Conclusie
eiser tot cassatie,
verweerder in het incidenteel cassatieberoep
verweerster in cassatie,
eiseres in het incidenteel cassatieberoep
3.Principaal cassatieberoep
elke objectieve tijdsbepaling, lijkt nog steeds opgeld te doen. Poutsma en Gardien concluderen op grond van recentere rechtspraak van feitenrechters dat ‘door de bank genomen’ voor kwalificatie als een overeenkomst voor bepaalde tijd voornamelijk van belang is of er
een objectief en concreet te bepalen einddatumis [9] .
dezeproblematiek in onze zaak niet speelt, omdat voor duurovereenkomsten voor bepaalde danwel onbepaalde tijd van het type dat wij bij de hand hebben geen sprake kan zijn van ‘inschakeling’ door kwalificatie van bepaalde benoemde overeenkomsten zoals bijvoorbeeld de arbeidsovereenkomst, of aanneming van werk, of opdracht met de daarbij in de wet geregelde regimes. Hier is alleen de door uitleg aan de hand van de Haviltex-maatstaf te beantwoorden vraag aan de orde of sprake is van een (onbenoemde [24] ) duurovereenkomst en zo ja of deze is aangegaan voor bepaalde of onbepaalde tijd. Dat bepaalt weliswaar of er in beginsel sprake kan zijn van (tussentijdse) opzeggingsmogelijkheden, maar dat is naar wil voorkomen iets dat te onderscheiden is van de kwalificatie- en uitleg-problematiek in de hiervoor geschetste zin, zodat de leer uit
Insharingen
Participatieplaatszich volgens mij niet leent om te worden doorgetrokken naar de in onze zaak spelende vragen.
Mondia/Calanda,al aangehaald, rov. 3.2. De oordelen uit rov. 4.3 zijn volgens de inleiding onjuist: als het einde van een overeenkomst afhangt van een toekomstige, bepaalde gebeurtenis waarvan het moment onbepaald is, dan is sprake van een overeenkomst voor onbepaalde tijd die in beginsel opzegbaar is. Het hof is volgens de man rov. 5.2.2 uit
Nananda/Golden Earring,al aangehaald, uit het oog verloren, waarin de Hoge Raad expliciet voorop heeft gesteld dat in gevallen waarbij de overeenkomst eindigt door bijvoorbeeld het overlijden van een partij, de overeenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan. Als gevolg van deze onjuiste kwalificatie van het type duurovereenkomst hanteert het hof ook het verkeerde, voor een duurovereenkomst voor bepaalde tijd geldende toetsingskader.
Nananda/Golden Earringvoor het einde van een duurovereenkomst door overlijden volgens mij een subregel geformuleerd als door de klacht bepleit [25] . In die zaak over exploitatie van muziekwerken had het hof bij wege van analogie de regels voor opzegging van duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd toegepast en werd in cassatie geklaagd dat hier sprake zou zijn van overeenkomsten voor bepaalde tijd (onderdeel I.II). De Hoge Raad verwerpt dat in rov. 5.2.2 als volgt:
Gooisch Natuurreservaat/Amsterdam,al aangehaald.
voor bepaalde tijd, vanuit de gedachte dat als die klachten slagen, de overeenkomst is aangegaan
voor onbepaalde tijden dus in beginsel opzegbaar is [28] . Dat ziet naar ik meen voorbij aan wat je hier de kern van de zaak zou kunnen noemen, namelijk dat het hof middels uitlegging heeft geoordeeld dat de overeenkomst tot het verdelen van staande huwelijk opgebouwd ouderdomspensioen in dit geval
naar haar aardniet opzegbaar is [29] en dat oordeel is als ik het goed zie in cassatie niet (kenbaar concreet genoeg) bestreden, zodat de man geen belang heeft bij de als hiervoor gezegd op zichzelf mogelijk terecht geformuleerde klacht over de typering van de overeenkomst van partijen als een duurovereenkomst voor bepaalde tijd.
