ECLI:NL:PHR:2024:456

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 mei 2024
Publicatiedatum
22 april 2024
Zaaknummer
21/04698
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 SrArt. 6:96 lid 2 BWArt. 51f lid 1 SvArt. 361 lid 2 SvArt. 321 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling ambtenaar voor verduistering geld en toewijzing schadevergoeding

De verdachte, werkzaam als ambtenaar bij de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens opzettelijke verduistering van geld dat hij in zijn bediening had. Hij had contante betalingen van belastingplichtigen geïnd, maar deze niet afgedragen aan de organisatie. Het hof wees een schadevergoeding toe aan de benadeelde partij en legde een taakstraf op.

In cassatie werden drie middelen ingediend: een motiveringklacht over het opzet van de verdachte, een klacht over de toewijzing van de schadevergoeding, en een klacht over de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie. De Hoge Raad verwierp de eerste twee middelen, waarbij werd bevestigd dat het opzet op verduistering niet vereist dat het gericht is op wederrechtelijke toe-eigening en dat de kosten van het inschakelen van een extern onderzoeksbureau als rechtstreekse schade kunnen worden beschouwd.

Het derde middel slaagde omdat de inzendtermijn in cassatie met ruim twaalf maanden was overschreden, wat leidde tot vernietiging van het vonnis voor zover het de straf betreft, met een vermindering van de strafmaat. Voor het overige werd het beroep verworpen.

Uitkomst: Veroordeling ambtenaar voor verduistering met toewijzing schadevergoeding en strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/04698
Zitting14 mei 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 9 november 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens "als ambtenaar opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich heeft verduisteren, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (verder: BghU) toegewezen tot een bedrag van € 19.080,43 en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
Het eerste middel keert zich met een motiveringklacht tegen het oordeel van het hof over het opzet van de verdachte op het verduisteren van het geld dat hij onder zich had. Het tweede middel klaagt over de toewijzing door het hof van de door de benadeelde partij geleden schade. Het derde middel bevat een klacht over de inzendtermijn in cassatie. Voordat ik de middelen bespreek, geef ik hieronder eerst de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het hof weer.

2.Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op tijdstippen in de periode van 22 september 2014 tot en met 31 augustus 2016, te Utrecht telkens als ambtenaar opzettelijk geld, dat hij in zijn bediening, te weten als deurwaarder voor BghU (belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht), onder zich had, heeft verduisterd.”
2.2
Daartoe heeft het hof de volgende bewijsmiddelen gebezigd (met weglating van de verwijzingen naar de dossierpagina’s):

