ECLI:NL:PHR:2024:538

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 mei 2024
Publicatiedatum
16 mei 2024
Zaaknummer
23/03452
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1064 RvArt. 1064a lid 1 RvArt. 1064a lid 2 RvArt. 1064a lid 4 RvArt. 1064a lid 5 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt onherroepelijke onbevoegdheid arbitraal scheidsgerecht en wijst cassatieberoep af

Deze zaak betreft een langdurig geschil tussen Güriş c.s. en Bursa over schadevergoeding wegens vertraging bij de aanleg van een metrolijn in Bursa, Turkije. Partijen waren overeengekomen geschillen via arbitrage te beslechten in Den Haag. Na meerdere arbitrale procedures en vernietigingen van arbitrale vonnissen, verklaarde het scheidsgerecht zich in 2021 onbevoegd. Güriş c.s. vorderden vernietiging van dat vonnis, maar het hof wees die vordering af omdat onbevoegdheid van het scheidsgerecht niet tot vernietiging kan leiden.

Güriş c.s. stelden dat het hof het fundamentele rechtsbeginsel van effectieve toegang tot het recht had geschonden door hun vordering af te wijzen en verzochten de Hoge Raad om een rechter aan te wijzen die bevoegd is het geschil te behandelen. De Hoge Raad oordeelde dat de vernietigingsprocedure strikt geregeld is en dat het onbevoegdheidsoordeel van het scheidsgerecht definitief is. Het hof kon dat oordeel niet vernietigen en hoefde niet te toetsen of de Nederlandse rechter als forum necessitatis kon optreden.

De Hoge Raad verwierp alle klachten en het aanvullende verzoek van Güriş c.s. De procedure illustreert de beperkte mogelijkheden tot herziening van arbitrale bevoegdheidsoordelen en benadrukt het belang van een efficiënte arbitrageprocedure. De bevoegdheid van de overheidsrechter herleeft na vernietiging van een arbitraal vonnis, maar dat betekent niet automatisch dat de Nederlandse rechter bevoegd is. De Hoge Raad bevestigt hiermee de rechtszekerheid en het bijzondere karakter van de vernietigingsprocedure tegen arbitrale vonnissen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Güriş c.s. wordt verworpen en het aanvullende verzoek afgewezen, waarmee het hofarrest dat de vernietigingsvordering afwees in stand blijft.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03452
Zitting17 mei 2024
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
1. Güriş Insaat ve Mühendislik A.S., gevestigd te Ankara, Turkije
2. Siemens Aktiengesellschaft, gevestigd te München, Duitsland
3. Siemens Sanayi ve Ticaret A.S. (SIMKO), gevestigd te Istanbul, Turkije
4. Tüvasas Türkiye Vagon Sanayi A.S., gevestigd te Adapazari, Turkije
(hierna gezamenlijk: Güriş c.s.)
tegen
Bursa Büyüksehir Belediyesi, gevestigd te Bursa, Turkije
(hierna: Bursa)
Deze langlopende zaak over schadevergoeding naar aanleiding van de vertraagde aanleg van een metrolijn in de Turkse stad Bursa bereikt de Hoge Raad thans voor de vierde keer. [1] In cassatie gaat het dit keer over de vraag of het hof door de vordering tot vernietiging van het tussen partijen gewezen arbitrale vonnis af te wijzen, het fundamentele rechtsbeginsel van effectieve rechtsbescherming heeft geschonden. Het middel bevat daarover verschillende klachten alsmede een bijzonder aanvullend verzoek/vordering.

1.Feiten en procesverloop

1.1
In cassatie kan, kort gezegd, van de volgende feiten worden uitgegaan. [2] Bursa is een stad in Turkije die in 1997 aan Güriş c.s. opdracht heeft gegeven tot de bouw van een metrolijn. In de overeenkomst waarin de opdracht is vastgelegd zijn partijen overeengekomen dat alle geschillen die uit de overeenkomst voortvloeien, worden beslecht door middel van arbitrage volgens het arbitragereglement van het ICC met Den Haag als plaats van arbitrage. Bij de bouw van de metrolijn is vertraging ontstaan. Güriş c.s. stellen schade te hebben geleden omdat zij als gevolg van deze vertraging grondstoffen en diensten later hebben moeten inkopen tegen hogere kosten vanwege de inflatie in Turkije.
