ECLI:NL:PHR:2024:986

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2024
Publicatiedatum
23 september 2024
Zaaknummer
22/02394
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 52 SvArt. 67 SvArt. 96b SvArt. 33a lid 1 sub c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling medeplegen poging diefstal met braak en verbeurdverklaring auto

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van poging tot diefstal met braak, waarbij het hof een gevangenisstraf van één maand oplegde en de auto waarmee het delict werd voorbereid verbeurd verklaarde. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, met klachten over de rechtmatigheid van de staande houding en doorzoeking van de auto, de motivering van de strafoplegging, de verbeurdverklaring van de auto en de overschrijding van de redelijke termijn.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht de staande houding als rechtmatig beschouwde en dat de onrechtmatige doorzoeking niet leidde tot bewijsuitsluiting omdat de onderzoeksresultaten niet als bewijs werden gebruikt. De klachten over de strafoplegging faalden, waarbij het hof voldoende rekening hield met de ernst van het feit, de persoon van de verdachte, de strafverzwarende omstandigheden en de waarde van de verbeurdverklaarde auto. De verbeurdverklaring van de auto werd als terecht beoordeeld omdat de auto werd gebruikt om bij het bedrijfspand te komen.

Hoewel de redelijke termijn in cassatie werd overschreden, leidde dit niet tot strafvermindering gezien de korte duur van de opgelegde straf. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof in alle punten.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot één maand gevangenisstraf en de verbeurdverklaring van de auto.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02394
Zitting24 september 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 24 juni 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem wegens "medeplegen van poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslist over in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 22/02393. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Namens de verdachte hebben J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat in Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
Het middel klaagt over de reactie van het hof op een art. 359a Sv-verweer en valt uiteen in twee deelklachten. Ten eerste klaagt het middel over het oordeel van het hof dat sprake was van een rechtmatige staande houding van de verdachte. Ten tweede wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat kon worden volstaan met de constatering dat sprake was van een onrechtmatige doorzoeking van de auto waar de verdachte zich in bevond.
2.2
De op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 juni 2022 door de raadsman overgelegde en voorgedragen pleitnota houdt voor zover hier van belang het volgende in:

Vrijspraak na bewijsuitsluiting wegens vormverzuimen
1. Gebleken is dat de auto waar cliënt in reed staande is gehouden op grond van het wetboek van Strafvordering.
2. Het uitoefenen van controlebevoegdheden a.b.i. art. 160, lid 1 en 4, WVW 1994 dient verband te houden met de naleving van de bij of krachtens de WVW 1994 gegeven voorschriften (vgl. NJ 1958/351).
3. Uit het pv van [verbalisant 2] blijkt niet dat dit gebeurd is. De inzittenden hebben zich geïdentificeerd (al dan niet desgevraagd). Dit is een handeling die bij staande houding hoort.
4. Voor staande houding (art 52 Sv Pro) is vereist dat uit de objectieve feiten en omstandigheden blijkt dat er een redelijk vermoeden is dat de verdachte zich schuldig maakte aan een strafbaar feit.
5. Op het moment van staande houding van de auto c.q. de inzittenden was niet meer bekend dan
a. dat een uur na de melding nabij de plaats waar volgens de melder verdachte gedragingen had waargenomen een witte auto op de openbare weg reed.
b. Dat het volgens de verbalisant ongebruikelijk was dat op dit uur van de nacht daar auto’s reden
c. En dat de auto een uur na de melding kwam uit de richting van waar een inbraak zou zijn gepleegd.
6. Naar mening van de verdediging is dit onvoldoende om een redelijk vermoeden van schuld aan te nemen; in het bijzonder ook vanwege het feit dat de [b-straat] een doorgaande weg is tussen de N408 en de [c-straat] . Zie dit plaatje:
[…]
7. Er is kort gezegd weinig bijzonders aan dat daar een auto rijdt; ook niet midden in de nacht. In ieder geval is dit onvoldoende voor een staande houding, anders zou elke auto die daar rijdt staande gehouden mogen worden.
8. Ik concludeer dat sprake is van een vormverzuim. Dit vormverzuim is onherstelbaar.
9. Rekening houdend met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, meen ik dat de resultaten van de staande houding van het bewijs moeten worden uitgesloten. Immers:
a. Het niet onderworpen worden aan een onderzoek van de politie zonder redelijk vermoeden van schuld is de basis van strafvordering en om die reden een belangrijk strafvorderlijk voorschrift.
b. Het is een ernstig verzuim als de politie zonder daartoe bevoegd te zijn personen aan een dwangmiddel gaat onderwerpen.
c. Cliënt heeft er nadeel door ondervonden. Hij heeft immers politie-onderzoek moeten tolereren zonder dat dit rechtmatig was.