naar de aardvan de overeenkomst voortvloeien uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW Pro). De aard van de overeenkomst wordt bepaald door verschillende factoren, zoals het type overeenkomst en de daarbij betrokken partijen [30] . Het hof heeft geoordeeld dat de
aard van de pensioenverdelingsovereenkomsthier meebrengt dat deze niet kan worden opgezegd [31] : de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting van de man tot maandelijkse betaling van een bedrag aan de vrouw loopt “vanwege de aard van het ouderdomspensioen” door tot aan het overlijden van één van de partijen. Daarin lijkt mij besloten te liggen dat de overeenkomst (van rechtswege) eindigt als een van de partijen overlijdt, maar ook dat opzegging voordien zich niet met die aard laat verenigen. Dat zelfstandig dragende oordeel wordt in cassatie volgens mij niet concreet bestreden. Hoewel het nu besproken subonderdeel geen motiveringsklacht omvat, voeg ik daar ten overvloede aan toe: dat lijkt mij ook een goed te volgen uitleg hier. Het is een overeenkomst tot verdeling van het ouderdomspensioen van de man gemodelleerd naar de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding die echtgenoten een wettelijk recht geeft op pensioenverevening, ongeacht of partijen in gemeenschap van goederen zijn getrouwd [32] (zie rov. 2.5 waarin het hof de man citeert:
“(…) Wat ik dus heb gedaan: de uitgangspunten van de WVP toepassen. Die zijn namelijk wel duidelijk en ook alleszins redelijk: de ex-partner heeft recht op de helft van de waarde van het pensioen dat de andere partner, tijdens het huwelijk, heeft opgebouwd, de standaardverdeling (…)”). Dat levert in de ogen van het hof kennelijk naar haar aard een unieke overeenkomst tussen ex-echtgenoten op die pas eindigt bij verdeling van het pensioen en die aard brengt mee dat die niet kan worden opgezegd. Of daar dan het etiket bepaalde tijd of niet op wordt geplakt, is dan niet doorslaggevend; het gaat om de niet-opzegbaarheid zijdens de man (behoudens art. 6:248 lid2 BW en 6:258 BW, waar het hof ook aan toetst vervolgens).
dezeafspraak tot (in beginsel voor de man onverplichte) verdeling van staande huwelijk opgebouwd pensioen eenzijdig tussentijds kan worden gestaakt door de man.
uit het voorgaande volgt dat de overeenkomst niet kan worden opgezegd” raken. Gegrondbevinding van (een van) de voorgaande subonderdelen brengt met zich mee dat het hof ten onrechte is uitgegaan van een niet opzegbare duurovereenkomst, terwijl bij een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd uitgangspunt is dat deze in beginsel opzegbaar is. Het subonderdeel klaagt dat rov. 4.4 t/m 4.8 voortbouwen op de onjuiste maatstaf van een niet-opzegbare duurovereenkomst voor bepaalde tijd en kunnen bij gegrondbevinding van (een van) de voorgaande subonderdelen eveneens niet in stand blijven.
lex specialisvan art. 6:248 lid 2 BW Pro voor een bijzonder geval en de rechter zal bij de toepassing van art. 6:258 BW Pro net zo terughoudend moeten zijn als bij art. 6:248 lid 2 geldt Pro voor de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid in het algemeen (‘onaanvaardbaar’) [38] . Er moet (i) sprake zijn van op het moment van contractssluiting in de toekomst liggende onvoorziene [39] , dat wil zeggen: niet uitdrukkelijk of stilzwijgend
inde overeenkomst verdisconteerde, omstandigheden, die van zodanige aard zijn dat de wederpartij geen ongewijzigde instandhouding van de contractuele rechtsverhouding mag verwachten. Deze omstandigheden moeten bovendien (ii) niet krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening komen van degene die zich op de bepaling beroept (lid 2). Daarvan is niet snel sprake in ons recht. Het betreft een niet eenvoudig te halen hoge lat, omdat de redelijkheid en billijkheid in de eerste plaats trouw aan het gegeven woord verlangen en afwijking daarvan slechts bij hoge uitzondering toelaten [40] . De rechter past dan ook terughoudendheid bij aanvaarding van een beroep op onvoorziene omstandigheden [41] .
inde overeenkomst verdisconteerde omstandigheden waar de man zich op beroept en deze komen voor wat betreft de fiscale consequenties van zijn pensionering en terugkomst naar Nederland voor rekening van de man. Dat draagt de afwijzing van het beroep op gewijzigde omstandigheden al zelfstandig. De klacht valt alleen de derde reden aan, namelijk dat onvoldoende onderbouwd zou zijn dat de man zich in een penibele financiële situatie bevindt. Nu dat de vereisten (i) en (ii) ongemoeid laat, kan de klacht niet tot cassatie leiden (zo ook s.t. vrouw onder 4.7). Ik licht dat kort toe.
inde overeenkomst.
