Conclusie
eiseres tot cassatie in het principaal cassatieberoep,
verweerster in cassatie in het deels voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
eiseres tot cassatie in het deel voorwaardelijke incidenteel cassatieberoep
1.Inleiding en samenvatting
3.Procesverloop
De opzeggingsgrond in de franchiseovereenkomst
“indien van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd de onderhavige overeenkomst te laten voortduren.”Het hof stelt voorop dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, Haviltex).
Deze bedrijfseconomische en strategische argumenten zijn door Bentja gemotiveerd bestreden, maar hetgeen door Bentja in dit verband is aangevoerd, leidt er niet toe dat de opzegging niet rechtsgeldig is gedaan.
Het hof stelt hierbij voorop dat de rechter niet op de stoel van de ondernemer kan gaan zitten, in die zin dat de rechter dient te beoordelen of een andere keuze ook mogelijk was geweest. Aan de ondernemer komt immers een eigen beoordelingsruimte toe over hoe deze zijn organisatie wenst in te richten en welke strategie wordt gevoerd. De bedrijfseconomische en strategische argumenten van Leen Bakker voor opzegging dienen wel voldoende door haar aannemelijk te worden gemaakt. Het hof oordeelt dat dat het geval is op grond van het navolgende.
Goglio/SMQ, A-G], onder meer het volgende:
], rov. 3.6, HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4I63, NJ 2013/341 [Auping/Beverslaap,A-G
], rov. 3.5.1 en HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134, NJ 2016/450 [Pensioenfonds/Alcatel-Lucent,A-G
], rov. 4.4.2)
], rov. 4.4.2). (…)”.
7.De uitspraak
4.Inleiding
niet van rechtswege eindigend(hetgeen op een lijn is te stellen met een duurovereenkomst voor
onbepaalde tijdin vorenbedoelde zin), waarin voorzien is in een opzeggingsmogelijkheid voor de franchisegever.
Pensioenfonds/Alcatel-Lucent,al aangehaald. Het gaat dan bijvoorbeeld om omstandigheden die te maken hebben met een omschakelijking in de bedrijfsvoering of het terugverdienen van gedane investeringen [15] . De ratio hiervan is het geven van een mogelijkheid aan de wederpartij om haar bedrijfsvoering aan te passen aan de nieuwe situatie ten gevolge van de opzegging. Ook kan een beroep op zo’n bevoegdheid tot opzegging op grond van art. 6:248 lid 2 BW Pro onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid) [16] .
Goglio/SMQ(hiervoor geciteerd in 3.9), onder verwerping van incidentele grief 2 van franchisenemer.
5.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
onder 5maak ik op dat zij daaraan ten grondslag legt dat het hof hier de Haviltexmaatstaf niet zou hebben toegepast. Het hof heeft overwogen dat deze uitleg die franchisenemer aan het schriftelijke mededelingsvereiste uit art. 10 lid 3 wil Pro geven ‘verstrekkend’ is, maar zou niet kenbaar hebben onderzocht in het licht van de betrokken stellingen van partijen wat de gemeenschappelijke bedoeling van partijen hiermee is (art. 3:33 en Pro 3:35 BW). Verder klaagt de PI
onder 5dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd heeft miskend (art. 24 Rv Pro) aangezien franchisegever heeft erkend dat art. 10.3 haar opzeggingsvrijheid beperkt tot ‘omstandigheden waar de Franchisenemers mee bekend waren’ [25] .
ex tunc), (2) aan de bepaling dat de opzegging schriftelijk met redenen omkleed dient te zijn niet de door franchisenemer bepleite ‘verstrekkende’ (in de zin van: beperkende) betekenis toekomt, en (3) franchisenemer onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat deze bepaling zo moet worden uitgelegd. Dat dit geen Haviltex-onderzoek zou behelzen naar de partijbedoeling met dit beding, zie ik niet; dat lijkt mij bij uitstek wel het geval, zodat de Haviltexmaatstaf, die het hof ook voorop stelt in rov. 6.6, niet is miskend (in gelijke zin s.t. franchisegever 2.1.6). Het hof volgt alleen de beperkte uitleg van franchisenemer niet, nu die naar het feitelijke oordeel van het hof onvoldoende concreet is onderbouwd. In cassatie wijst franchisenemer ook niet op stellingen in feitelijke instanties die zouden maken dat partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs deze beperkte betekenis aan art. 10.3 van de franchiseovereenkomst toekenden en zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten dat alleen de in de opzeggingsbrief genoemde argumenten mochten worden meegewogen; zij wijst in de hierna te bespreken motiveringsklacht alleen op getrokken parallellen met opzegbepalingen uit andere benoemde duurovereenkomsten (huur en verzekering). Dat beoordeelt het hof kennelijk als niet toereikend en daartegen is de rechtsklacht tevergeefs gericht.
