ECLI:NL:PHR:2024:553

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 mei 2024
Publicatiedatum
21 mei 2024
Zaaknummer
23/02882
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 SrArt. 289 SrArt. 312 SrArt. 317 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over medeplegen voorbereiding moord met peilbaken

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van voorbereiding van moord. Hij en een medeverdachte hadden tussen 7 en 12 mei 2021 geprobeerd een peilbaken onder de auto van het beoogde slachtoffer te plakken om hem te lokaliseren voor een liquidatie. Het hof achtte bewezen dat het peilbaken bestemd was voor de uitvoering van de moord en dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het delict.

De verdachte stelde in cassatie dat uit de bewijsvoering niet voldoende bleek dat hij opzet had op de criminele bestemming van het peilbaken. De procureur-generaal stelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het peilbaken een belangrijk hulpmiddel was voor de liquidatie en dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen onderdeel was van de voorbereiding van moord.

De conclusie benadrukt dat het hof zorgvuldig heeft gewogen en dat de bewijsvoering, waaronder onderschepte Sky ECC-berichten en de gedragingen van de verdachte, voldoende duidelijk maken dat het peilbaken bestemd was voor moord. Het cassatieberoep faalt en de veroordeling blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot vijf jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van voorbereiding van moord blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/02882

Zitting28 mei 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 13 juli 2023 door het gerechtshof Amsterdam onder meer wegens 2. subsidiair
"medeplegen van voorbereiding van moord"veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van verschillende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, en heeft het daarnaast het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 23/02770, 23/03874 en 23/03754. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

De zaak

4. Tussen 7 en 12 mei 2021 hebben de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 1] zich beziggehouden met het zoeken van een persoon, [slachtoffer 1], en hebben zij getracht een peilbaken te plakken onder de door [slachtoffer 1] gebruikte auto. Volgens de verdachte was hij enkele dagen daarvoor door zijn jeugdvriend, de medeverdachte [betrokkene 1], benaderd om samen een klus te doen en iemand te vinden die ‘anderen geld schuldig was’. [betrokkene 1] had de verdachte foto’s laten zien van deze persoon en had ook adressen en kentekens doorgegeven gekregen. Op 12 mei 2021 hebben de verdachte en [betrokkene 1] geprobeerd om in de parkeergarage te komen waar een zwarte Mercedes – waarvan zij vermoedden dat [slachtoffer 1] deze in gebruik had – geparkeerd stond met het doel om daaronder een peilbaken te plakken. Toen het alarm van de parkeergarage afging, heeft de verdachte het peilbaken snel in een brievenbus gestopt. Kort daarna zijn hij en [betrokkene 1] door de politie aangehouden.
5. In het middel wordt geklaagd dat uit ‘s hofs bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte bij het voorhanden hebben van het voorwerp opzet had op de bewezen verklaarde criminele bestemming ervan, te weten: moord.