1.2
Güriş c.s. hebben een arbitrage aanhangig gemaakt tegen Bursa waarin zij vergoeding van de schade hebben gevorderd. In die arbitrageprocedure zijn de vorderingen van Güriş c.s. bij arbitraal vonnis van 23 februari 2002 afgewezen. Güriş c.s. hebben bij de rechtbank Den Haag een vordering tot vernietiging van dit vonnis ingesteld. Bij vonnis van 25 augustus 2004 heeft de rechtbank het arbitrale vonnis vernietigd, omdat het niet voldeed aan de essentiële ondertekeningsvoorschriften van art. 1057 lid 2 en Pro 3 Rv (oud). Het vonnis van de rechtbank is bekrachtigd door het hof Den Haag bij arrest van 29 november 2006. [3] Het daartegen ingestelde cassatieberoep heeft de Hoge Raad verworpen bij arrest van 5 december 2008. [4]
1.3
Güriş c.s. zijn op 21 april 2009 een nieuwe arbitrageprocedure begonnen. Het scheidsgerecht in deze procedure heeft zich bij arbitraal vonnis van 25 oktober 2010 onbevoegd verklaard, omdat op grond van art. 1067 Rv Pro (oud) de bevoegdheid van de gewone rechter om het geschil te beslechten was herleefd na vernietiging van het arbitrale vonnis van 23 februari 2002.
1.4
Bij dagvaarding van 6 juli 2009 heeft Bursa een procedure aanhangig gemaakt tegen Güriş c.s. bij de rechtbank Den Haag waarin zij een verklaring voor recht heeft gevorderd dat zij niets meer aan Güriş c.s. verschuldigd was. Güriş c.s. hebben zich beroepen op de onbevoegdheid van de rechtbank. De rechtbank heeft zich bij vonnis van 26 oktober 2011 onbevoegd verklaard om van deze vordering kennis te nemen op grond van de volgende overwegingen: (i) art. 1067 Rv Pro (oud) schept geen internationale bevoegdheid, (ii) er is geen sprake van een forumkeuze voor de rechtbank en (iii) de rechtbank kan niet als
forum necessitatisworden aangemerkt op grond van art. 9 Rv Pro, omdat het niet onmogelijk is om over deze vorderingen te procederen bij de bevoegde rechter in Turkije. [5]
1.5
Güriş c.s. hebben bij de rechtbank Den Haag vernietiging van het arbitraal vonnis van 25 oktober 2010 gevorderd. Bij vonnis van 18 december 2013 heeft de rechtbank deze vordering afgewezen. [6] In reconventie heeft Bursa opnieuw een verklaring voor recht gevorderd dat zij niets meer aan Güriş c.s. verschuldigd is. Ook in deze procedure hebben Güriş c.s. betoogd dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is van deze vordering kennis te nemen. Bij vonnis in het bevoegdheidsincident van 10 oktober 2012 [7] heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard, onder verwijzing naar het eerder genoemde rechtbankvonnis van 26 oktober 2011.
1.6
Bursa heeft hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van de rechtbank Den Haag van 26 oktober 2011 en 10 oktober 2012. Deze procedures hebben partijen in onderling overleg ‘uit hoofde van proceseconomie’ doorgehaald, nadat Güriş c.s. op 21 maart 2014 een procedure bij de rechtbank Den Haag zijn begonnen waarin zij een verklaring voor recht hebben gevorderd dat Bursa aansprakelijk is voor de vertraging in de bouw van de metrolijn en dat Bursa gehouden is de door Güriş c.s. geleden schade te vergoeden. In die procedure heeft Bursa de onbevoegdheid van de rechtbank ingeroepen.