In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0900-2016311943, gesloten en getekend op 27 juni 2017, door verbalisant [verbalisant 1], hoofdagent van politie eenheid Midden-Nederland.
1. Het door verbalisant [verbalisant 2], BOA domein generieke opsporing politie eenheid Midden-Nederland, in de wettelijke vorm: opgemaakte proces-verbaal van aangifte, genummerd PL0900-2016311943-1 2016 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2], verbalisant BOA domein generieke opsporing van politie (…) voor zover inhoudende de
verklaring van [aangever] (namens Bghu), zakelijk weergegeven:
Ik doe aangifte van verduistering. Ik ben gemachtigd voor het doen van deze aangifte. Ik ben directeur bij genoemde benadeelde, BGHU Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, gevestigd op het Stadsplateau 1 te Utrecht. Ik doe bij deze aangifte tegen [verdachte].
De [verdachte] was in dienst van bovengenoemde benadeelde, als deurwaarder. Op 3 juni 2016 heeft zich een belastingschuldige gemeld aan het loket bij een medewerkster van werkstroom innen. Deze belastingschuldige gaf aan een brief te hebben ontvangen waarin vermeld stond dat de belastingschuld niet was voldaan. De belastingschuldige gaf aan deze schuld volledig te hebben afgelost bij [verdachte] en overhandigde de uitgeschreven kwitanties aan de medewerkster. Deze kwitanties zijn uitgeschreven door [verdachte]. Deze kwitanties zijn per e-mail verzonden aan [verdachte] met het verzoek om uit te zoeken waar het geld was gebleven en een terugkoppeling te geven.
Als een vordering niet is geïnd krijgt de belastingschuldige wederom een brief met het verzoek om tot betaling over te gaan. Als een belastingschuldige het geldbedrag of een deel van het geldbedrag heeft betaald bij de deurwaarder, moet dit bedrag door de deurwaarder worden afgestort bij BGHU. Een baliemedewerker geeft de deurwaarder dan een computerkassabon als betalingsbewijs of een kwitantie mee als bewijs dat het geld is afgestort.
Op 14 juni 2016 heeft [verdachte] een bedrag van ongeveer 1.500,00 euro (vijftienhonderd) betaald bij de balie bij een medewerker klantcontact ten behoeve van de belastingschuldige. Er bleef nog een bedrag van 57,01 euro aan rente openstaan. [verdachte] heeft gevraagd aan de senior medewerker om het bedrag af te boeken. De senior medewerker heeft vervolgens gezegd dit te melden bij de leidinggevende. [verdachte] heeft toen gezegd dat hij zelf contact op zou nemen.
De senior medewerker heeft vervolgens contact opgenomen met de leidinggevende en de situatie uitgelegd. [verdachte] heeft zelf geen contact meer opgenomen met de leidinggevende.
Er heeft op 20 juni 2016 een gesprek plaatsgevonden met [verdachte] en twee andere personen van de BGHU. In dit gesprek is gevraagd of [verdachte] de afdracht bonnen kon overleggen. Dit zijn de bonnen van het gestorte geld. [verdachte] kon deze niet overhandigen.
Vervolgens is een bedrijfsrecherchebureau, genaamd Hoffmann ingeschakeld om onderzoek te doen. Er zijn diverse bedragen niet afgestort door [verdachte], welke hij wel heeft geïnd bij belastingschuldige.
2. Een geschrift,
zijnde een rapport, opgemaakt door Hoffmann bedrijfsrecherche[…] voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:
Bedragen die door de [verdachte] bij belastingschuldigen zijn geïnd en door hem niet zijn afgedragen bij BghU en dus niet zijn afgeboekt op een of meerdere vorderingen van de betreffende belastingschuldigen; [betrokkene 1] en [betrokkene 2].
In het geval van belastingschuldige [betrokkene 1] gaat het om een totaalbedrag van € 7.502,33 dat werd betaald door deze belastingschuldige.
In het geval van belastingschuldige [betrokkene 2] gaat het om een bedrag van € 365,- dat werd betaald door deze belastingschuldige op 22 september 2014. Dit bedrag werd geïnd maar niet afgedragen door de [verdachte].
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor van aangever, met als
bijlage een brief aan verdachte, Fout! De documentvariabele ontbreekt, van politie eenheid Midden-Nederland, proces-verbaalnummer