Vormverzuim (ii)
10. Na de onrechtmatige staande houding gaat de politie vervolgens over tot een onrechtmatige doorzoeking van de auto.
11. Op grond van artikel 96b eerste lid Sv is de opsporingsambtenaar bevoegd, in geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv, een vervoermiddel te doorzoeken en zich daartoe de toegang tot dit vervoermiddel te verschaffen.
12. Zojuist heb ik er reeds op gewezen dat de staande houding niet rechtmatig was wegens onvoldoende vermoeden van schuld aan strafbaar feit.
13. Bij de staande houding zijn onvoldoende verdachte omstandigheden waargenomen die een doorzoeking rechtvaardigde.
14. Het feit dat cliënt stelt dat hij verkeerd is gereden en dat hij niet verplicht is antwoord te geven betekent niet dat er een verdenking tegen hem bestond op dat moment, mede in aanmerking genomen het feit dat het rijden aldaar onvoldoende is voor een staande houding.
15. Het doorzoeken van de auto zonder dat er een redelijk vermoeden van schuld bestond is een onherstelbaar vormverzuim.
16. Rekening houdend met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, meen ik dat de resultaten van de doorzoeking van het bewijs moeten worden uitgesloten, Immers:
a. Het niet onderworpen wórden aan een onderzoek van de politie zonder redelijk vermoeden van schuld is de basis van: strafvordering en om die reden een belangrijk strafvorderlijk voorschrift. Daar komt bij dat een dergelijke doorzoeking inbreuk maakt op het grondwettelijk beschermde recht op privacy.
b. Het is een ernstig verzuim als de politie zonder daartoe bevoegd te zijn auto's gaat doorzoeken.
c. Cliënt heeft er nadeel door ondervonden. Hij heeft immers politie-onderzoek moeten tolereren zonder dat dit rechtmatig was; hierdoor is een inbreuk gemaakt op zijn privacy.
17. Ik verzoek u aan beide vormverzuimen het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting te verbinden. Ik wijs u in dit verband op ECLI:NL:GHAMS:2021:1553.
[…]
19. Na bewijsuitsluiting van de resultaten van de staande houding en de doorzoeking is er onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring te komen. Reden waarom ik u verzoek cliënt vrij te spreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde.”
2.3
Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 juni 2022, houdt verder het volgende in:
“De raadsman voert het woord tot dupliek:
Uit de stukken blijkt niet dat het staande houden heeft plaatsgevonden op grond van de Wegenverkeerswet. Het ging om een doorgaande weg waar ze met hun auto reden. Er is niet gezegd hoe hoog de snelheid van de auto was. Er is enkel gezegd dat hij over de doorgaande weg reed. Dan was er geen reden om staande te houden op grond van het Wetboek van Strafvordering. Staande houden ter identificatie hoort bij de Wegenverkeerswet en niet bij het Wetboek van Strafvordering. De advocaat-generaal stelt dat als er al sprake is van een vormverzuim, dat dit geen nadeel oplevert voor mijn cliënt. Ik wil erop wijzen dat hij in zijn recht op privacy is geschaad: dat is een rechtens te respecteren belang. Ik wil het hof vragen om deze situatie kritisch te bekijken. Het staat u vrij om een andere uitspraak te wijzen dan volgens de lijn van de Hoge Raad. Het hof Amsterdam heeft daar geen moeite mee. Ik meen dat het gevolg van bewijsuitsluiting aan het vormverzuim moet worden verbonden. Als u daar niet in meegaat, moet het tot strafvermindering leiden.”
2.4
In het bestreden arrest heeft het hof het verweer als volgt samengevat en verworpen:

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van een onrechtmatige staande houding en dat er een onrechtmatige doorzoeking van de auto heeft plaatsgevonden, als gevolg waarvan er zich twee onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering hebben voorgedaan. Deze vormverzuimen moeten in de visie van de verdediging leiden tot bewijsuitsluiting en in lijn daarvan moet de verdachte integraal worden vrijgesproken.
[…]
Oordeel van het hof
Het hof overweegt met betrekking tot de gevoerde verweren het volgende.
Staande houding
Het hof stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op zondag 19 mei 2019 kreeg verbalisant [verbalisant 1] samen met haar collega’s rond 01:36 uur een melding om naar een adres aan de [a-straat] in Nieuwegein te gaan, omdat op dat moment gezien zou zijn dat er ingebroken werd. Het adres aan de [a-straat] te Nieuwegein is gelegen op een industrieterrein aan een rustige weg. Rond 01:47 uur hebben verschillende verbalisanten daar in de buurt een witte auto (Seat Ibiza) zien rijden. Verbalisant [verbalisant 2] verklaart daaromtrent het volgende:
"Ik had zicht op de achterzijde van het pand (
hof: het pand waarin kennelijk was ingebroken of getracht in te breken) en de [b-straat] . Een minuut later omstreeks 01:46 uur zag ik een wit voertuig vanaf [B] op de [b-straat] rijden in de richting van de [a-straat] . Ik ben direct achter dit voertuig aan gereden. Dit deed ik omdat er omstreeks dit tijdstip weinig tot geen voertuigen rijden die deze richting uitkomen en omdat je vanaf die richting aan de achterzijde van het bedrijventerrein kan komen waar de inbraak was gepleegd.”
