Conclusie
Inleiding
ewezenverklaring, bewijsvoering en bewijsverweer
verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 15 september 2021.
het hof begrijpt: geboren op [geboortedatum] 2017) thuis in [plaats] uitgekleed en ben toen met hem naar de badkamer gegaan. Ik heb de kraan opengedraaid - de warme kraan meer dan de koude in verband met het drukverschil - en heb [slachtoffer] in het badje onder de douche gezet.
het verhoor van de verdachtevan 9 juli 2019, dossierpagina’s 10113 tot en met 10212, in het bijzonder pagina 10193.
het hof begrijpt: nadat de verdachte hem 13 juni 2018 onder de douche vandaan had gehaald) heb je hem op de wasmachine gezet. En toen? Wat deed je daar?
het hof begrijpt: in [plaats]) kon als je de kraan net opendraaide, ineens heel erg warm worden. Maar als je eenmaal onder de douche stond en hij was op een goede temperatuur, dan bleef de temperatuur gelijk.
7.Beantwoording vraagstelling
6.Interpretatie
Standpunt van de verdediging
nietmeenemen in de hierna volgende overwegingen.
korte blootstellingaan heet water uit de douchekop op
twee afzonderlijke momentenen dat de verplaatsing van de straal van de locatie van de ene brandwond naar de locatie van een andere brandwond
niet heeft plaatsgevonden over het lichaam van [slachtoffer]. Deze conclusies zijn onverenigbaar met het scenario van de verdachte, waarin er immers sprake moet zijn geweest van een zodanig lage temperatuur (gelet op de grotere afstand tussen de douchekop en [slachtoffer] en het bijmengen door de verdachte van koud water) dat een
blootstelling van meerdere seconden nodigis om tweedegraads brandwonden te doen ontstaan, welk scenario volgens de deskundige niet past bij de vorm en begrenzing van de brandwonden (proces-verbaal ter terechtzitting van 15 september 2021, pag. 12). Ook het
ontbreken aan doorlooptussen de beide brandwonden past niet bij het scenario van de verdachte. De douchekop bevond zich volgens de verklaring van de verdachte immers op een vaste plek en de verplaatsing van de waterstraal zou daarom alleen veroorzaakt kunnen zijn door het bewegen van [slachtoffer] , waarbij aldus de deskundige een doorloop - of in ieder geval een ander patroon dan het huidige - van de brandwonden zou moeten zijn ontstaan.
Onderzoeksbevindingen t.a.v. 13 juni
4.BRANDWONDEN (FEIT 1)
inclusief het gedeelte waarop hij geen zicht had op [slachtoffer]zó onaannemelijk is, dat het niet anders kan dan dat [verdachte] hierover niet de waarheid verklaart. Volgens de verdediging - en de rechtbank - is daarvan geen sprake. Wat weten we uit het onderzoek?
Dat is inderdaad ook het beeld dat ik nog steeds heb. Hij stond in elkaar gekrompen, alsof hij geen kant op kon en keek mij aan.”De reacties van [verdachte] wijzen juist op oprecht betrokkenheid, spijt en schrik. Dat spreekt dus tegen de hypothesen van het OM.
5.Opzet en schuld
voorwaardelijke opzetbevat het dossier te weinig bewijs. Daarvoor moet namelijk sprake zijn van aanvaarding van de aanmerkelijke kans op een gevolg. Maar [verdachte] heeft helemaal nooit voorzien dat wat hij deed gevaarlijk was en mogelijk fout zou kunnen uitpakken. Het dossier bevat een aantal bewijsmiddelen waaruit volgt dat [verdachte] niet heeft voorzien, laat staan aanvaard, dat hij [slachtoffer] brandwonden zou kunnen toebrengen:
Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan
korte blootstellingaan heet water op twee
afzonderlijkemomenten. Daarbij komt dat blijkens de, door het hof overgenomen, bevindingen van deze deskundige er geen verplaatsing van de straal van de ene locatie naar de andere locatie (een doorloop) heeft plaatsgevonden over het lichaam van [slachtoffer] . Dit een en ander betekent niet alleen dat het water toen een hoge temperatuur moet hebben gehad, maar ook dat die twee afzonderlijke momenten niet kunnen zijn ontstaan door een beweging van [slachtoffer] . Ingeval van een beweging zou een doorloop van de brandwond op het lichaam van [slachtoffer] te zien moeten zijn geweest.
aanleidingis geweest tot het verrichten van nader forensisch-medisch onderzoek – rept het hof van het voegwoordelijk bijwoord
bovendien, en wat betreft het e-mailbericht van Karst gaat het om een weergave van diens
voorlopigeconclusie. De desbetreffende overwegingen moeten naar het mij toeschijnt worden geplaatst in het (mijns inziens geslaagde) streven van het hof om de uitvoerige motivering van zijn oordeel zo inzichtelijk mogelijk te maken door daarbij ook in chronologie een resumé te geven van het verloop van het forensisch-medisch (opsporings)onderzoek. In zijn tussenconclusie beperkt het hof zich echter tot de brandwonden en overweegt het dat, naar kan worden vastgesteld, de brandwonden zijn veroorzaakt door korte blootstelling aan heet water op twee afzonderlijke momenten en dat de verplaatsing van de straal niet heeft plaatsgevonden over het lichaam van [slachtoffer] . Dat ook ander letsel is vastgesteld, is noch voor die tussenbeslissing noch voor ’s hofs eindoordeel van betekenis geweest.
zwaar lichamelijk letselbewezen moet worden, berust de klacht op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft nadrukkelijk overwogen dat “de handelingen van de verdachte […] zozeer [zijn] gericht op het toebrengen van ernstige brandwonden bij [slachtoffer] , dat daaruit het opzet van de verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan worden afgeleid”. Verder wijs ik op de inhoud van hetgeen is bewezenverklaard (zie randnummer 3).
NJ2020/200, m.nt. Wolswijk zijn door de Hoge Raad regels gegeven voor de beantwoording van de vraag wanneer van zwaar lichamelijk letsel sprake is. Als algemene gezichtspunten kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Van zwaar lichamelijk letsel kan niet alleen sprake zijn indien het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, doch ook indien het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Voorts kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen. Relevant medisch ingrijpen kan bestaan uit operatief ingrijpen, maar ook uit een andere medische behandeling. De beantwoording van de vraag of letsel als "zwaar lichamelijk letsel" moet worden aangemerkt, is buiten de in het arrest aangeduide gevallen, in belangrijke mate voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Zijn oordeel dienaangaande kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Indien uit de bewijsvoering niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel, zal dat aanleiding kunnen geven tot cassatie.
Het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
10 Vordering benadeelde partij
NJ2019/379, m.nt. Vellinga over de vordering van de benadeelde partij heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen (de voetnoten zijn hier weggelaten): [6]
onder 1 primairbewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden” (cursivering van mij, A-G). De hierboven genoemde argumenten (3) en (4) kunnen reeds om die reden hier buiten beschouwing blijven.
Ambtshalve opmerking
Slotsom