Fout! De documentvariabele ontbreekt. PL0900-2016311943-2, d.d. 16 november 2016 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2], verbalisant BOA domein generieke opsporing van politie […] voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:
Geachte [verdachte],
Naast de gedragingen, zoals beschreven in het voorgenomen besluit d.d. 30 augustus 2016, is uit recent onderzoek gebleken dat u bij twee andere belastingplichtigen ook bedragen heeft geïnd en deze vervolgens niet heeft afgedragen aan de BghU. Het betreft de volgende bedragen:
Belastingplichtige [betrokkene 3]
23 november 2015 € 700,-
23 december 2015 € 430,-
25 januari 2016 € 700,-
26 februari 2016 € 970,-
23 maart 2016 € 400,-
8 mei 2016 € 500,-
27 mei 2016 € 500,-
14 juni 2016 € 210,-
Augustus 2016 € 400,-
Totaal € 4.810,-
Belastingplichtige [betrokkene 4]
22 oktober 2014 € 150,-
9 oktober 2014 € 100,-
26 november 2014 € 150,-
6 januari 2015 € 150,-
28 januari 2015 € 150,-
5 maart 2015 € 150,-
Totaal € 850,-
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal verhoor van verdachte, proces-verbaalnummer PLO900-2016311943-4, d.d. 4 mei 2017, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1], hoofdagent van politie […] voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:
V: vraag
A: antwoord
O: opmerking
M: mededeling
O: Ik toon de verdachte bijlage 1.1 en 1.2, te weten 5 kopieën van kwitanties op naam van [betrokkene 1].
V: Wat kan jij over deze kwitanties verklaren?
A: Er valt verder weinig over te verklaren. Ik heb ze uitgeschreven en geïnd.
M: Het betreffen vier kwitanties welke contant zijn geïnd en 1 welke met een pintransactie is geïnd. A: Bij mijn weten en in mijn herinnering heb ik meerdere malen ook pintransacties verricht.
M: De drie contante betalingen zijn met een kwitantieboekje van Stichtse Rijnlanden en gemeente Utrecht uitgeschreven in het jaar 2015. De pintransactie is uitgeschreven met een kwitantieboekje van BGHU, maar in het jaar 2014.
V: Wat was de reden dat je nog gebruik maakte van een oud kwitantieboekje in het jaar 2015 terwijl de nieuwe BGHU kwitantieboekjes in 2014 al in gebruik waren?
A: Omdat ik hem nog had, maar hij was alleen niet val.
V: Wat heb je met het geld gedaan die hij deze kwitanties horen?
A: Nou blijkbaar zijn daar dingen verkeerd mee gegaan en ik heb dat ook terug betaald. Dus daar kan ook geen discussie over zijn. Ik heb later een brief gekregen getekend door BGHU en daar stonden bedragen op, maar geen namen. Ik heb het toen maar betaald. Ik heb toen ook zelf ontslag genomen op voorstel van BGHU en kwam niet voor een uitkering in aanmerking. Daarna heb ik nog een brief gekregen met bedragen en zonder namen en die heb ik ook betaald. In de hoop dat de kous hier mee af was. (...) Ik ben ook gewoon naïef geweest en laks. (...)
V: Ik hoor je zeggen er zijn dingen verkeerd gegaan, wat is er dan verkeerd gegaan?
A: Nou dat ik te laks was om dingen af te storten.
5. Het door verbalisant [verbalisant 2], BOA domein generieke opsporing politie eenheid Midden-Nederland, in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte,
met als bijlage het voorgenomen besluit d.d. 30 augustus 2016, genummerd PL0900-2016311943-1 2016 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2], verbalisant BOA domein generieke opsporing van politie […] voor zover inhoudende een overzicht van vijf betalingen, zakelijk weergegeven:
Vast staat dat u de volgende vijf betalingen heeft geïnd:
- 22 september 2014 (€ 365,--)
- 26 november 2014 (€ 250,--)
- 6 januari2015 (€ 250,--)
- 2 maart 2015 (€100,--)
- 28 april 2015 (€119,-)
Uit uitvoerig onderzoek blijkt dat u deze bedragen niet heeft afgedragen aan BghU. Het spreekt voor zich dat u als goed ambtenaar, zeker in uw functie, de door u geïnde bedragen dient af te dragen. Dat heeft u echter niet gedaan en daarmee heeft u zich schuldig gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim.”
2.3
Voorts heeft het hof de volgende bewijsoverwegingen in het arrest opgenomen:

Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit. Er is voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig in het dossier. De advocaat-generaal stelt dat de door de verdediging naar voren gebrachte alternatieve scenario’s onvoldoende aannemelijk zijn gemaakt.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde feit, omdat verdachte geen opzet heeft gehad op het verduisteren van geld. De raadsman heeft hierbij betoogd dat verdachte geen bekennende verklaring heeft afgelegd, omdat hij altijd heeft gezegd dat hij de bedragen, die hij contant had ontvangen van de benadeelde belastingplichtigen, wél heeft afgestort.
Bovendien heeft de raadsman bepleit dat er in het onderzoek van Hoffman bedrijfsrecherche en in het onderzoek van de politie sprake was van een tunnelvisie richting de verdachte, omdat alternatieve scenario’s onvoldoende zijn onderzocht.
Volgens de raadsman is door deze tunnelvisie onvoldoende onderzocht of er geen administratieve fouten zijn gemaakt aan de zijde van de gemeente.
De verdediging wijst ook op diverse contra-indicaties voor opzet bij verdachte, namelijk dat als verdachte de opzet had gehad op het verduisteren van geld er meer gehaaide of gemakkelijkere methodes aanwezig waren geweest.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende. Verdachte is in de tenlastegelegde periode werkzaam geweest als gemeenteambtenaar bij de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (hierna: BghU). In zijn functie als gemeenteambtenaar stond hij onder andere in contact met belastingplichtigen om betalingsregelingen te treffen met de BghU.
Een belastingplichtige kon er voor kiezen om verdachte, die vaak in de functie van deurwaarder aan de deur kwam bij deze belastingplichtigen, contant te betalen om de aanwezige schuld (gedeeltelijk) afte lossen. Verdachte had vervolgens ambtshalve de plicht om dit geld namens de belastingplichtige zo snel mogelijk afte storten bij de BghU.
Uit het dossier blijkt echter dat er bij veel van deze contante betalingen aan verdachte geen aanwijzingen te vinden zijn in de administratie van zowel de BghU als de gemeente dat verdachte deze bedragen daadwerkelijk heeft afgestort. Dit terwijl verdachte feitelijk de beschikking had over grote hoeveelheden contant geld van anderen, waardoor hij op de hoogte moet zijn geweest van het feit dat hij ten onrechte de bestemming van dit contante geld onttrok door het in zijn bezit te houden. Hiermee maakte verdachte zich als ambtenaar schuldig aan opzettelijke verduistering van dit geld.
Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario waarin de gemeente of de BghU de vorderingen verkeerd zou hebben afgeboekt, acht het hof niet aannemelijk geworden, nu dit scenario grove en systematische administratiefouten bij de gemeente en/of de BghU veronderstelt, terwijl het dossier hier geen aanknopingspunten voor biedt.
Evenmin acht het hof aannemelijk geworden dat verdachte geen opzet had op het verduisteren van geld. De door de verdediging geschetste contra-indicaties en tunnelvisie in het vooronderzoek doen hier naar het oordeel van het hof niet aan af, nu verdachte door het telkens in ontvangst nemen van contant geld steeds geconfronteerd moet zijn geweest met een plichtsbesef om dit geld zo snel mogelijk af te storten namens de belastingplichtige en het desondanks elke keer heeft nagelaten.”