Verbalisant [verbalisant 2] heeft naar aanleiding daarvan het voertuig met daarin drie personen staande gehouden. De inzittenden betroffen medeverdachte verdachte [medeverdachte] als bestuurder, [betrokkene 1] als bijrijder en verdachte die als passagier achterin de auto zat.
De hiervoor besproken omstandigheden samen maken dat de verbalisanten bevoegd waren om het voertuig staande te houden op grond van artikel 52 van Pro het Wetboek van Strafvordering, zodat de identiteit van de inzittenden gecontroleerd kon worden. Het verweer van de raadsman wordt dus verworpen.
Doorzoeking
Het hof overweegt dat vervoersmiddelen op grond van artikel 96b Sv ter inbeslagneming doorzocht kunnen worden. Daarbij is een redelijk vermoeden van schuld van de verdachte aan een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv vereist.
Met de raadsman is het hof van oordeel dat er geen redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit in de zin van het laatstgenoemde artikel bestond op het moment dat de auto in dit geval werd doorzocht. Dit maakt dat de doorzoeking onrechtmatig is geweest. Het hof volstaat echter met de constatering van dit vormverzuim, omdat de onderzoeksresultaten die als gevolg van de doorzoeking zijn verkregen, niet als bewijs worden gebezigd.”
De eerste deelklacht
2.5
De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de staande houding van de verdachte op grond van art. 52 Sv Pro niet onrechtmatig was, onbegrijpelijk is of getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
2.6
De raadsman heeft naar voren gebracht dat de staande houding van het voertuig waarin de verdachte zat niet rechtmatig was, omdat ten tijde daarvan geen sprake was een redelijk vermoeden dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit. De raadsman heeft bepleit dat aan dit onherstelbare vormverzuim het gevolg van bewijsuitsluiting moet worden verbonden om de volgende redenen:
­ Het niet onderworpen worden aan een onderzoek van de politie zonder redelijk vermoeden van schuld is de basis van strafvordering en is om die reden een belangrijk strafvorderlijk voorschrift.
­ Het is een ernstig verzuim als de politie zonder daartoe bevoegd te zijn personen aan een dwangmiddel gaat onderwerpen.
­ De verdachte heeft nadeel ondervonden, omdat hij politieonderzoek heeft moeten tolereren zonder dat dit rechtmatig was.
2.7
Het hof heeft dat wat de raadsman naar voren heeft gebracht in verband met de gestelde onrechtmatige staande houding opgevat als een verweer dat strekt tot bewijsuitsluiting op grond van art. 359a Sv. Dat verweer heeft het hof verworpen op grond van het oordeel dat de verbalisanten bevoegd waren om het voertuig waar de verdachte in zat, staande te houden op grond van art. 52 Sv Pro. Aan toetsing van dat oordeel kom ik niet toe, omdat de klacht reeds faalt bij gebrek aan belang. Dat heeft te maken met het volgende. Het verbinden van bewijsuitsluiting aan een vormverzuim is niet snel gerechtvaardigd. Bewijsuitsluiting kan ten eerste noodzakelijk zijn om een schending van art. 6 EVRM Pro te voorkomen. Indien sprake van een vormverzuim waarbij het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro niet (rechtstreeks) aan de orde is, geldt daarnaast als belangrijk uitgangspunt dat de omstandigheid dat de verkrijging van onderzoeksresultaten gepaard is gegaan met een vormverzuim niet eraan in de weg staat dat die resultaten voor het bewijs van het tenlastegelegde feit worden gebruikt. [1] Onder die omstandigheden vindt bewijsuitsluiting alleen plaats bij een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, indien bewijsuitsluiting noodzakelijk is als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. [2] Dat wat de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, kan gelet op het voorgaande niet tot het oordeel leiden dat bewijsuitsluiting moet worden verbonden aan het gestelde vormverzuim. Het hof had het verweer slechts kunnen verwerpen. [3]
2.8
De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
2.9
De tweede deelklacht houdt in de kern in dat het oordeel van het hof dat ondanks de onrechtmatige doorzoeking kon worden volstaan met de constatering van het vormverzuim ‘omdat de onderzoeksresultaten die als gevolg van de doorzoeking zijn verkregen niet als bewijs worden gebezigd’ van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en/of ontoereikend is gemotiveerd, omdat de verdediging het hof bij dupliek subsidiair heeft verzocht om als gevolg van de onrechtmatige doorzoeking van de auto tot strafvermindering over te gaan.