De bewezenverklaring en de bewijsmotivering

6. Ten laste van de verdachte is onder 2. subsidiair bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 2 mei 2021 tot en met 12 mei 2021 te [plaats] en te Diemen, tezamen en in vereniging met een ander, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord als bedoeld in artikel 289 van Pro het Wetboek van Strafrecht, op [slachtoffer 1], opzettelijk een peilbaken bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad.”
7. Het hof heeft in het bestreden arrest ten aanzien van de beoordeling van het bewijs het volgende overwogen – met weglating van een voetnoot:
“De verdachte wordt beschuldigd van voorbereidingshandelingen voor een moord. De tenlastelegging is gebaseerd op artikel 46 samen Pro met artikel 289 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Juridisch beoordelingskader
Artikel 46, lid 1, Sr houdt in:
“Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft.”
Artikel 289 Sr Pro houdt in:
“Hij die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan moord, gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
Bij de beoordeling of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan wat hem ten laste is gelegd, is in het bijzonder van belang: (a) wat moet worden verstaan onder ‘voorwerpen bestemd tot het begaan van dat misdrijf en (b) welke eisen moeten worden gesteld aan het opzet van de verdachte.
Het Openbaar Ministerie heeft het hof verzocht over deze vragen in algemene zin meer duidelijkheid te bieden dan in de rechtspraak tot dusverre is gebeurd.
Rechtspraak van de Hoge Raad
De rechtspraak van de Hoge Raad biedt houvast bij de beantwoording van deze vragen. Dat daarin niet voor alle gevallen panklare antwoorden worden aangereikt komt door het bijzondere karakter van de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen. Bij de uitleg van de bestanddelen (zoals ‘een voorwerp bestemd tot het begaan van dat misdrijf’) van artikel 46 Sr Pro gaat het om de afbakening van strafrechtelijke aansprakelijkheid in de vroegste fase van handelen. In lijn met de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 46 Sr Pro moet worden voorkomen dat de strafbaarheid zich uitstrekt over gevallen waarin enkel sprake is van een misdadige intentie. Voor strafbaarheid moet sprake zijn van daadwerkelijke voorbereiding van een ernstig misdrijf. Dat leidt tot terughoudendheid in gevallen waarin nog veel onduidelijk is bijvoorbeeld over welk misdrijf wordt voorbereid en hoe, door wie, en met behulp van welke voorwerpen dit zou moeten worden uitgevoerd. Voor die terughoudendheid is minder aanleiding naarmate de voorbereiding concreter wordt en het beoogde misdrijf en de wijze van uitvoering duidelijker. Bij deze, sterk op de te beslissen zaak toegesneden, waardering spelen een belangrijke rol: de aard van de in de tenlastelegging opgenomen (combinatie van) voorwerpen en wat is komen vast te staan over de intentie van de verdachte. Van betekenis kan daarbij zijn wat de verdachte met de voorwerpen heeft gedaan en welke conclusie de uiterlijke verschijningsvorm van een en ander rechtvaardigt. Logischerwijs betekent dit dat alledaagse voorwerpen in een situatie waarin weinig vast staat over de intentie die de verdachte daarmee heeft, niet snel kunnen worden aangemerkt als ‘voorwerpen bestemd tot het begaan van een misdrijf’. Dat kan anders zijn – en daarmee kan strafrechtelijke aansprakelijkheid eerder in beeld komen – als de verdachte handelingen verricht die naar hun uiterlijke verschijningsvorm strekken tot voorbereiding van een bepaald misdrijf en hij daarbij gebruik maakt van voorwerpen die doorgaans met name worden gebruikt voor het plegen van die bepaalde misdrijven. Begrenzing van de strafrechtelijke aansprakelijkheid in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever vereist dus een op de concrete zaak toegesneden precieze aandacht voor de intentie van de verdachte en de betekenis van voorwerpen en hun (beoogde) gebruik in relatie tot het voorbereide misdrijf. Daardoor heeft de rechtspraak een casuïstisch karakter en leent niet elke zaak zich er even goed voor om daaraan algemene conclusies te verbinden. Toch is aan eerdere beslissingen van de Hoge Raad een aantal uitgangspunten te ontlenen die bij de beoordeling van deze zaak behulpzaam zijn.
(a) Bestemd tot het begaan van het misdrijf
In zijn arrest van 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1198 heeft de Hoge Raad over artikel 46 Sr Pro geoordeeld dat in deze bepaling met “dat misdrijf” in de zinsnede “bestemd tot het begaan van dat misdrijf” wordt gedoeld op het misdrijf dat is voorbereid, en dus niet op de voorbereiding zelf. Dat betekent dat het object waarop een in artikel 46 Sr Pro genoemde gedraging betrekking heeft, moet zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf dat is voorbereid; het moet voor de uitvoering van dat misdrijf van betekenis zijn. In die zaak vielen foto’s en geschriften met informatie over de beoogde slachtoffers van, kort gezegd, gijzeling en afpersing buiten de reikwijdte van artikel 46 Sr Pro. Deze voorwerpen werden bij de voorbereiding gebruikt, maar niet duidelijk was dat zij bestemd waren tot het begaan van het beoogde misdrijf. In deze lijn passen ook de arresten HR 21 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1956 waarin een telefoon die werd gebruikt om iemand voor te stellen een winkel te beroven niet als voorwerp bestemd tot het begaan van die overval werd gezien, terwijl in HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1380 telefoons die speciaal voor gebruik tijdens een overval waren aangeschaft en die van groot belang waren voor de timing van de overval wél als zulke voorwerpen golden. Beoordeeld moet worden, zo overwoog de Hoge Raad in zijn beslissing van 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213 of de voorwerpen genoemd in de tenlastelegging, afzonderlijk of gezamenlijk naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van de voorwerpen voor ogen had.