1.7
Bij vonnis van 4 mei 2016 heeft de rechtbank de vordering tot onbevoegdverklaring afgewezen op grond van de overweging dat de afspraak om de procedures in hoger beroep door te halen impliceerde dat Bursa zich niet tegen de bevoegdheid van de Nederlandse rechter zou verzetten. [8] Het vonnis van de rechtbank is vernietigd door het hof Den Haag bij arrest van 13 juni 2017. [9] Naar het oordeel van het hof kon de brief waarbij de advocaat van Bursa had voorgesteld de procedures in hoger beroep door te halen, niet worden aangemerkt als een schriftelijke overeenkomst waarbij de bevoegdheid van de Nederlandse rechter was overeengekomen. Het hof heeft de Nederlandse rechter alsnog onbevoegd verklaard om van de vorderingen van Güriş c.s. kennis te nemen.
1.8
Vervolgens hebben Güriş c.s. geprobeerd de zaak voor te leggen aan de Turkse rechtbank te Bursa. In die procedure heeft Bursa zich echter op het standpunt gesteld dat de Turkse rechter niet bevoegd is, omdat partijen arbitrage zijn overeengekomen. Bij vonnis van 28 mei 2019 heeft de rechtbank te Bursa zich om die reden onbevoegd verklaard. Tegen dat vonnis heeft geen der partijen hoger beroep ingesteld.
1.9
Güriş c.s. hebben op 6 april 2020 een arbitrageprocedure aanhangig gemaakt. Het scheidsgerecht heeft zich bij arbitraal vonnis van 21 juni 2021 onbevoegd verklaard om van de vorderingen van Güriş c.s. kennis te nemen, onder verwijzing naar het arbitraal vonnis van 25 oktober 2010. De conclusie van het scheidsgerecht in rov. 126 van het vonnis luidt als volgt (in de – niet altijd duidelijke – Nederlandse vertaling van het in het Turks opgestelde vonnis):
‘In het licht van al deze evaluaties is vastgesteld dat het arbitragebeding tussen partijen is afgeschaft met de arbitrale uitspraak in de 4e arbitragezaak, [de zaak die is geëindigd met het vonnis van 25 oktober 2010, A-G] die definitief en bindend is voor partijen, met name als gevolg van de arbitrage geding tussen partijen, en is geconcludeerd dat geen nieuwe arbitrageovereenkomst/voorwaarde is gemaakt en niet is gevormd tussen partijen. Bij meerderheid van stemmen is besloten dat ons scheidsgerecht met betrekking tot dit geschil niet bevoegd is om kennis te nemen van de zaak.’
1.1
Het arbitraal vonnis is tot stand gekomen bij meerderheid van stemmen. Eén van de drie arbiters was van oordeel dat het scheidsgerecht wel bevoegd was, en dat Bursa misbruik maakte van het recht door een beroep te doen op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht, terwijl zij in de procedure bij de Turkse rechter had betoogd dat het geschil tussen partijen door arbiters moest worden beslecht. Deze arbiter heeft zijn standpunt vastgelegd in een
dissenting opinion.
1.11
Vervolgens hebben Güriş c.s. bij het hof Den Haag vernietiging gevorderd van het arbitrale vonnis van 21 juni 2021. Het hof heeft bij arrest van 6 juni 2023 de vordering afgewezen, met veroordeling van Güriş c.s. in de proceskosten. Hiertoe heeft het hof, kort samengevat, het volgende overwogen. Art. 1065 lid Pro 1, onder a, Rv voorziet niet in een bevoegdheid van de rechter tot vernietiging van een arbitraal vonnis waarbij een scheidsgerecht zich onbevoegd heeft verklaard. Als een scheidsgerecht zich onbevoegd heeft verklaard, herleeft de bevoegdheid van de rechter (rov. 5.6 en 5.10). Aan het fundamentele rechtsbeginsel dat een ieder recht heeft op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige geschillenbeslechter, kunnen Güriş c.s. geen recht ontlenen om hun zaak voor te leggen aan een bij overeenkomst tot arbitrage aangewezen scheidsgerecht (rov. 5.7 en 5.8). Het hof komt niet toe aan de beoordeling van de stelling van Güriş c.s. dat in de procedure voor de Turkse rechter een nieuwe arbitrageovereenkomst tot stand is gekomen, want die beoordeling hoort thuis bij het scheidsgerecht als onderdeel van de vaststelling van zijn eigen bevoegdheid. In het arbitrale vonnis van 21 juni 2021 heeft het scheidsgerecht die stelling verworpen en zich onbevoegd verklaard. Het hof kan die beoordeling op grond van art. 1065 lid Pro 1, onder a, Rv niet overdoen (rov. 5.9 en 5.10). Güriş c.s. hebben als gronden voor vernietiging van het arbitrale vonnis ook aangevoerd dat sprake is van misbruik van procesbevoegdheid, misbruik van recht, handelen in strijd met de goede procesorde en rechtsverwerking. Het scheidsgerecht heeft gemotiveerd geoordeeld dat het op die gronden geen bevoegdheid kan aannemen. Daarmee staat de onbevoegdheid van het scheidsgerecht voor het hof vast en het hof kan dat oordeel niet vernietigen (rov. 5.12). Ook het beroep van Güriş c.s. op art. 1065 lid Pro 1, onder c en d, Rv wordt verworpen (rov. 5.14-5.18).