2.1
Het hof heeft dat wat de raadsman naar voren heeft gebracht in verband met de onrechtmatige doorzoeking van de auto opgevat als een verweer dat uitsluitend strekt tot bewijsuitsluiting en dus niet tot strafvermindering. Dat oordeel vind ik ook gelet op de hierboven weergegeven, door de steller van het middel aangehaalde, dupliek van de raadsman niet onbegrijpelijk. De raadsman heeft in dat kader immers slechts aangevoerd dat de onrechtmatige
staande houdingmoet leiden tot strafvermindering. De klacht mist daarmee feitelijke grondslag.
2.11
De tweede deelklacht faalt.
2.12
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

3.Het tweede middel

3.1
Het middel bevat ten eerste de klacht dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, en daarnaast de verbeurdverklaring van een personenauto met een waarde van € 13.289,-- (mede gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd) onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd. Ten tweede bevat het middel de klacht dat het hof is afgeweken van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt over de toepassing van art. 33c lid 2 Sr, zonder daarvoor in het bijzonder de redenen op te geven.
3.2
Ter terechtzitting in hoger beroep van 10 juni 2022 heeft de raadsman een pleitnota overlegd en voorgedragen. Deze pleitnota houdt voor zover hier van belang het volgende in:

Strafmaat
26. In het geval u het voorgaande niet volgt verzoek ik u bij de strafmaat rekening te houden met het feit dat er geen relevante recidive is en het een poging betreft. Daarnaast verzoek ik u in de strafmaat te verdisconteren dat cliënt reeds sinds mei 2019 niet over zijn auto heeft kunnen beschikken, bijna twee-en-een half jaar. Cliënt is hierdoor ernstig in zijn vrijheid geschaad. Hij heeft geen gebruik kunnen maken van zijn eigendom en heeft noodgedwongen het openbaar vervoer moeten nemen. Door de uitbraak van het corona-virus is openbaar vervoer steeds minder een goed alternatief geworden, waardoor het beslag en het laten voortduren ervan cliënt extra heeft gestraft. Het ging om een auto met bouwjaar 2014, die kort voor de inbeslagname was aangeschaft. Cliënt heeft niet het geld gehad om opnieuw een auto aan te schaffen, te meer nu hij in de hoop verkeerde dat de auto zou worden teruggegeven. Hier is ook herhaaldelijk omgevraagd. 27. Ik verzoek u hiermee rekening te houden.
Beslag
[…]
Strafmaat II
41. In het geval u het beslag op de auto niet opheft en geen teruggave gelast verzoek ik u bij de straf rekening te houden met het volgende.
42. Verbeurdverklaring is een vermogensstraf. Dat betekent dat de waarde van de auto als een geldboete moet worden gezien. De nieuwwaarde was in 2014 van deze auto € 37.205,-- (zie verstrekte informatie van kentekencheck). Een vergelijkbare auto als die van cliënt staat voor € 21.000,- te koop (zie de in eerste aanleg verstrekte informatie). Een dergelijk bedrag correspondeert met vervangende hechtenis van 135 dagen (zie LOVS omrekentabel) en 540 uur taakstraf. De auto is door het OM vervreemd voor een bedrag van € 7.795,50 te vermeerderen met wettelijke rente. Dit correspondeert met 75 dagen hechtenis en 300 uur taakstraf.
43. Gezien de verdenking, de LOVS-oriëntatiepunten en het ontbreken van relevante recidive is dit zeer buitenproportioneel. Het verzoek ik dan ook om tot een heel andere straf te komen in het geval van bewezenverklaring.
44. De politierechter heeft desgevraagd door de verdediging niet willen bepalen overeenkomstig art. 33c Sr dat de inmiddels vervreemde auto slechts voor een bepaald bedrag verbeurd verklaard wordt en dat voor het overige de waarde aan cliënt wordt terugbetaald (zie ECLI:NL:PHR:2016:606).
45. Naar mening van de verdediging is de opgelegde straf gelet op de getaxeerde waarde en vervreemde waarde van de auto buitenproportioneel en is de weigering van de politierechter om in plaats van (de waarde van) de hele auto verbeurd te verklaren een bepaald bedrag ervan rechtens onjuist. Reden waarom onder meer hoger beroep is aangetekend.