Uitgangspunt is dus – zo begrijpt het hof deze rechtspraak – dat het moet gaan om voorwerpen die van betekenis zijn voor de uitvoering van het misdrijf dat wordt voorbereid: in dit geval moord. Dat uitgangspunt doet in de meeste gevallen recht aan de noodzaak tot begrenzing van de vroegste fase van strafrechtelijke aansprakelijkheid. Tegelijk neemt dit niet weg dat er gevallen zijn waarin sprake is van een zo serieuze – tegen een begin van uitvoering aan liggende – voorbereiding die blijk geeft van een zodanig gewortelde intentie van de verdachte, gericht op het uit te voeren delict, dat ook voorwerpen waarvan niet vaststaat dat en/of hoe zij bij het beoogde delict een rol zullen spelen toch gekwalificeerd kunnen worden als voorwerpen bestemd tot het begaan van het misdrijf, zoals bedoeld in artikel 46 Sr Pro (vgl. HR 18 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ0517 en ECLI:NL:HR:2003:AJ0535).
(b) Het opzet van de verdachte
In een beslissing van 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9030 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat onder opzettelijk handelen in de zin van artikel 46 Sr Pro ook is begrepen het voorwaardelijk opzet: oftewel het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op de voltooiing van het in de tenlastelegging genoemde delict, in dit geval moord. Meer specifiek over het opzet op voorbereiding van moord zijn ook de volgende beslissingen van de Hoge Raad van belang. Volgens HR 21 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1258 is niet nodig dat uit de bewijsvoering blijkt wie het beoogde slachtoffer is. Als maar met voldoende bepaaldheid blijkt op welk misdrijf de in artikel 46 Sr Pro omschreven voorbereidingshandelingen en voorbereidingsmiddelen waren gericht en dat het opzet van de verdachte op het begaan daarvan was gericht. HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2853 houdt in dat, zoals nodig is voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad bij tenlastelegging van een (poging tot) moord, ook bij bewezenverklaring van de voorbereiding van moord uit de bewijsvoering moet blijken dat sprake is van een voorgenomen daad en gelegenheid tot nadenken over en zich rekenschap geven van de betekenis en de gevolgen van die daad. Dat kan volgens de Hoge Raad volgen uit de planmatige aard van de voorbereiding.
Vaststaande feiten
Het hof gaat op grond van de dossierstukken uit van de volgende feiten.
Op 20 oktober 2020 is in Amsterdam [slachtoffer 2] doodgeschoten. [slachtoffer 2] had kort voor zijn dood een auto geleend van [betrokkene 2]. Onder deze auto was een peilbaken geplaatst. [betrokkene 2] ging er vanuit dat hij het eigenlijke doelwit was. In het onderzoek naar de dood van [slachtoffer 2] is TCI-informatie ontvangen die inhoudt dat [slachtoffer 1] de schutter is.
Tussen 29 november 2020 en 29 januari 2021 zijn SkyEcc gesprekken geregistreerd tussen de gebruikers [gebruiker 1] en [gebruiker 2]. Uit de gesprekken blijkt dat [gebruiker 1] de [gebruiker 2] opdracht geeft om [slachtoffer 1] te liquideren, hij moet doorzeefd worden met kogels met behulp van een AK en een Glock, oftewel een automatisch vuurwapen en een handvuurwapen. Uit de gesprekken komt als werkwijze naar voren dat [slachtoffer 1] eerst gevonden moet worden. [gebruiker 1] stuurt ten behoeve daarvan foto’s van [slachtoffer 1] en het [kenteken 1] van een VW Polo. Door [gebruiker 2] moet een peilbaken worden geplakt onder de auto die [slachtoffer 1] gebruikt. Zodra [slachtoffer 1] op deze wijze is gelokaliseerd en de schutters ter plaatse zijn, moet [gebruiker 2] het peilbaken verwijderen. [gebruiker 2] moet het melden als hij de auto ziet, dan meldt [gebruiker 1] als de schutters er zijn. Op 25 januari 2021 geeft [gebruiker 1] aan dat de schutters er zijn en dat [gebruiker 2] het peilbaken weg kan halen. Hij krijgt instructies wat er met het baken moet gebeuren: hij mag er niet mee naar een plek gaan, de SIM-kaart moet eruit worden gehaald en het baken moet kapot gemaakt en worden weggegooid.
Op 28 januari 2021 zijn [betrokkene 3] en [betrokkene 4] na een achtervolging door de politie aangehouden, nadat zij met een handvuurwapen en een automatisch wapen klaar hebben gestaan voor de sportschool waar [slachtoffer 1] werkte. Ze reden in een gestolen VW Caddy met valse kentekenplaten en in de laadruimte stond een jerrycan met brandbare vloeistof. Dat alles sloot aan bij de door [gebruiker 1] gegeven instructies, die dezelfde dag aan [gebruiker 2] heeft bericht dat ‘zijn kleintjes net zijn gepakt, onderweg naar die kk gast, achtervolging’ en dat hij ‘dus andere werkers nodig heeft’.
Vervolgens zijn [medeverdachte] en [betrokkene 5] (een volle neef van [betrokkene 2]) belast met het vinden van [slachtoffer 1] en het plakken van een peilbaken onder de door hem gebruikte auto. Zij zijn op 4 maart 2021 tijdens het plakken van een peilbaken onder de VW Polo met [kenteken 1] van de neef van [slachtoffer 1] op heterdaad betrapt door de broer van [slachtoffer 1].
