR 17 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8252
7.Vgl. onder meer HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3630, rov. 2.4 en HR 9 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1892, rov. 4.3 en 4.4.
8.Vgl. A.J. Machielse in Noyon/Langemeijer/Remmelink, Strafrecht, commentaar op artikel 285 Sr Pro, aant. 6 Opzet (actueel t/m 10 januari 2022).
9.Vgl. HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3630, rov. 2.4.
10.Dat blijkt overigens evenmin uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep.
11.Vgl. HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993
12.Uitzonderingen daargelaten, denk bijvoorbeeld aan het in cassatie klagen over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop voorafgaand aan de bestreden uitspraak terwijl in hoger beroep een dergelijk verweer had kunnen worden gevoerd: HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1443, rov. 2.2.
13.Vgl. bijvoorbeeld HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2395,
14.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,