46. In hoger beroep is gevraagd nader onderzoek te verrichten naar de wijze waarop de auto voor vervreemding is getaxeerd en de prijs waarvoor deze is verkocht, in aanmerking nemende de voor de behandeling in eerste aanleg ingebrachte informatie waaruit blijkt dat de auto voor een hogere prijs is getaxeerd en verkocht en de politierechter de auto in zijn geheel verbeurd heeft verklaard. 47. In het kader hiervan heeft de verdediging ontvangen:
a. Een deel van een niet ondertekend taxatierapport, zonder naam van de taxateur. De auto wordt getaxeerd op 6 augustus 2019 getaxeerd op € 9.600,--. De taxateur heeft niet getekend dat het rapport naar waarheid is ingevuld.
b. Een document waarin staat dat de auto verkocht is voor € 7.795,50. Bijna 20 procent minder dan de taxatiewaarde. Dit wordt niet nader toegelicht. De gevraagde informatie wordt niet verstrekt "in verband met de AVG''. Deze verplichting volgt geenszins uit de AVG. Bij gebreke van wetenschap stelt de verdediging dat de waarde overeenkomstig is wat uit de rapportage Kentekencheck volgt.
c. De verdediging heeft voorts ingebracht informatie (rapportage kentekencheck) waaruit blijkt dat na de inbeslagname de auto driemaal van eigenaar is gewisseld; voor het eerst op 28 oktober 2019. Te zien is dat de auto in november 2019 voor € 15.245,- te koop stond. Deze informatie komt overeen met de website www.Finnik.nl. Een website die door politie, OM en rechtspraak als betrouwbaar wordt gekwalificeerd. Dat geldt ook voor de website kentekencheck.nl (Zie zie o.m. ECLI:NL:GHSHE:2020:4162; ECLI:NL:RBZWB:2020:2725).
48. Gelet op het feit dat het om een niet ondertekend incompleet taxatierapport gaat en het OM niet in aanloop naar de behandeling in eerste aanleg, maar ook niet naar aanleiding van de appelschriftuur enig onderzoek heeft verricht naar de opvallende verschillen en de verdediging foto's gekregen waaruit niet blijkt van (ernstige) schade, meen ik dat u uit dient te gaan primair van de waarde waarvoor de auto in november 2019 te koop stond; subsidiair van de taxatiewaarde opgenomen in het door de verdediging ingebrachte taxatierapport, te weten € 13.829,-.
49. Er is geen reden om uit te gaan van de in het beslagportaal opgenomen waarde, aangezien deze waarde niet terug te vinden is in de rapportage van kentekencheck.nl of finnik.nl. De waardeschatting van deze websites wordt door rechtspraak, politie en OM als betrouwbaar aangemerkt. In tal van dossiers wordt op basis van die websites onder meer bewijsconstructies ter zake witwassen onderbouwd. Zonder nader onderzoek valt niet in te zien waarom juist in deze zaak de taxaties van die websites er volledig naast zit. Aannemelijker is het wat mij betreft dat in het beslagportaal een verkeerde verkoopwaarde is opgenomen en dat het niet ondertekende taxatierapport onjuist is.
50. In het geval vastgesteld wordt dat de auto te laag getaxeerd is en voor een te lage prijs is verkocht kan dat ertoe leiden dat niet de opbrengst maar de waarde het richtsnoer voor de straf wordt (zie T&C art. 117 Sv Pro; HR 20 december 1940, NJ 1941, 365). Of dat niet de volledige waarde van de auto verbeurd verklaard wordt maar overeenkomstig art. 33c Sr een deel daarvan (vgl ECLI:NL:PHR:2016:606).
51. In dit verband merk ik op dat in het geval uitgegaan wordt van de waarde zoals opgenomen in de voor de behandeling in eerste aanleg ingebrachte informatie de door de politierechter opgelegde straf buitenproportioneel is. In aanmerking genomen dat cliënt geen relevante recidive heeft is een dergelijke straf niet aan de orde. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die afwijking van de LOVS rechtvaardigen. Er is niets bekend over de (omvang van de) schade en dus ook niet of deze hoger of lager ingeschat moet worden dan waar de LOVS vanuit gaat bij het oriëntatiepunt. Vaststaat wel dat het niet gaat om een situatie die extra laakbaar is vanwege de kwetsbaarheid van de slachtoffers.
52. Het enkele feit dat de auto (mogelijk) al vervreemd is, maakt dit niet anders. In dat geval dient er een verrekening plaats te vinden.”
3.3
Het bestreden arrest bevat de volgende strafmotivering:

Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij het bepalen van de op te leggen straf rekening te houden met het feit dat er geen relevante recidive is en dat het een poging betreft. Indien de inbeslaggenomen auto verbeurd wordt verklaard, moet dit ook meegewogen worden in de strafoplegging aangezien verbeurdverklaring een vermogensstraf is die verdachte hard treft.