De verdachte en zijn medeverdachte [betrokkene 1] hebben zich tussen 7 en 12 mei 2021 bezig gehouden met het zoeken van [slachtoffer 1] en met het proberen te plakken van een peilbaken onder de door hem gebruikte auto. De verdachte heeft verklaard dat zijn jeugdvriend [betrokkene 1] hem een paar dagen voor 9 mei 2021 heeft gevraagd om samen een klus te doen. Ze moesten iemand vinden die anderen geld schuldig was. [betrokkene 1] liet de verdachte foto’s zien van iemand en [betrokkene 1] had ook adressen en kentekens doorgekregen. Volgens de verdachte hebben ze tussen 7 en 9 mei naar [slachtoffer 1] gezocht, zonder hem te vinden. Vervolgens kreeg [betrokkene 1] het bericht dat [slachtoffer 1] zijn vriendin ([slachtoffer 3]) soms afzette in Diemen. Daar zag de verdachte op 9 mei 2021 wel de zwarte Mercedes met het [kenteken 2] dat ze hadden doorgekregen, maar [slachtoffer 1] zagen ze niet. De verdachte heeft om 19:34 uur een Snapchat-bericht naar [betrokkene 1] gestuurd met de inhoud “[kenteken 2]”. Hij deed dat volgens zijn verklaring om te dubbelchecken of dat het goede kenteken was. Hierna heeft de verdachte naar binnen gekeken in de zonnestudio waar [slachtoffer 3] werkte om te kijken of hij [slachtoffer 1] daar zou zien. Dat was niet het geval. Vervolgens zagen de verdachte en [betrokkene 1] [slachtoffer 3] uit de zonnestudio komen. Zij zijn door haar betrapt toen zij haar wilden volgen om te zien of ze naar [slachtoffer 1] ging. [slachtoffer 3] heeft op 9 mei 2021 om 20:18 uur een notitie in haar telefoon gezet met de inhoud “[kenteken 3]”, het kenteken van de auto die op dat moment in gebruik was bij de verdachte en [betrokkene 1].
Op 12 mei 2021 hebben de verdachte en [betrokkene 1] geprobeerd om in de parkeergarage te komen waar de Mercedes geparkeerd stond, om daar een peilbaken onder te plakken. Het alarm van de parkeergarage ging af. De verdachte heeft toen snel het peilbaken in een brievenbus gestopt, voordat hij en [betrokkene 1] rond 5:40 uur door de politie zijn aangehouden.
Op 16 mei 2021 is door twee personen op de [a-straat] te [plaats] met automatische wapens geschoten op de zwarte Mercedes [kenteken 2], met daarin [slachtoffer 1] als bijrijder en zijn vriendin [slachtoffer 3] als bestuurster kort nadat zij de parkeergarage onder haar woning had verlaten. [slachtoffer 3] is als gevolg hiervan overleden.
[betrokkene 1] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] geld schuldig was aan andere investeerders in een – naar [betrokkene 1] aannam: cocaïne – transport. Dat transport was mislukt, maar ieders investering moest nog wel betaald worden. [betrokkene 1] noemt de verdachte een goede vriend en verklaart dat hij het met de verdachte over de opdracht heeft gehad, dat hij aan de verdachte heeft gevraagd of hij daaraan mee wilde doen en dat de verdachte daarop heeft geantwoord dat hij dat wilde.
In de telefoon van [betrokkene 1] staat een notitie van 2 mei 2021 met de inhoud: “adres ouders: [b-straat 1]”, het adres van de vader en broer van [slachtoffer 1]. Ook staat in die telefoon een korte video-opname van de achterkant van het peilbaken waarvan een bewoner van de [a-straat] na de moord op [slachtoffer 3] bij de politie heeft aangegeven dat hij dat enkele dagen eerder in zijn brievenbus had gevonden.
Centrale vragen bij de beoordeling door het hof
Door de onderschepte SKY-Ecc berichten en door de loop van de gebeurtenissen voorafgaand aan en na de betrokkenheid van de verdachte staat vast dat de handelingen van de verdachte ertoe strekten [slachtoffer 1] te lokaliseren teneinde hem te vermoorden. In deze zaak bestaat dus geen onduidelijkheid over welk misdrijf werd voorbereid.
De vragen die voor het hof bij de beoordeling centraal staan zijn daarmee: zijn de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen voor de uitvoering van de moord van betekenis? En: was het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op moord gericht, en had hij dus gelegenheid tot nadenken over en zich rekenschap geven van de betekenis en de gevolgen van die daad?
Zijn de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen voor de uitvoering van de moord van betekenis?
Het hof gaat er vanuit dat het specifieke gedrag van het heimelijk lokaliseren van iemand met wie een conflict bestaat en het heimelijk onder een door deze persoon gebruikte auto plaatsen van een peilbaken, voor een opdrachtgever in de zware drugscriminaliteit een beperkt aantal criminele doelen kan hebben. Eén van die voor de hand liggende doelen is het mogelijk maken van een liquidatie. Cruciaal voor het uitvoeren van een liquidatie is de wetenschap wanneer het beoogde slachtoffer zich waar bevindt, zodat schutters hem kunnen onderscheppen. Een liquidatie is gemakkelijker uit te voeren als het slachtoffer zich niet ervan bewust is dat de schutters weten waar hij is. Een heimelijk geplaatst peilbaken is daarom in potentie een belangrijk hulpmiddel voor de uitvoering van een liquidatie. Een argeloos slachtoffer kan met behulp daarvan op een moment naar keuze door een kogelregen worden verrast. Dat het peilbaken ook in deze zaak die functie zou hebben, leidt het hof af uit onder meer de onderschepte SKY-Ecc berichten. Uit die berichten blijkt immers dat het peilbaken moest worden weggehaald en kapotgemaakt op het moment dat de schutters in de buurt van het beoogde slachtoffer waren en dus tot dat moment, kort voor de liquidatie, zou worden gebruikt voor het exact lokaliseren van het beoogde slachtoffer. Dat de SKY-Ecc berichten niet rechtstreeks betrekking hebben op de verdachte en zijn medeverdachte, doet niet af aan hun betekenis om het doel van het peilbaken te duiden. Het peilbaken dat de verdachte en zijn medeverdachte voorhanden hebben gehad was dus voor de uitvoering van de voorbereide moord van betekenis.
Was het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op moord gericht?
Op grond van de vastgestelde feiten gaat het hof er vanuit dat tussen de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 1] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij de door hen uit te voeren opdracht, te weten het lokaliseren van [slachtoffer 1] zonder dat hij dat zou merken, en het daartoe plaatsen van een baken onder de door hem gebruikte auto. Aan de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat het lokaliseren van de auto van [slachtoffer 1] het doel was in plaats van de persoon [slachtoffer 1], hecht het hof geen geloof. Die verklaring is strijdig met wat de verdachte op 20 januari 2022 bij de politie heeft verklaard en is onverenigbaar met zijn handelen op 9 mei 2021 toen er, aldus de verdachte, van werd afgezien om het peilbaken te plakken onder de Mercedes, omdat [slachtoffer 1] daar niet bij was gezien. Dat de verklaring van de verdachte bij de politie op 20 januari 2022 als gevolg van zijn zenuwen minder juist is dan zijn verklaring bij de rechter-commissaris, acht het hof niet aannemelijk.
