Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.Beoordeling van de middelen
Middel I
BNB2013/152.
Parket bij de Hoge Raad
Belanghebbende exploiteert samen met een ander een coffeeshop in de vorm van een vennootschap onder firma. De Inspecteur heeft na diverse waarnemingen en een boekenonderzoek aanslagen en vergrijpboeten opgelegd wegens het niet volledig aangeven van inkomsten over de jaren 2011 tot en met 2016. De administratie van de coffeeshop was gebrekkig en oncontroleerbaar, wat het hof aanleiding gaf aan te nemen dat dit met opzet gebeurde om omzet en winst buiten het zicht van de Belastingdienst te houden.
De Rechtbank stelde dat de Inspecteur onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de aangiften onjuist waren, maar het Gerechtshof Den Haag oordeelde anders en matigde de boetes. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd op welke feiten en omstandigheden het de vereiste opzet baseerde en verwees de zaak terug naar het Hof Amsterdam.
Na verwijzing bevestigde het Hof Amsterdam dat de administratie dermate gebrekkig was dat alleen de conclusie gerechtvaardigd was dat belanghebbende bewust onjuiste aangiften deed. Het hof gebruikte niet-ontzenuwde bewijsvermoedens en verwierp de stelling dat het conform de instructies van controle-ambtenaren voeren van de administratie een contra-indicatie vormde.
Belanghebbende stelde in cassatie diverse middelen aan het oordeel van het hof, waaronder motiveringsklachten en betwistingen over de bewijsmaatstaf. De Procureur-Generaal concludeert dat het cassatieberoep ongegrond moet worden verklaard, omdat het hof de bewijsvoering en motivering voldoende heeft onderbouwd en de opzet overtuigend is aangetoond.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel dat belanghebbende opzet had bij het doen van onjuiste aangiften wordt bevestigd.