Oordeel van het hof
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak in een bedrijfspand in Nieuwegein. Niet alleen leidt dit soort handelen tot schade, overlast en ergernis bij het gedupeerde bedrijf, ook zorgt het voor onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Het hof heeft in het kader van de straftoemeting gelet op het de verdachte betreffend uittreksel van de Justitiële Documentatie van 6 mei 2022, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Er is dus geen sprake van specifieke recidive en het feit is beperkt gebleven tot een poging, wat in beginsel maakt dat volgens de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS een taakstraf een passende straf zou zijn. Toch zijn er een aantal strafverzwarende factoren die maken dat het hof van oordeel is dat in dit geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd dient te worden. Zo hebben de verdachten het feit in vereniging gepleegd, heeft het feit zich midden in de nacht voorgedaan en is er schade aan het bedrijfspand ontstaan in de vorm van een gat in de muur.
Het hof houdt bij de strafoplegging verder nog rekening met de hierna te nemen beslissing met betrekking tot de inbeslaggenomen auto van verdachte en de aan die auto toe te kennen waarde.
Alles afwegend en gelet op de straf die aan de medeverdachte wordt opgelegd, acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Beslag
Standpunt van de verdediging
Standpunt met betrekking tot de auto en in het kader daarvan een voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het beslag ter zake van de inbeslaggenomen auto moet worden opgeheven en dat de vordering tot verbeurdverklaring moet worden afgewezen.
Indien het beslag niet wordt opgeheven en de teruggave van de auto niet wordt gelast, heeft de raadsman subsidiair verzocht om er bij de strafoplegging rekening mee te houden dat verbeurdverklaring een vermogensstraf is en is verzocht om tot een andere strafoplegging te komen. Daarbij dient dan uitgegaan te worden van de waarde waarvoor de auto in november 2019 te koop heeft gestaan, dan wel van de door de verdediging ingebrachte taxatiewaarde van € 13.289,-.
[…]
Oordeel van het hof
Beslissing ten aanzien van de auto
Het hof is van oordeel dat het bewezenverklaarde is begaan met behulp van de inbeslaggenomen en niet teruggegeven auto van verdachte, te weten de witte Seat Ibiza (met [kenteken] ). Aangezien de verdachten met behulp van de auto bij het bedrijfspand zijn gekomen, is het voorwerp dus op zichzelf vatbaar voor verbeurdverklaring en het hof zal daartoe dan ook overgaan. Daarbij is rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
Met betrekking tot de waarde van de auto overweegt het hof nog in het bijzonder dat er op zichzelf geen reden bestaat om te twijfelen aan het taxatierapport van 6 augustus 2019, maar gelet op de stelling van de verdediging en op grond van proceseconomische redenen zal het hof wel uitgaan van de door de verdediging gestelde waarde.”
3.4
Bij de beoordeling van het middel neem ik de volgende overwegingen van de Hoge Raad als uitgangspunt:
“3.4 In het Nederlandse strafrecht geldt dat de rechter die de zaak behandelt en op basis daarvan over de feiten oordeelt (hierna: de feitenrechter), beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Dat wil zeggen dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing.
3.5.1
In artikel 359 leden Pro 5 en 6 Sv zijn enkele motiveringsvoorschriften neergelegd die de rechter ambtshalve bij de oplegging van een straf in acht moet nemen. Het in artikel 359 lid 2 Sv Pro neergelegde motiveringsvoorschrift heeft daarnaast zelfstandige betekenis. Dit voorschrift brengt met zich dat de rechter zijn beslissing over de strafoplegging nader moet motiveren als die beslissing afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging of het openbaar ministerie.
3.5.2
De onder 3.4 genoemde straftoemetingsvrijheid stelt de feitenrechter in staat om bij de beslissing over de oplegging van straf zoals bedoeld in artikel 350 Sv Pro, te komen tot een strafoplegging die is afgestemd op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de persoon van de verdachte en alle overige betrokken belangen. De grote vrijheid die de feitenrechter bij deze beslissing heeft, brengt ook de verantwoordelijkheid van de feitenrechter mee om – met het oog op de begrijpelijkheid en de aanvaardbaarheid van de strafoplegging en mede in reactie op wat ter terechtzitting naar voren is gebracht over de strafoplegging – inzicht te bieden in de beweegredenen die in het concrete geval hebben geleid tot de opgelegde straf. In de feitenrechtspraak bestaat – gelet op diverse initiatieven die daartoe zijn ondernomen – in algemene zin ook ruim aandacht voor het belang van een behoorlijke strafmotivering.
3.5.3
Aan de rechtspraak van de Hoge Raad ligt ten grondslag dat de verantwoordelijkheid voor de inhoud en de motivering van de straftoemeting in het concrete geval in belangrijke mate bij de feitenrechter ligt. De Hoge Raad stelt zich daarom als cassatierechter terughoudend op bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing over de straftoemeting toereikend is.