Het hof neemt als vaststaand aan dat de verdachte bij de aanvaarding van deze opdracht net als zijn medeverdachte [betrokkene 1] er vanuit is gegaan dat de achtergrond van deze opdracht een financieel conflict betrof tussen [slachtoffer 1] en personen die zich bezighielden met het investeren in het transport van een partij cocaïne. Dat de medeverdachte deze informatie niet met de verdachte zou hebben gedeeld, zoals de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, acht het hof niet aannemelijk. Naast het feit dat de verdachte in met die van zijn medeverdachte vergelijkbare bewoordingen over de achtergrond van de opdracht heeft verklaard (‘hij is iemand geld schuldig’ en ‘een paar investeerders dit dat’), speelt bij dat oordeel een rol dat tussen de verdachte en zijn medeverdachte sprake is van een langjarige vriendschappelijke verhouding, dat zijn medeverdachte heeft verklaard dat hij het met de verdachte ‘over de opdracht heeft gehad’ en dat gelet op de aard en de duur van de samenwerking (gedurende een aantal dagen uren samen in een auto optrekken) niet voorstelbaar is dat tussen de verdachte en de medeverdachte niet is gesproken over de achtergrond van de opdracht.
Het is een feit van algemene bekendheid dat conflicten in de wereld van personen die zich bezighouden met het investeren in een transport van een partij cocaïne, gepaard kunnen gaan met zeer grof geweld, waaronder liquidaties.
Het is de verdachte en de medeverdachte duidelijk geweest dat met het lokaliseren van [slachtoffer 1] voor de opdrachtgever een groot belang en urgentie was gemoeid. Toen de verdachte en zijn mededader wilden stoppen met de opdracht nadat [slachtoffer 3] hen op 9 mei 2021 had betrapt, zijn zij door hun opdrachtgever overgehaald om toch nog te proberen een peilbaken te plakken onder de Mercedes waarvan werd verondersteld dat [slachtoffer 1] daarvan ook gebruik maakte. Dat heeft geresulteerd in de actie van de verdachten op 12 mei 2021. Ook uit die actie blijkt dat er voor de opdrachtgevers en de verdachten veel aan gelegen was om [slachtoffer 1] te lokaliseren. De verdachten hebben immers in de nacht van 12 mei 2021 behoorlijk veel moeite gedaan om bij de (ook) door [slachtoffer 1] gebruikte auto te komen. Dat de verdachte en zijn medeverdachte op 12 mei 2021 absoluut niet in bezit van het peilbaken door de politie wilden worden aangehouden en besloten het in een brievenbus te stoppen, beschouwt het hof als blijk van hun bewustzijn zich met zware criminaliteit bezig te houden.
Door onder deze omstandigheden – wetend van een conflict in de zware drugscriminaliteit als achtergrond en wetend van de urgentie bij de opdrachtgever om heimelijk bekend te raken met de locatie van iemand met wie hij een conflict heeft – de opdracht om heimelijk die persoon te traceren en heimelijk een peilbaken onder de door deze persoon gebruikte auto te plaatsen aan te nemen en uit te voeren, zonder vragen te stellen om zich ervan te verzekeren dat dit niet strekte tot voorbereiding van een moord, heeft de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de werkzaamheden van hem en zijn medeverdachte ter uitvoering van die opdracht onderdeel waren van de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 1]. In het planmatige karakter ligt besloten dat ook eraan is voldaan dat de verdachte en zijn mededader gelegenheid hebben gehad tot nadenken over en zich rekenschap geven van de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad.
Het vorenstaande betekent dat bewezen is dat de verdachte met zijn medeverdachte ter voorbereiding van moord een peilbaken voorhanden heeft gehad.
Het hof verwerpt het betoog van de verdediging dat de verdachte niet verder is gekomen dan de voorbereiding van de voorbereiding. Het handelen van de verdachte en zijn mededader voorafgaand aan en ten tijde van het voorhanden hebben van het peilbaken en de context waarbinnen dat plaatsvond, te weten die van een beoogde snel daarop aansluitende liquidatie, maakt duidelijk dat sprake is geweest van daadwerkelijke uiterst serieuze voorbereidingshandelingen van de beoogde moord op [slachtoffer 1]. In aanmerking genomen dat [slachtoffer 1] enkele dagen nadat de verdachte en zijn mededader zijn aangehouden is beschoten rijdend in de auto waaronder de verdachte en zijn medeverdachte het peilbaken wilden plakken en komende uit de parkeergarage waar de verdachte en zijn mededader dat wilden doen, verwerpt het hof ook de stelling van de verdediging dat het de verdachte en zijn mededader niet is gelukt [slachtoffer 1] te traceren. Dat niet vast is komen te staan dat de verdachte of zijn medeverdachte beschikten over apparatuur om de bewegingen van het peilbaken te kunnen volgen, doet aan het vorenstaande niet af.
Te betogen valt – zeker nu duidelijk is waarmee de verdachte en de medeverdachte bezig zijn geweest – dat ook de andere in de tenlastelegging genoemde voorwerpen en het in de tenlastelegging genoemde vervoermiddel als bestemd tot het begaan van dat misdrijf kunnen worden aangemerkt. Het hof is echter van oordeel dat de feiten en omstandigheden in deze zaak niet tot die conclusie dwingen. Die andere voorwerpen en het vervoermiddel staan in een minder nauwe relatie tot de uitvoering van het beoogde delict. Daarom kiest het hof ervoor de bewezenverklaring te beperken tot het peilbaken, waarvan de betekenis voor de uitvoering van de voorbereide moord evident is.”