ex tuncmoet plaatsvinden en het haar vrij staat om in rechte een beroep te doen op nieuwe feiten en omstandigheden die zich vóór de beëindiging hebben voorgedaan. Dat met de in MvA/MvG 3.24 voorkomende stelling ‘Het gaat om omstandigheden waar de Franchisenemers mee bekend waren’, wordt gerespondeerd op de stelling van franchisenemer dat het om ‘omstandigheden [gaat] die zelfs in de optiek van (…) [franchisegever] niet de moeite waard waren om op te noemen in de opzegbrief’ uit MvG 11, klopt volgens franchisegever niet (zoals zij terecht bij s.t. 2.1.12. aanvoert): zij reageert daar bij MvA/MvG op met de stelling dat het ging om omstandigheden waar de franchisenemers mee bekend waren, zoals de samenwerking met Kwantum, en dat er geen reden of grond is om die omstandigheden, die al speelden ten tijde van de opzegging, verder buiten beschouwing te laten. Hiermee heeft franchisegever lijkt mij niet erkend, zoals de klacht ingang wil doen vinden, dat haar opzeggingsvrijheid beperkt was tot omstandigheden waarmee de franchisenemers bekend waren. Het hof is hier dan ook niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Ook dit deel van de rechtsklacht faalt.
onder 6bevat de hiervoor al gesignaleerde motiveringsklacht tegen dezelfde passage uit rov. 6.9 dat de uitleg die franchisenemer aan art. 10.3 van de franchiseovereenkomst geeft ‘verstrekkend’ is. Franchisenemer heeft ter adstructie van haar uitleg van de opzeggingsmaatstaf van art. 10.3 bij MvG onder 11 verwezen naar art. 7:273 lid 1 BW Pro (gebondenheid aan gronden bij opzegging huur woonruimte), art. 7:295 lid 2 BW Pro (idem bij opzegging van huur van middenstandsbedrijfsruimte) en voegt daar nu in cassatie art. 7:940 lid 3 BW Pro aan toe (idem bij opzegging van verzekeringen), die de opzegger ook binden aan de opzeggingsgronden in diens opzeggingsbrief. In het licht daarvan is niet toereikend gemotiveerd dat de uitleg van franchisenemer ‘verstrekkend’ zou zijn volgens deze motiveringsklacht; deze is althans niet verstrekkender dan die van franchisegever, laat staan vergeleken met de (zuiver tekstuele) uitleg van het hof, die de ratio van de verplichting om de opzegging met redenen te omkleden (die de opzegger dwingt tot zorgvuldigheid en daarmee tot oog voor de belangen van de wederpartij bij (i) voortzetting van de overeenkomst en (ii) een goede beoordeling van haar kansen in een procedure) geweld aandoet met de implicatie dat de opzegger zijn opzegging later naar believen kan baseren op meer en/of andere redenen dan aanvankelijk verwoord, als deze maar te herleiden zijn tot feiten en omstandigheden ten tijde van de opzegging, waarmee de opzegger dus de belangen van de wederpartij kan negeren althans schenden. Door alleen te oordelen dat de uitleg van franchisenemer ‘verstrekkend’ is, geeft het hof onvoldoende inzicht in zijn kennelijke gedachte dat de argumenten van franchisenemer geen hout snijden, aldus de motiveringsklacht. Ook valt volgens de motiveringsklacht niet in te zien hoe franchisenemer haar positie concreter had kunnen onderbouwen dan door een verwijzing naar de ratio van een opzeggingsbepaling als art. 10.3.