3.5.4
Waar het gaat om de motiveringsverplichting van de tweede volzin van artikel 359 lid 2 Sv Pro past de hiervoor genoemde terughoudendheid van de Hoge Raad als cassatierechter bij de eisen die in de rechtspraak van de Hoge Raad in het algemeen worden gesteld aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en de invulling van de responsieplicht van de rechter als hij afwijkt van zo’n standpunt. Van belang hierbij is in het bijzonder het arrest van 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130. Zo levert een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op. Dat geldt ook voor de enkele opsomming van factoren die bij de strafoplegging in de zaak van de verdachte een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf.
Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan wel sprake zijn als het gaat om een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom – gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan – een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de rechter daarvan juist zou moeten afzien. De rechter moet dan op grond van artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt. In zo’n geval gaat het bij de controle in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf.” [4]
3.5
De raadsman heeft, zoals samengevat door het hof, verzocht om bij het bepalen van de op te leggen straf rekening te houden met het feit dat er geen relevante recidive is en dat het een poging betreft. Volgens de raadsman zou verder een eventuele verbeurdverklaring van de auto mee moeten worden gewogen in de strafoplegging, omdat de verbeurdverklaring een vermogensstraf is die verdachte hard treft. [5] Ook heeft de raadsman opgemerkt dat in het geval uitgegaan wordt van de waarde zoals opgenomen in de door de verdediging ingebrachte informatie (€ 15.245 of € 13.829) de door de politierechter opgelegde taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, in combinatie met de verbeurdverklaring buitenproportioneel is.
3.6
Het hof heeft aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van één maand opgelegd en daarnaast de inbeslaggenomen, en nog niet teruggegeven auto van de verdachte verbeurd verklaard. Daarbij is het hof uitgegaan van de door de verdediging ingebrachte taxatiewaarde van de auto, te weten € 13.289,-. In het kader van de oplegging van de gevangenisstraf heeft het hof aandacht besteed aan de ernst van het feit. Het hof noemt verder dat in beginsel volgens de oriëntatiepunten voor de omstandigheden in deze zaak (een poging en geen specifieke recidive) een taakstraf een passende straf zou zijn. [6] Vervolgens overweegt het hof dat in deze zaak strafverzwarende factoren spelen, die maken dat het hof in dit geval de oplegging van een onvoorwaardelijk gevangenisstraf aangewezen acht: “Zo hebben de verdachten het feit in vereniging gepleegd, heeft het feit zich midden in de nacht voorgedaan en is er schade aan het bedrijfspand ontstaan in de vorm van een gat in de muur.” Tot slot merkt het hof op dat (zo begrijp ik) voor wat betreft de op te leggen hoofdstraf in strafverminderende zin rekening is gehouden met de beslissing tot verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen auto van de verdachte en de aan die auto toe te kennen waarde.
3.7
Het hof heeft op grond van zijn waardering van de ernst van het feit, in het bijzonder in het licht van de genoemde strafverzwarende omstandigheden, en rekening houdende met de beslissing tot verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen auto van de verdachte en de daaraan toe te kennen waarde, een gevangenisstraf voor de duur van één maand passend en geboden gevonden. Dat vind ik gegeven de motivering van het hof niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van het aangehaalde oriëntatiepunt. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt van denken voor de op te leggen straf en het hof heeft toegelicht waarom het een zwaardere straf(soort) dan genoemd in het oriëntatiepunt aangewezen vond. [7] De strafoplegging wordt ook niet onbegrijpelijk door de verbeurdverklaring van de onder de verdachte inbeslaggenomen auto met behulp waarvan de verdachten bij het bedrijfspand zijn gekomen. Die auto was in verband daarmee vatbaar voor verbeurdverklaring en het hof heeft – zoals al opgemerkt – bij de oplegging van de gevangenisstraf rekening gehouden met de aan die auto toegekende waarde. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de duur van de op te leggen gevangenisstraf zonder die verbeurdverklaring langer zou zijn geweest en dat de strafoplegging als geheel in verhouding staat tot de ernst van het feit. In aanmerking genomen de straftoemetingsvrijheid van de feitenrechter, was het hof al met al niet tot een nadere motivering gehouden. [8]
3.8
Het middel bevat verder nog de klacht dat het hof is afgeweken van een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de toepassing van art. 33c lid 2 Sr, zonder daarvoor in het bijzonder de redenen op te geven. Voor zover, gelet op hetgeen door de verdediging bij gelegenheid van pleidooi is aangevoerd, al sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, faalt de klacht vanwege het volgende. Het hof heeft bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf uitdrukkelijk rekening gehouden met de verbeurdverklaring van de auto en de waarde daarvan. Daarin ligt besloten dat het hof via die weg heeft willen voorkomen dat de verdachte door de verbeurdverklaring van de auto onevenredig zou worden getroffen en was een vergoeding of geldelijke tegemoetkoming als bedoeld in art. 33c lid 2 Sv niet aan de orde.