De toelichting op het middel

8. Blijkens de toelichting op het middel beoogt de steller ervan in de kern te bestrijden dat uit de bewijsconstructie van het hof niet (voldoende begrijpelijk) kan worden afgeleid dat de verdachte opzettelijk een voorwerp (i.c. een peilbaken) voorhanden heeft gehad met het oog op een misdadig doel (i.c. de moord).

Het beoordelingskader

9. Blijkens artikel 46 Sr Pro dient het voorbereidingsmiddel ‘bestemd’ te zijn tot het begaan van het uiteindelijke misdrijf; niet alleen tot de voorbereiding daarvan. Dat uiteindelijke misdrijf moet met zoveel woorden in de tenlastelegging en in de kwalificatie tot uitdrukking komen. [1]
10. Het opzetvereiste van artikel 46 Sr Pro bestrijkt niet alleen de voorbereidingshandeling, zoals het ‘voorhanden hebben’ van ‘voorwerpen’, maar ook de criminele bestemming ervan. De gerichtheid op een bepaald delict mag niet te onbestemd zijn en moet kunnen worden afgeleid uit de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsvoering. Zo overwoog de Hoge Raad in zijn arrest HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:179,
NJ2014/107, omtrent de mate van bepaaldheid van het ‘misdadig doel’ (in het licht van de artikelen 312 en 317 Sr):
“2.3. Aangezien de bewezenverklaring onder 1, voor zover inhoudende dat de verdachte opzettelijk voorwerpen voorhanden heeft gehad die waren ‘bestemd tot het begaan’ van het ‘misdrijf van artikel 312 en Pro/of 317 van het Wetboek van Strafrecht (diefstal met geweld en/of afpersing)’, niet zonder meer kan worden afgeleid uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsvoering, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet begrijpelijk is het kennelijke oordeel van het Hof dat uit die bewijsvoering met voldoende bepaaldheid blijkt welk ‘misdadig doel (...) de verdachte voor ogen stond’. De door het Hof in dat verband in aanmerking genomen omstandigheden dat in de auto van de verdachte voorwerpen zijn aangetroffen die gebruikt kunnen worden bij het plegen van diefstal met geweld en/of afpersing en dat de verdachte met het voorhanden hebben van die voorwerpen bekend was, volstaan daartoe niet.”
11. De Hoge Raad heeft in zijn arrest HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2025, het volgende overwogen omtrent de mate van bepaaldheid van het ‘crimineel doel’ (in het licht de artikelen 312 en 317 Sr):
“2.3. Het kennelijke oordeel van het Hof dat uit de bewijsvoering met voldoende bepaaldheid blijkt welk "crimineel doel" de verdachte met het voorhanden hebben van de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen voor ogen had, is niet onbegrijpelijk, nu het Hof naast de omstandigheid dat "het [op een koopavond] naar een stad rijden met vuurwapens waaronder twee pistoolmitrailleurs, waarvan één doorgeladen, munitie, verhullende kleding, breekijzers/vuisthamers en lege tassen wijst op de intentie van het toepassen van geweld en/of dreigen met geweld en het met gevulde tassen terugkomen van de reis" ook betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat "er (...) onder meer sprake [was] van een voorverkenning, een routebeschrijving en een vooraf bepaalde (globale) aankomsttijd", waarmee het Hof tot uitdrukking heeft gebracht dat de verdachte en zijn medeverdachten een plan hadden voorbereid om het, naar tijd en plaats nader bepaald, in de bewezenverklaring omschreven misdrijf te plegen.”