geheel ontbreekt, zoals hiervoor is besproken. De bepleite analogie met specifieke opzeggingsregelingen voor hele andere benoemde duurovereenkomsten gaat dan een paar stappen te ver. Dat het hof heeft geoordeeld dat het aansluiten bij deze bepalingen ‘verstrekkend’ is, is een feitelijk oordeel dat niet onbegrijpelijk is, omdat daarin wordt afgeweken van het hoofdbeginsel zonder die restrictie. Anders gezegd: de bepleite binding aan opzeggingsgronden in de opzeggingsbrief bij franchise is (even) beperkend (als bij huur en verzekering) en daarom in die zin inderdaad ‘verstrekkend’, want afwijkend van de hoofdregel; dat is goed te volgen en behoefde mijns inziens geen nadere motivering. Dat dit niet verstrekkender zou zijn dan ‘de (zuiver tekstuele) uitleg van het hof’, zoals de klacht nog aandraagt, mist ten slotte feitelijke grondslag, omdat het hof (juist niet) zuiver tekstueel uitlegt, maar Haviltext, zoals hiervoor is besproken.
onder 8). Partijen hebben vrijwillig als maatstaf aanvaard dat de franchisegever alleen de overeenkomst zal kunnen beëindigen als in redelijkheid niet langer van hem kan worden gevergd dat hij de overeenkomst laat voortduren. Deze maatstaf dwingt tot een belangenafweging en aan die maatstaf is pas voldaan als in de concrete omstandigheden het voortzettingsbelang van de franchisenemer het
duidelijk aflegttegen het beëindigingsbelang van de franchisegever. Een opzegging die slechts is gebaseerd op een strategische keuze op bedrijfseconomische gronden heeft dan geen rechtsgevolg (PI
onder 9) [27] . De PI vervolgt
onder 10met de klacht dat geen kenbare belangenafweging is gemaakt, maar dat het hof alleen lippendienst aan de belangen van franchisenemer bewijst, zodat het oordeel, zo als niet onjuist, in elk geval niet aan minimale motiveringseisen voldoet. De PI
onder 11zet het oordeel in rov. 6.11 af tegen dat in rov. 6.15, die onderling onverenigbaar zouden zijn. Het hof had moeten (en alleen begrijpelijk kunnen) beslissen dat de opzegging niet het beoogde rechtsgevolg heeft gehad, omdat de strategische (louter door winstbejag ingegeven) keuze van franchisegever niet opweegt tegen het voortzettingsbelang van franchisenemer, zodat de opzeggingsdrempel van art. 10.3 niet is gehaald.
onder 9een andere maatstaf wordt geïntroduceerd, namelijk dat het voortzettingsbelang van franchisenemer het
duidelijk af moet leggentegen het beëindigingsbelang van franchisegever, of verder op die zo uitgelegde maatstaf uit art. 10.3 voortbouwt in de PI
onder 10, is dat niet de juiste maatstaf uit het contract. Franchisenemer verwijst niet naar vindplaatsen in stukken uit feitelijke instanties waar zij dit standpunt heeft ingenomen. Een dergelijke feitelijke stelling over de uitleg van de overeenkomst kan niet voor het eerst in cassatie worden betrokken.
onder 11aankaart, is geen sprake; ik verwijs voor hoe rov. 6.15 kan worden begrepen terug naar 4.6. Het kan wel degelijk tegelijkertijd zo zijn dat, zoals het hof in rov. 6.11 heeft geoordeeld, van franchisegever in redelijkheid niet kan worden gevergd de overeenkomst te laten voortduren en dat, zoals het hof in rov. 6.15 heeft geoordeeld, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en de inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen worden gesteld, zoals het doen van een aanbod tot betaling van schadevergoeding. Uit de besproken rechtspraak van de Hoge Raad volgt immers dat ook als een duurovereenkomst voorziet in een bevoegdheid tot opzegging, art. 6:248 lid 1 BW Pro kan meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen moeten worden gesteld, zoals dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot schadevergoeding. Het laatste deel van de PI
onder 11hint op een hernieuwde belangenafweging ten gunste van franchisenemer, maar daartoe is geen plaats in cassatie.