1.12
Ten overvloede heeft het hof nog overwogen dat het scheidsgerecht is uitgegaan van het gezag van gewijsde van de onbevoegdheidsbeslissing van het eerste scheidsgerecht. Güriş c.s. hebben het hof tijdens de mondelinge behandeling gevraagd om in het arrest op te nemen dat in deze omstandigheden de Nederlandse rechter als
forum necessitatiszou kunnen optreden. Voor zover Güriş c.s. daarmee hebben bedoeld hun eis te wijzigen, komt die eiswijziging te laat. Verder is het niet aan het hof om zich hierover uit te laten. Als Güriş c.s. besluiten op die grond een procedure bij de Nederlandse rechter te beginnen, zal de rechtbank daarover moeten beslissen. Het eigenlijke probleem waarvoor Güriş c.s. zich gesteld zien, is dat zowel de Nederlandse rechter als de Turkse rechter zich onbevoegd heeft verklaard. Dat hebben Güriş c.s. deels aan zichzelf te wijten, maar het kan in ieder geval geen reden zijn om het arbitrale vonnis te vernietigen. De bevoegdheid van de overheidsrechter is herleefd (rov. 5.19 en 5.20).
1.13
Güriş c.s. hebben (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof en tevens een bijzonder verzoek/vordering ingesteld. [10] Güriş c.s. vorderen althans verzoeken de Hoge Raad:
‘Primair:
te verklaren dat een geldige arbitrageovereenkomst bestaat of op het moment van de uitspraak geacht moet worden te bestaan om de geschillen tussen partijen te beslechten volgens de regels van de ICC met als plaats van arbitrage Den Haag en, althans,
Bursa een verbod op te leggen in een dergelijke arbitrage incidenten, vorderingen, stellingen of verzoeken op te werpen of in te nemen die ertoe strekken de bevoegdheid van arbiters te betwisten of anderszins een inhoudelijke behandeling van het geschil tussen partijen te vertragen of frustreren, een en ander op straffe van een direct opeisbare eenmalige dwangsom van EUR 15 miljoen.
Subsidiair:
te verklaren dat een door de Hoge Raad te bepalen hof in Nederland, althans, enige ander door de Hoge Raad aan te wijzen overheidsrechter, bevoegd is of zal zijn om inhoudelijk te oordelen over de geschillen tussen partijen, en, althans,
Bursa een verbod op te leggen in een procedure voor zo een overheidsrechter incidenten, vorderingen, stellingen of verzoeken op te werpen of in te nemen die ertoe strekken de bevoegdheid van het gerecht te betwisten of anderszins een inhoudelijke behandeling van het geschil tussen partijen te vertragen of frustreren, een en ander op straffe van een direct opeisbare eenmalige dwangsom van EUR 15 miljoen.
Meer subsidiair:
Een andere voorziening te treffen die voorziet binnen een effectieve rechtsbescherming binnen een redelijke termijn.