De bespreking van het middel

12. In cassatie kan van de volgende – voor zover thans relevante – feiten en omstandigheden worden uitgegaan, nu deze door de steller van het middel niet zijn bestreden:
- Op 20 oktober 2020 is in Amsterdam ene [slachtoffer 2] doodgeschoten. De door [slachtoffer 2] gebruikte auto was (enkele uren tevoren) geleend van [betrokkene 2]. Onder deze auto was een peilbaken geplaatst. [betrokkene 2] ging er (volgens berichten die de politie in zijn telefoon heeft aangetroffen) van uit dat hij het beoogde doelwit was. Volgens TCI-informatie is [slachtoffer 1] de schutter. [2]
- De politie heeft kennisgenomen van berichtenverkeer (chats) tussen twee (vooralsnog onbekend gebleven) gebruikers van een applicatie voor cryptocommunicatie, Sky ECC. Die twee gebruikers zijn door de politie ‘[gebruiker 1]’ en ‘[gebruiker 2]’ genummerd, en worden hier ‘A’ en ‘B’ genoemd. Het gaat om berichtenverkeer dat heeft plaatsgehad tussen 29 november 2020 en 29 januari 2021. [3]
- Uit de gesprekken blijkt dat A aan B opdracht geeft om [slachtoffer 1] te liquideren. Daarvoor moet [slachtoffer 1] eerst worden gelokaliseerd. Door B moet een peilbaken worden geplakt onder de auto die [slachtoffer 1] gebruikt. Zodra [slachtoffer 1] op deze wijze is gelokaliseerd en de schutters ter plaatse zijn, moet B het peilbaken verwijderen. B moet het melden als hij de auto ziet, dan meldt A het als de schutters er zijn.
- Ter uitvoering van de opdracht om [slachtoffer 1] te liquideren zijn in de periode van januari t/m maart 2021 verschillende voorbereidingshandelingen verricht. Op 28 januari 2021 zijn twee personen ([betrokkene 3] en [betrokkene 4]) aangehouden, nadat zij met vuurwapens hebben klaargestaan voor de sportschool waar [slachtoffer 1] werkte. Op 4 maart 2021 zijn twee andere personen ([medeverdachte] en [betrokkene 5]) door de broer van [slachtoffer 1] betrapt toen zij een peilbaken onder de door [slachtoffer 1] gebruikte auto probeerden te plakken. [4]
- Tussen 7 en 12 mei 2021 hebben de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 1] zich beziggehouden met het zoeken van [slachtoffer 1] en gepoogd een peilbaken onder de door hem gebruikte auto te plaatsen. [5] Volgens de verdachte was hij kort daarvoor door zijn jeugdvriend [betrokkene 1] benaderd om samen een klus te doen. Zij moesten iemand vinden die ‘anderen geld schuldig was’. [betrokkene 1] had de verdachte foto’s laten zien van deze persoon en had ook adressen en kentekens doorgegeven gekregen.
- Op 9 mei 2021 zijn de verdachte en [betrokkene 1] betrapt door [slachtoffer 3] (de vriendin van [slachtoffer 1]) toen zij haar wilden volgen om te zien of zij naar [slachtoffer 1] toeging. [slachtoffer 3] heeft toen een notitie in haar telefoon gezet met het kenteken van de auto die op dat moment in gebruik was bij de verdachten. [6]
- Op 12 mei 2021 hebben de verdachte en [betrokkene 1] geprobeerd om in de parkeergarage te komen waar een zwarte Mercedes ([kenteken 2]) – waarvan zij vermoedden dat [slachtoffer 1] deze in gebruik had – geparkeerd stond om daaronder een peilbaken te plakken. Toen het alarm van de parkeergarage afging, heeft de verdachte het peilbaken snel in een brievenbus gestopt. Daarna zijn hij en [betrokkene 1] door de politie aangehouden. [7]
- Op 16 mei 2021 heeft een aanslag plaatsgevonden op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]. Twee personen hebben op de [a-straat] te [plaats] met automatische wapens geschoten op een zwarte Mercedes ([kenteken 2]) met daarin [slachtoffer 1] als bijrijder en [slachtoffer 3] als bestuurster kort nadat zij de parkeergarage onder haar woning hadden verlaten. [slachtoffer 3] is als gevolg hiervan overleden. [8]
13. Op grond van het voorgaande staat volgens het hof vast dat de handelingen van de verdachte ertoe strekten [slachtoffer 1] te lokaliseren met het oog op zijn – naar ik begrijp: door anderen uit te voeren – liquidatie. De vraag die thans voorligt, is of uit ’s hofs bewijsvoering ook kan volgen of het opzet van de verdachte op het begaan van die moord was gericht. De op dat punt belangrijkste overwegingen van het hof komen op het volgende neer (zie randnummers 14 en 15).
14. Het heimelijk plaatsen van een peilbaken is in potentie een belangrijk hulpmiddel voor de uitvoering van een liquidatie. Dat het peilbaken ook in deze zaak die functie zou hebben, heeft het hof onder meer afgeleid uit de onderschepte Sky ECC-berichten. Daaruit blijkt immers
“dat het peilbaken moest worden weggehaald en kapotgemaakt op het moment dat de schutters in de buurt van het beoogde slachtoffer waren en dus tot dat moment, kort voor de liquidatie, zou worden gebruikt voor het exact lokaliseren van het beoogde slachtoffer”. De verdachte heeft de ‘klus’ om [slachtoffer 1] heimelijk te traceren door heimelijk een peilbaken onder zijn auto te plaatsen, aangenomen en uitgevoerd zonder de opdrachtgever nadere vragen te stellen omtrent het doel van de opdracht, terwijl hij volgens het hof wist van een tussen [slachtoffer 1] en de opdrachtgever bestaand financieel conflict in de zware drugscriminaliteit. Immers:
i. de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 1] hebben in vergelijkbare bewoordingen over de achtergrond van de opdracht verklaard (‘hij is iemand geld schuldig’ en ‘een paar investeerders dit dat’);
ii. [betrokkene 1] heeft verklaard dat de investeringen betrekking hadden op een mislukt (cocaïne)transport;
iii. [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij het met de verdachte over de opdracht heeft gehad, terwijl het gelet op de aard en de duur van de samenwerking (gedurende een aantal dagen, uren samen in een auto optrekken) ook niet voorstelbaar is dat daarover niet zou zijn gesproken.
15. Dat de verdachte zich ervan bewust was zich met (zware) criminaliteit bezig te houden, en dus van de noodzaak om niet in het bezit van een peilbaken te worden opgepakt, wordt bovendien bevestigd doordat hij het baken snel in een brievenbus heeft gestopt vlak voordat hij door de politie werd aangehouden. Tot slot moet het de verdachte en [betrokkene 1] duidelijk zijn geweest dat, nu de opdrachtgever hen daartoe in slechts enkele dagen meermalen heeft bewogen, met het lokaliseren van [slachtoffer 1] voor de opdrachtgever een groot belang en urgentie was gemoeid, aldus oordeelde het hof.
16. Naar mijn inzicht heeft het hof op grond van de onderschepte Sky ECC-berichten en de loop van de gebeurtenissen voorafgaand aan de moord op [slachtoffer 1] kunnen oordelen (i) dat er een plan bestond om [slachtoffer 1] te laten liquideren, (ii) dat hij daarvoor door middel van een peilbaken onder zijn auto moest worden gelokaliseerd, en (iii) dat er ter uitvoering van de beoogde moord door voorgangers van de verdachte verschillende voorbereidingshandelingen zijn verricht (zoals weergegeven onder randnummer 12).
17. Bezien in het licht van deze feiten en omstandigheden heeft het hof de daaropvolgende, specifiek door de verdachte verrichte gedragingen kunnen duiden. De door het hof toegepaste bewijsvoering omtrent de toedracht van en de beweegredenen voor de werkzaamheden van de verdachte berust in essentie op een atypische variant van (handelingsgericht) schakelbewijs. [9] Daarbij maakt het hof voor de vaststelling van die toedracht en beweegredenen (mede) gebruik van informatie die kan worden ontleend aan misdrijven die weliswaar door anderen dan de verdachte zijn uitgevoerd, maar waarmee niettemin significante overeenkomsten bestaan en die in een (veelzeggende) chronologie hebben plaatsgehad.
18. Het hof heeft kunnen oordelen dat (ook) de handelingen van de verdachte, te weten de poging om een peilbaken aan te brengen onder een door [slachtoffer 1] gebruikte auto, ertoe strekten [slachtoffer 1] te lokaliseren teneinde hem te laten vermoorden. Bovendien heeft het hof, mede gelet op de overige door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden (zoals weergegeven onder randnummers 14 en 15), in onderlinge samenhang beschouwd, kunnen oordelen dat de verdachte met het aannemen en uitvoeren van de opdracht ook bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij samen met de medeverdachte [betrokkene 1] met het doel om [slachtoffer 1] te laten liquideren, en dus met opzet dáárop, voorbereidingshandelingen heeft verricht. Dat oordeel is bovendien toereikend gemotiveerd.