kostendie de man heeft gemaakt, dan wel zijn
schulden(samengevat: 1) kosten gasverbruik, 2) kosten vakantiepark De Thijmse Berg, 3) schuld bij broer en 4) belastingschuld). Die stukken geven daarmee alleen inzicht in de schulden van de man, maar niet in zijn
inkomen en/of vermogen. De (door de man met handgeschreven aantekeningen voorziene) voorlopige IB-aanslag 2021 geeft wel een beeld van de financiële situatie van hem. Op dat document is door de man echter alleen een beroep gedaan in het kader van zijn verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis in verzet, omdat sprake zou zijn van een ‘financiële noodtoestand’ [42] , maar
nietin het kader van zijn beroep op art. 6:258 BW Pro [43] . Bovendien blijkt daaruit dat de man ruim € 2.800 per maand ‘overhoudt’ nadat pensioen is afgedragen aan de vrouw en ook aan zijn verplichtingen tegenover zijn tweede ex-echtgenote is voldaan [44] . Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat daaruit niet blijkt dat de financiële omstandigheden van de man zodanig slecht zijn dat de vrouw ongewijzigde voortgang van de pensioenverdeling niet mag verwachten. Dat ligt besloten in het oordeel dat de man een en ander niet niet voldoende heeft onderbouwd. Op het voorgaande stuit de motiveringsklacht ook af.
4.Incidenteel cassatieberoep
exceptio non adimpleti contractus [47] - materie die in onze zaak niet speelt - inhoudelijk hierover het volgende [48] . De klacht dat een eenzijdige overeenkomst waaruit slechts voor één partij verbintenissen voortvloeien niet als duurovereenkomst kan worden gekwalificeerd, vindt geen steun in het recht. Het begrip duurovereenkomst is niet wettelijk gedefinieerd [49] . Omschrijvingen in de doctrine zijn volgens Hammerstein & Vranken ‘zeer wisselend’, maar het onderscheidend criterium ligt volgens hen in het voortdurende, telkens terugkerende of opeenvolgende karakter van de prestaties, waartoe partijen zich gedurende bepaalde of onbepaalde tijd jegens elkaar verplicht hebben [50] . Zij stellen daarbij niet als voorwaarde dat er voor beide partijen verbintenissen uit moeten voortvloeien. In de omschrijving van Asser/Sieburgh 6-III 2022/89 wordt bovendien uitdrukkelijk aangegeven dat ook van een duurovereenkomst sprake kan zijn als daaruit voor slechts één van partijen een verbintenis voortvloeit: ‘Een duurovereenkomst verplicht
een of beidepartijen tot opeenvolgende dan wel voortdurende prestaties’ [mijn cursivering]. Uit de meeste duurovereenkomsten zullen in de praktijk voor beide partijen verplichtingen en rechten voortvloeien (zoals bij arbeidsovereenkomsten, huurovereenkomsten en distributieovereenkomsten), maar dat is geen vereiste. De klacht noemt ook geen bronnen waaruit dit vereiste zou volgen.
[ECLI:NL:HR:1981:AG4271]en de Wvp (onder 1.9). De termijnbetalingen die voortvloeien uit de verbintenis van de man tot verdeling/verrekening van het door hem tijdens het huwelijk opgebouwde ABP-pensioen zijn als het ware à la
[ECLI:NL:HR:1981:AG4271](om te voorkomen dat er verrekening ineens zou moeten plaatsvinden, waar de man geen middelen voor heeft) en dus in de vorm van een uitgestelde betaling in termijnen die opeisbaar worden naarmate de pensioentermijnen van de man opeisbaar worden. Die termijnbetalingen vloeien voort uit de verbintenis van de man tot verdeling/verrekening van het staande huwelijk opgebouwde ABP-pensioen, maar kunnen volgens de klacht niet worden gezien als (het ontstaan en nakomen van) steeds nieuwe verbintenissen, evenmin als een koopovereenkomst waarbij is overeengekomen dat de koper de koopsom in termijnen mag betalen het karakter van een duurovereenkomst heeft (onder 1.10).
last but nog leastook bij hetgeen hiervoor in 3.20 is besproken (
mutatis mutandis): uitleg van wat voor type contract we hier bij de hand hebben is (in belangrijke mate) feitelijke materie en in cassatie slechts beperkt toetsbaar.
subonderdeel 3.1dat met het hofoordeel in rov. 4.3 dat in de overeenkomst tussen partijen niet is voorzien in de mogelijkheid tot opzegging nog niet alles is gezegd. Het gaat er (mede) om of de overeenkomst voorziet in een regeling van opzegging, die im- of expliciet ook kan inhouden dat de overeenkomst niet-opzegbaar is (onder verwijzing naar
Gooisch Natuurreservaat/Amsterdam, al aangehaald) en in dàt geval is geen sprake van in beginsel opzegbaarheid, aldus de klacht, zodat dit oordeel over in beginsel opzegbaarheid van duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd, als dat is miskend, onjuist is, dan wel ontoereikend gemotiveerd.