Primair en (meer) subsidiair:
Güriş c.s. vorderen op grond van het voorgaande tevens de vernietiging van het bestreden arrest, met zodanige verdere beslissing, als de Hoge Raad juist zal achten.
Primair en (meer) subsidiair:
Bursa te veroordelen in de kosten.’
1.14
Bursa heeft een verweerschrift ingediend en heeft haar standpunten schriftelijk doen toelichten, waarna door Güriş c.s. is gerepliceerd.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel bestaat uit een inleiding (onder A), een uiteenzetting over het juridisch kader over ‘de effectieve toegang tot het recht’ (onder B), de klachten (onder C) en een aanvullend verzoek c.q. vordering (onder D). De klachten vallen in drie onderdelen uiteen.
2.2
Onderdeel 1klaagt dat het hof heeft miskend dat de effectieve rechtsbescherming in de kern is aangetast, mede gezien het procedureverloop over een periode van ongeveer twintig jaar. Het onderdeel betoogt dat de effectieve rechtsbescherming een fundamenteel rechtsbeginsel betreft dat het hof had moeten waarborgen. Het onderdeel oppert dat het hof voor recht had kunnen verklaren dat het geschil aan arbiters zal moeten worden voorgelegd, de zaak aan zich had kunnen houden, een rechter in eerste aanleg had kunnen aanwijzen als
forum necessitatis, of een bevel had kunnen geven dat ertoe strekt dat in de toekomst geen bevoegdheidsverweren meer mogen worden opgeworpen. Volgens het onderdeel kan in het midden blijven wat het hof precies had kunnen en moeten doen.
2.3
Het onderdeel verliest uit het oog dat het in deze procedure gaat om een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis op de voet van art. 1064 Rv Pro. De vernietigingsprocedure heeft een bijzonder karakter. Zo is sprake van slechts één feitelijke instantie (art. 1064a lid 1 Rv), met de mogelijkheid van cassatieberoep (art. 1064a lid 5 Rv). Dat de vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis niet in twee feitelijke instanties wordt beoordeeld, voorkomt dat partijen na het doorlopen van een arbitrageprocedure nog veel extra tijd en kosten kwijt zijn in de procedure bij de overheidsrechter. [11] De vordering tot vernietiging moet binnen de relevante vervaltermijn van drie maanden (art. 1064a lid 2 Rv) worden ingesteld bij het gerechtshof van het ressort waarin de plaats van arbitrage is gelegen (art. 1064a lid 1 Rv). De wet bevat een limitatieve opsomming van vernietigingsgronden (art. 1065 lid 1 Rv Pro). Alle gronden tot vernietiging moeten, op straffe van verval van het recht daartoe, in de dagvaarding worden voorgedragen (art. 1064a lid 4 Rv). Dit voorschrift strekt niet alleen ertoe te voorkomen dat in meerdere, achtereenvolgende procedures over de rechtsgeldigheid van een arbitraal vonnis wordt gedebatteerd, [12] maar ook om de vernietigingsprocedure zélf zo efficiënt mogelijk te doen verlopen en deze niet te laten belemmeren doordat telkens weer nieuwe gronden voor vernietiging van het arbitrale vonnis in de vernietigingsprocedure kunnen worden aangevoerd. [13] Hiermee strookt dat de Hoge Raad in 2009 heeft geoordeeld dat deze bepaling (destijds art. 1064 lid 5 Rv Pro (oud)) zich er op zichzelf niet tegen verzet dat een nadere uitwerking wordt gegeven van een bij inleidende dagvaarding aangevoerde grond. [14] Die mogelijkheid is echter wel begrensd. Zo zijn er specifieke bepalingen die voorschrijven wanneer een bepaalde vernietigingsgrond (voor het eerst) moet worden ingeroepen, op straffe van verval van recht om daarop later alsnog een beroep te doen. Dat zal in een concreet geval telkens moeten worden