Slotsom

19. Het middel faalt.
20. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie nader: HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4200,
2.Zie bewijsmiddel 15.
3.Het hof vat de inhoud ervan in de bewijsoverwegingen kort samen, en heeft in de bewijsmiddelencatalogus als bewijsmiddel 16 elf pagina’s met (onverhuld) berichtenverkeer (in straattaal) weergegeven.
4.De Volkswagen Polo met [kenteken 1] heeft op naam gestaan van [betrokkene 6], een neef van [slachtoffer 1]. Volgens [betrokkene 7] gaat [slachtoffer 1] veel met zijn neef om. [slachtoffer 1] is blijkens BVH in het betreffende voertuig gecontroleerd en in de periode van 2 augustus tot en met 26 februari 2021 stond deze auto op naam van de vriendin van [slachtoffer 1] genaamd [slachtoffer 3]. Zie bewijsmiddel 15.
5.Zie bewijsmiddel 10.Verder wijst het hof in een voetnoot op de inmiddels onherroepelijke veroordeling van [betrokkene 1] voor ‘medeplegen voorbereiding van moord’.
6.Zie bewijsmiddel 7.
7.Zie bewijsmiddel 3 en 10.
8.Zie bewijsmiddel 9 en 15.
9.Zie voor toelichting op dit begrip mijn conclusie van 6 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:555 (Jos B), randnummer 300 en randnummers 312-315.