onder 12dat het oordeel in rov. 6.15 gelet op art. 6:248 lid 2 BW Pro ook tot de conclusie moet leiden dat de opzegging niet het beoogde rechtsgevolg heeft gehad, nu franchisegever immers geen schadevergoeding heeft aangeboden. Dan kan niet tegelijkertijd waar zijn dat het beroep op de opzeggingsbevoegd in de omstandigheden van dit geval
nietnaar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zonder de (niet aangeboden) schadevergoeding is de uitoefening van de opzeggingsbevoegdheid dat immers wel.
onder 13niet worden gevolgd dat zij autonoom mocht beslissen welke remedie zij naar aanleiding van de tekortkoming van haar schuldenaar inzet en dat het hof haar keuze voor nakoming moest respecteren. Dat is nu juist in een stelsel van (in beginsel) opzegbaarheid van duurovereenkomsten niet zo [32] . Het primaire standpunt van franchisenemer was dat de opzegging zonder rechtsgevolg is geweest en voortduurt, omdat niet is voldaan aan de opzeggingsvereisten uit art. 10.3, althans dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en dus onrechtmatig was [33] . Het subsidiaire standpunt was dat voor het geval de opzegging stand houdt, uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij recht heeft op onder meer schadevergoeding [34] . Nu het hof oordeelt dat aan de opzeggingsvereisten uit art. 10.3 is voldaan en de opzegging niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is de primaire vordering afgewezen. Aangezien tevens is geoordeeld dat deze op zich geldige opzegging zonder schadevergoedingsaanbod een tekortkoming oplevert, is de subsidiaire vordering toegewezen in de vorm van verwijzing naar de schadestaat.
onder 13nog dat zij recht heeft op het positieve contractsbelang en franchisegever haar in financiële zin moet brengen in de situatie waarin zij zou hebben verkeerd als de tekortkoming van franchisenemer achterwege was gebleven, in dit geval dus wanneer de overeenkomst niet was opgezegd. Voor zover de overweging van het hof dat franchisenemer recht heeft op ‘een zekere schadevergoeding’, moet worden begrepen als een beperking van haar recht op vergoeding van het positieve contractsbelang, is die overweging rechtens onjuist althans (ook voor de schadestaatrechter) onbegrijpelijk, aldus deze klacht.
onder 15van de PI dat het slagen van delen van onderdeel 1 ook rov. 6.31, 7.6 en 7.7-7.13 aantast, deelt het lot van de hiervoor besproken klachten.
onder 16een inleiding zonder klachten en
onder 17een voortbouwklacht, die geen zelfstandige bespreking behoeft. De klacht in de PI
onder 18is dat het hof met zijn oordeel in rov. 6.19 en 6.21 het standpunt van franchisenemer heeft genegeerd dat naar de bedoeling van partijen, onder andere blijkend uit art. 10.1 van de franchiseovereenkomst, ‘voor wat betreft de einddatum van de franchiseovereenkomst aangesloten dient te worden bij de beëindigingsdatum van de onderhuurovereenkomst’, zodat de franchiseovereenkomst pas op 10 juli 2026 kan eindigen [35] . Dit standpunt zou volgens franchisenemer door franchisegever niet zijn weersproken [36] . De PI voegt daar
onder 19nog aan toe dat gelet op het partijdebat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te miskennen dat het de rechter niet vrijstaat om zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit het in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd.
onder 18 en 19,die er in wezen op neerkomt dat het hof buiten de grenzen van het rechtsstrijd is getreden, faalt.
onder 21klaagt franchisenemer dat het rechtens onmogelijk is om in 7.4 het vonnis dat het hof eerder in 7.1 heeft vernietigd ‘voor het overige’ te bekrachtigen. Ook is niet duidelijk waarom in 7.5 het meer of anders gevorderde zou moeten worden afgewezen. Mogelijk heeft het hof met de bekrachtiging voor het overige in 7.4 het oog gehad op de proceskostenveroordeling in eerste aanleg in conventie, maar dan nog blijft staan dat die veroordeling er wegens de vernietiging in 7.1 niet meer is. Dit dictum is dan ook onjuist of is vanwege deze tegenstrijdigheden onbegrijpelijk.