beoordeeld, mede gelet op de eisen van een goede procesorde. [15] Deze mogelijkheid moet niet al te ruim worden opgevat. [16] Vernietigt het hof een arbitraal vonnis wegens het ontbreken van een overeenkomst tot arbitrage, dan kan het hof niet meteen het geschil ten gronde beslechten. Al aangenomen dat de Nederlandse rechter de bevoegde rechter is – dat is niet steeds vanzelfsprekend [17] –, is een beoordeling van het materiële geschil aan de rechtbank, nu de bevoegdheid van de overheidsrechter herleeft nadat de vernietigingsuitspraak van het hof in kracht van gewijsde is gegaan (art. 1067 Rv Pro). [18] Overigens is het mogelijk om in een vernietigingsprocedure – het buitengewone rechtsmiddel heeft geen schorsende werking (art. 1066 lid 1 Rv Pro) – bij wege van incidentele vordering schorsing van de tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis te vorderen bij ‘de rechter die omtrent de vernietiging oordeelt’ (art. 1066 lid 2 Rv Pro). [19] Dat kan ook de Hoge Raad zijn, indien tegen de uitspraak van het hof cassatieberoep aanhangig is. [20] Dit alles maakt duidelijk dat de vernietigingsprocedure efficiënt dient te verlopen. Het belang van een voortvarend procesverloop komt bijvoorbeeld ook tot uitdrukking in de al oudere keuze van de wetgever om bij de overheidsrechter geen tussentijds beroep van arbitrale tussenvonnissen open te stellen [21] en strookt met het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de overheidsrechter ‘slechts in sprekende gevallen’ dient in te grijpen in arbitrale beslissingen. [22]
2.4
In de zaak die in cassatie aan de orde is, heeft het scheidsgerecht zich in het arbitrale vonnis van 21 juni 2021 onbevoegd verklaard. Het hof heeft in rov. 5.11 – in cassatie onbestreden – overwogen dat het scheidsgerecht deze onbevoegdverklaring heeft gebaseerd, enerzijds, op het gezag van gewijsde van het eerdere arbitrale vonnis van 25 oktober 2010 en, anderzijds, op het oordeel dat in de procedure bij de Turkse rechter geen nieuwe arbitrageovereenkomst is ontstaan. Van zo’n beslissing tot onbevoegdheid wegens het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage kan geen vernietiging op de voet van art. 1065 lid 1 Rv Pro worden gevorderd, zo heeft de Hoge Raad geoordeeld in zijn arrest van 21 april 2023. [23] Uit de bewoordingen van dat arrest volgt dat het er niet toe doet op welke specifieke vernietigingsgrond(en) een beroep wordt gedaan. [24] Een arbitraal onbevoegdheidsoordeel is dus definitief. [25]
2.5
Uit het voorgaande volgt dat de beslissing van het scheidsgerecht die de aanleiding vormt voor onderhavige vernietigingsprocedure, niet vatbaar is voor vernietiging op de voet van art. 1065 lid 1 Rv Pro. Daarmee is gegeven dat de afwijzende beslissing van het hof op de vernietigingsvordering van Güriş c.s. juist is. Het onderdeel stuit hierop geheel af.
2.6
Onderdeel 2betoogt dat Güriş c.s. onverminderd aanspraak hebben op effectieve rechtsbescherming en dat geen van de overwegingen van het hof iets kan afdoen aan die fundamentele aanspraak. Het onderdeel bevat drie klachten.
2.7
De
eerste klachtbetoogt dat als rov. 5.1-5.19 zo moeten worden gelezen dat het recht op effectieve rechtsbescherming zou moeten wijken voor de wettelijke bepalingen inzake vernietiging van arbitrale vonnissen, het hof in dat geval heeft miskend dat dergelijke regels terzijde moeten worden gesteld als een zuivere toepassing daarvan meebrengt dat een hoger gerangschikt rechtsbeginsel in de kern wordt aangetast.
2.8
De klacht bouwt voort op onderdeel 1 en faalt om dezelfde redenen.