3.9
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4.Het derde middel

4.1
Dit middel klaagt over de verbeurdverklaring van de auto van de verdachte. In het bijzonder klaagt het middel dat het oordeel van het hof dat het bewezenverklaarde feit is begaan met behulp van de auto getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.
4.2
Zoals hierboven weergegeven, heeft het hof overwogen dat de auto vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat de verdachten met behulp van de auto bij het bedrijfspand zijn gekomen. Met deze overweging heeft het hof de verbeurdverklaring laten steunen op art. 33a lid 1 sub c Sr, dat inhoudt dat voorwerpen met behulp waarvan het delict is begaan of voorbereid vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. In de onderhavige situatie is (zo blijkt uit de bewijsvoering van het hof) ’s nachts op een bedrijventerrein een poging tot inbraak gepleegd. De verbeurdverklaarde auto is volgens het hof door de verdachten gebruikt om bij het bedrijfspand te komen. De verdachten zijn na het delict staande gehouden toen zij in de auto in de buurt van het bedrijfspand reden. [9] Onder die omstandigheden is het kennelijke oordeel van het hof dat het medeplegen van de poging diefstal met braak is voorbereid of begaan met behulp van de auto niet onbegrijpelijk en getuigt het ook niet van een onjuiste rechtsopvatting. [10]
4.3
Het middel faalt.

5.Het vierde middel

5.1
Het middel bevat de klacht dat de berechting van de verdachte in cassatie niet binnen de redelijke termijn heeft plaatsgevonden, omdat de inzendtermijn is overschreden.
5.2
Namens de verdachte is op 30 juni 2022 beroep in cassatie ingesteld en de stukken van het geding zijn op 13 december 2023 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De termijn voor inzending van de stukken van 8 maanden is daarmee overschreden en kan niet meer worden gecompenseerd door een bijzonder voortvarende behandeling van het cassatieberoep. Het middel is dus terecht voorgesteld. Gelet op de duur van de opgelegde gevangenisstraf leidt deze overschrijding evenwel niet tot strafvermindering. [11] De Hoge Raad kan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

6.Slotsom

6.1
De eerste drie middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het vierde middel is terecht voorgesteld, maar leidt niet tot strafvermindering.
6.2
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven. Wel merk ik op dat namens de verdachte op 30 juni 2022 beroep in cassatie is ingesteld. De Hoge Raad zal daarmee uitspraak doen nadat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Gelet op de duur van de opgelegde gevangenisstraf en de te verwachten mate van overschrijding van de redelijke termijn zal de Hoge Raad (opnieuw) kunnen volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [12]
6.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889,
2.HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889,
3.Vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1388. Vgl. ook de conclusie van (toenmalig) AG Bleichrodt van 12 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:388, onder 6 (HR: 81.1 RO) en de jurisprudentie genoemd in de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee van 20 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:605, onder voetnoot 15.
4.HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975,
5.Ik merk hierbij terzijde op dat de raadsman zich voor wat betreft de opmerking dat de vervreemdingswaarde van de auto “correspondeert met 75 dagen hechtenis en 300 uur taakstraf” kennelijk beroept op de tabel in de ‘Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken’ waarin afspraken zijn neergelegd voor het bepalen van de vervangende hechtenis bij een geldboete (art. 24c Sr). In die tabel is niet vastgelegd op welke wijze vrijheidsbenemende straffen qua zwaarte corresponderen met geldboetes.
6.Zie de ‘Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken’ van juli 2024 van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, zoals gepubliceerd op de site van de Rechtspraak.
7.Vgl. HR 31 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:11,
8.Recent plaatste mijn ambtgenoot Frielink een aantal kanttekeningen bij de straftoemetingspraktijk, bij de strafmotivering en bij de jurisprudentiële lijn die de Hoge Raad op dit terrein als cassatierechter hanteert (concl. van 9 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:404 onder 5). De Hoge Raad ging niet in op zijn uitnodiging tot een meer indringende toets van de strafmotivering (HR 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:900).
9.Daarmee is in deze zaak in mijn ogen een sterker verband tussen voorwerp en feit dan in de zaak waarop door de stellers van het middel wordt gewezen (HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:614). In die zaak was de verdachte veroordeeld voor telen van hennep, en had het hof een auto verbeurd verklaard die enkel was gebruikt om de kwekerij te bezoeken.
10.Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld van 1 juni 2021, ECLI:NL:PHR:2021:710, onder 4 (HR: 81.1 RO).
11.Zie HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.2 en HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
12.Zie HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.2 en HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,