eis gewijzigden daarover heeft de kantonrechter in eerste aanleg natuurlijk niet kunnen beslissen, zodat het hof zich daarover nog moest uitlaten in het dictum. Dit is ook in lijn met hetgeen het hof in rov. 6.31 heeft overwogen over de vordering die franchisenemer bij vermeerdering van eis had ingesteld, namelijk dat de vordering van haar tot veroordeling van tot terugbetaling van alles wat franchisenemer ter uitvoering van het vonnis aan franchisegever heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente, niet toewijsbaar is. Daarop stuiten deze cassatieklachten dan ook af.
onder 22klaagt franchisenemer vervolgens dat de passage in rov. 6.31 dat de kantonrechter franchisenemer terecht heeft veroordeeld in de kosten van eerste aanleg in conventie en reconventie ‘nu het vonnis grotendeels in stand blijft’, onjuist is. Art. 237 lid 1 Rv Pro bepaalt immers dat de partij die (overwegend) in het ongelijk wordt gesteld, moet worden veroordeeld in de proceskosten. De vraag welke partij (overwegend) in het ongelijk wordt gesteld, moet worden beantwoord door een vergelijking van het petitum met het dictum en niet door een vergelijking van het dictum van de uitspraak in hoger beroep met het dictum in eerste aanleg. Als het hof met de passage dat ‘het vonnis grotendeels in stand blijft’ moet worden geacht franchisenemer te hebben aangemerkt als de partij die in eerste aanleg overwegend in het ongelijk is gesteld, is rov. 6.31 onbegrijpelijk. Het hof had moeten beoordelen wat de toewijzing in hoger beroep (over de toekenning van een (schade)vergoeding) in plaats van afwijzing (daarvan) in eerste aanleg betekent voor de proceskosten in eerste aanleg in conventie. Het hof had volgens de klacht moeten beslissen dat franchisenemer in conventie overwegend in het gelijk is gesteld en had franchisegever moeten veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg – althans moeten oordelen dat partijen over en weer gedeeltelijk in het gelijk, respectievelijk ongelijk zijn gesteld en de proceskosten in eerste aanleg moeten compenseren.
onder 23dat de voortbouwende beslissingen in rov. 6.31 en 7.5 van het dictum onjuist zijn dat de vordering van franchisenemer tot veroordeling van franchisegever tot terugbetaling, met rente, van alles wat franchisenemer ter uitvoering van het vernietigde vonnis aan franchisegever heeft betaald, niet toewijsbaar is. Als een vonnis in een hogere instantie wordt vernietigd, dan ontstaat een vordering uit onverschuldigde betaling ex art. 6:203 BW Pro. Al hetgeen op grond van dat vonnis is betaald, kan worden teruggevorderd [41] . Daarnaast is wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip dat aan franchisegever is betaald [42] .
6.Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
Mattel/Borkavolgt weliswaar dat ondanks de redelijke duur van de opzegtermijn de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat niettemin termen bestaan voor (additionele) schadevergoeding [48] . Van omstandigheden die maken dat naast een redelijke opzegtermijn een schadevergoedingsverplichting bestaat kan volgens Schelhaas echter niet snel sprake zijn en met name moet worden gedacht aan een beperkte vergoeding voor extra kosten die het gevolg zijn van de opzegging zelf, zoals onderhandelings- of administratiekosten, of investeringen die juist met het oog op dit contract zijn verricht en nog niet zijn terugverdiend [49] . Houben betoogt dat de opzegging in zijn geheel moet worden beschouwd en dat het vereiste van een zwaarwegende grond, de lengte van de opzegtermijn of de hoogte van de aangeboden compensatie niet geïsoleerd getoetst moeten worden aan de eisen van redelijkheid en billijkheid, maar juist in samenhang met elkaar [50] . Dat laatste onderschrijf ik graag. Resumerend lijkt mij dat er (al dan niet beperkte) ruimte kan zijn voor schadevergoeding, ook als een redelijke opzegtermijn is gehanteerd.
onderdeel 2een klacht aan onder de voorwaarde dat enige klacht van onderdeel 1 in principaal cassatieberoep slaagt. Aan deze voorwaarde is in mijn ogen niet voldaan.
onderdeel3 dat bij gegrondbevinding van enige (voorwaardelijk) incidentele klacht ook de voortbouwende oordelen in rov. 6.15, 6.31 en het dictum niet in stand kunnen blijven, behoeft geen afzonderlijke bespreking.