2.9
De
tweede klachtis gericht tegen rov. 5.20, waarin het hof naar aanleiding van een verzoek van Güriş c.s. om de Nederlandse rechter als
forum necessitatisbevoegd te achten, heeft overwogen dat – voor zover dit een eiswijziging zou betreffen – die eiswijziging te laat komt. Volgens de klacht heeft het hof kennelijk ten onrechte toepassing gegeven aan de strikte regels die gelden voor een eiswijziging in hoger beroep, terwijl in deze zaak sprake is van een procedure in eerste aanleg. In elk geval had het hof kenbaar moeten toetsen aan het criterium in art. 130 Rv Pro. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de in dit geval beperkte en voorzienbare eiswijziging strijdig is met de goede procesorde, aldus de klacht.
2.1
Ook deze klacht bouwt voort op de voorafgaande klachten. Ik wijs erop dat het hof in rov. 5.20 bovendien heeft overwogen dat het niet aan het hof is om zich uit te laten over de vraag of de Nederlandse rechter als
forum necessitatiszou kunnen optreden. Deze overweging kan het oordeel van het hof zelfstandig dragen. De klacht verliest uit het oog dat geen sprake was van – in de woorden van de klacht – een ‘beperkte en voorzienbare eiswijziging’, omdat het verzoek van Güriş c.s. om de Nederlandse rechter als
forum necessitatisbevoegd te achten een geheel andere vordering betreft dan de vordering tot vernietiging van het arbitraal vonnis die in déze procedure aan de orde is. De klacht faalt daarom.
2.11
De
derde klachtis gericht tegen rov. 5.8, waarin het hof het beroep van Güriş c.s. op ‘het fundamentele rechtsbeginsel dat een ieder recht heeft op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige geschillenbeslechter’ heeft verworpen. Volgens de klacht is dit oordeel rechtens onjuist en ontoereikend gemotiveerd.
2.12
De klacht bouwt voort op onderdeel 1 en faalt in het voetspoor daarvan. Ik herhaal dat het hof niet de mogelijkheid had om het arbitrale vonnis, waarin het scheidsgerecht zich onbevoegd heeft verklaard, te vernietigen. Ook was het hof niet gehouden om in deze procedure te beoordelen of sprake was van een situatie waarin de Nederlandse rechter als
forum necessitatismoest worden aangewezen. Tegen deze achtergrond behoefde het hof niet te responderen op de stellingen van Güriş c.s. over de begrijpelijkheid van hun eerdere proceskeuzes, [26] wat er ook zij van de feitelijke constateringen dat Güriş c.s. niet alle mogelijkheden hebben benut om het geschil aan de rechter voor te leggen. [27]
2.13
Onderdeel 3is gericht tegen rov. 5.12, waarin het hof heeft overwogen dat het hof het onbevoegdheidsoordeel van het scheidsgerecht ook niet kan vernietigen op de overige gronden die Güriş c.s. hebben aangevoerd, te weten misbruik van procesbevoegdheid, misbruik van recht, handelen in strijd met de goede procesorde en rechtsverwerking. Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom het in deze zaak niet mogelijk zou zijn dat open normen meebrengen dat een bevoegdheidsverweer van Bursa terzijde moet worden gesteld en dat op basis van de eerder door Bursa ingenomen stellingen moet worden aangenomen dat wel degelijk sprake is van een geldige overeenkomst tot arbitrage, aldus het onderdeel.
2.14
Zoals uit de bespreking van de voorgaande onderdelen volgt, heeft het hof met juistheid de vordering tot vernietiging van het arbitrale vonnis afgewezen. Anders dan het onderdeel tot uitgangspunt neemt, heeft het hof het onbevoegdheidsoordeel van het scheidsgerecht niet onderschreven, maar slechts geoordeeld dat het onbevoegdheidsoordeel niet voor vernietiging door het hof in aanmerking komt. Daarmee faalt het onderdeel bij gebrek aan feitelijke grondslag.
2.15
Ik kom tot de slotsom dat alle klachten van het middel falen. Ik geef Uw Raad in overweging het cassatieberoep te verwerpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.

3.Aanvullend verzoek/aanvullende vordering

3.1
In het middel (
onder D) hebben Güriş c.s. een aanvullend verzoek althans aanvullende vordering gedaan, die ertoe strekt ‘eens en voor altijd een einde te maken aan deze wrange en frustrerende juridische variant van verstoppertje’. [28] Güriş c.s. vragen, kort gezegd, aan de Hoge Raad om een instantie aan te wijzen die kennis kan nemen van het geschil, gecombineerd met een verbod van Bursa om af te zien van het opwerpen van bevoegdheidsincidenten en van andere pogingen om een inhoudelijke behandeling van het geschil te vertragen of te frustreren (versterkt met een dwangsom van € 15 miljoen).
3.2
Güriş c.s. baseren zich primair op de fundamentele beginselen van effectieve rechtsbescherming en/of de toegang tot de rechter. Nu deze beginselen in de kern zijn aangetast zal volgens Güriş c.s. een voorziening moeten worden getroffen, waarbij zo nodig zal moeten worden afgeweken van de reguliere wettelijke regelingen. Als subsidiaire grondslag voor hun verzoek verwijzen Güriş c.s. naar de regeling van art. 415 Rv Pro, waarbij zij opmerken dat het wettelijk stelsel een open systeem van incidenten kent en aldus enige ruimte biedt om voorzieningen te treffen. Meer subsidiair doen Güriş c.s. een beroep op art. 420 Rv Pro.
3.3
Met deze verzoeken/vorderingen bouwen Güriş c.s. voort op de klachten die in het middel worden aangevoerd. Güriş c.s. miskennen dat het rechtsmiddel van art. 1064 Rv Pro inzake vernietiging van een arbitraal vonnis in de weg staat aan beoordeling van deze verzoeken/vorderingen. De verzoeken/vorderingen moeten daarom worden afgewezen.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot afwijzing van de aanvullende verzoeken en vorderingen van Güriş c.s. en voor het overige tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De drie eerdere uitspraken zijn: HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3799,
2.Zie het bestreden arrest van hof Den Haag van 6 juni 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:999, rov. 1.1 en 3.1-3.10.
3.Hof Den Haag 29 november 2006, ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ3177,
4.HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3799,
5.Rb. Den Haag 26 oktober 2011, zaaknr. 350290/HA ZA 09-3564 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
6.Rb. Den Haag 18 december 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:16937.
7.Rb. Den Haag 10 oktober 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BY1641.
8.Rb. Den Haag 4 mei 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:5491.
9.Hof Den Haag 13 juni 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1584 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
10.Het verzoek om spoedbehandeling is door de enkelvoudige kamer van de Hoge Raad afgewezen, net als het verzoek om in het incident eerst en vooraf te beslissen.
11.Zie de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel modernisering van het arbitragerecht,
12.HR 27 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4003,
13.Aldus Snijders in zijn noot in
14.HR 27 maart 2009, rov. 4.3.4.
15.HR 27 maart 2009, rov. 4.3.4. Zie voor recente toepassingen: Hof Arnhem-Leeuwarden, 16 januari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:381, rov. 3.16; Hof Amsterdam 20 juni 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1441, rov. 4.7.
16.Zie HR 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8099,
17.Dat illustreert ook deze zaak, waarin met Nederland geen enkele aanknoping bestaat (anders dan dat de arbitrage hier heeft plaatsgevonden). Zie bijv. ook Asser Procesrecht/Sanders, Meijer & Ernste 8 2023/532: ‘Het is uiteraard niet zo dat bij herleving van de competentie van de gewone rechter in alle gevallen de Nederlandse rechter de bevoegde rechter is. In internationale arbitrages is het niet denkbeeldig dat een vreemde rechter de bevoegde rechter is. De bevoegde rechter zal dan volgens de regels van internationaal privaatrecht moeten worden vastgesteld.’
18.Zie ook
19.HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:840,
20.HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1511,
21.HR 20 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6207,
22.Zie bijv. HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:422,
24.Zie bijv. Asser Procesrecht/Sanders, Meijer & Ernste 8 2023/477.
25.Vgl. H. Koster, ‘De Hoge Raad over onbevoegdheid arbitraal scheidsgerecht’,
26.Zie de procesinleiding van Güriş c.s., nr. 15 onder d.
27.Zie de procesinleiding van Güriş c.s., nr. 15 onder c.
28.Zie de procesinleiding van Güriş c.s., nr. 19.