3.Het eerste middel

3.1
Het eerste middel klaagt over het oordeel van het hof over het opzet van de verdachte op het verduisteren van de gelden. Gesteld wordt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de uitleg en/of de reikwijdte van het voor een bewezenverklaring vereiste opzet op de wederrechtelijkheid van het toe-eigenen. Ook is dit oordeel onbegrijpelijk nu de bewijsmiddelen de bewezenverklaring op dit punt niet kunnen dragen. In de toelichting op het middel is daartoe aangevoerd dat het opzet van de verdachte moet zijn gericht op het wederrechtelijk toe-eigenen van de gelden (ofwel er moet sprake zijn van ‘boos’ opzet). Dat de verdachte telkens moet zijn geconfronteerd met een plichtsbesef om het geld zo snel mogelijk af te storten, is onvoldoende om dat ‘boze’ opzet vast te stellen. Dat opzet blijkt verder ook niet uit de bewijsmiddelen. Verder wordt in de toelichting op het middel nog aangevoerd dat het hof – door te overwegen dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte geen opzet had op het verduisteren van geld – de bewijslast van het ontbreken van opzet op de wederrechtelijkheid bij de verdachte lijkt neer te leggen.
Bespreking van het eerste middel
3.2
Art. 359 Sr Pro luidt:
“De ambtenaar of een ander met enige openbare dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon, die opzettelijk geld of geldswaardig papier dat hij in zijn bediening onder zich heeft, verduistert of toelaat dat het door een ander weggenomen of verduisterd wordt, of die ander daarbij als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
3.3
Voor zover het middel klaagt dat voor een veroordeling op grond van art. 359 Sr Pro nodig is dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachtes opzet is gericht op het wederrechtelijk toe-eigenen van de gelden faalt het. De term verduistering in de zin van art. 359 Sr Pro omvat geen wederrechtelijke toe-eigening. [1] Vereist is slechts dat de gelden aan hun bestemming zijn onttrokken. [2] Art. 359 Sr Pro is geen specialis ten opzichte van art. 321 Sr Pro [3] waarin verduistering strafbaar is gesteld, zoals de steller van het middel betoogt, maar een zuiver ambtsmisdrijf dat alleen door een ambtenaar kan worden gepleegd. [4] De ratio van deze strafbaarstelling is gelegen in de bescherming van het publiek tegen misbruik van overheidsgezag en het bevorderen van (het vertrouwen van het publiek) in de integriteit van het openbaar gezag.
3.4
Voor het overige faalt het middel eveneens. Uit de door het hof gebezigde bewijsconstructie blijkt dat de verdachte wist dat hij de gelden die hij ontving zo snel mogelijk aan de gemeente had moeten afstorten, maar dat hij dit bewust niet gedaan heeft. Dat het hof niet aannemelijk heeft geacht dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het verduisteren van het geld vind ik niet onbegrijpelijk gelet op het uit de bewijsmiddelen blijkende grote aantal keren dat de verdachte heeft verzuimd het geld af te dragen. Dit brengt mee dat de bewezenverklaring voldoende is gemotiveerd. Ik zie niet in, zoals door de steller van het middel wordt aangevoerd, dat door te overwegen dat de verdachte beseft moet hebben dat hij het geld dat hij ontving zo snel mogelijk had moeten afdragen, het hof de bewijslast met betrekking tot het vereiste opzet heeft omgekeerd.
3.5
Het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het tweede middel bevat de klacht dat het hof een deel van de vordering van de benadeelde partij ten onrechte heeft toegewezen, omdat dit deel niet als rechtstreekse schade in de zin van art. 51f en art. 361 Sv Pro kan worden aangemerkt. Het andersluidende oordeel van het hof getuigt volgens de steller van het middel van een onjuiste rechtsopvatting over de reikwijdte van het begrip rechtstreekse schade en/of is onbegrijpelijk. Uit de toelichting op het middel blijkt dat het gaat om de kosten die gemaakt zijn door een extern bedrijf (Hoffmann Bedrijfsrecherche BV) in te schakelen om onderzoek te doen naar het handelen van de verdachte. Volgens de steller van het middel zijn deze kosten aan te merken als indirecte schade, omdat de benadeelde partij er zelf voor heeft gekozen deze kosten te maken en staan deze kosten in een te ver verwijderd verband van het strafbare handelen om als rechtstreekse schade te kunnen worden aangemerkt. Bovendien kan het toegewezen bedrag niet als ‘redelijke kosten’ worden beschouwd gelet op de verhouding tussen de kosten van het externe onderzoeksbureau € 19.080,43 en het bedrag dat door de verdachte is verduisterd (en reeds terugbetaald) van € 1.370,00.
4.2
Alvorens ik aan de bespreking van het tweede middel toekom, geef ik hieronder eerst de relevante passages uit de door de verdediging ter zitting overgelegde pleitnota en ook de relevante passages uit het bestreden arrest weer.
4.3
Door de verdediging is ter zitting van het hof blijkens de overgelegde pleitnota het volgende aangevoerd:

Onderzoek Hoffmann bedrijfsrecherche
7.5. Door BghU is Hoffmann ingeschakeld, doch was daartoe geen enkele daadwerkelijke noodzaak aanwezig. Feitelijk heeft Hoffmann slechts wat gesprekken gevoerd met diverse werknemers en daarvan een verslag gemaakt, hetgeen BghU net zo goed zelf had kunnen voeren en uitwerken Bovendien hebben deze gesprekken - voor zover dat al een onderzoek kan worden genoemd - geen nieuwe feiten of omstandigheden dan wel ongeregeldheden aan het daglicht gebracht. Sterker nog, van een gedegen onderzoek kan niet gesproken worden, omdat er nadat het onderzoek al lang en breed was afgerond er nog andere ongeregeldheden boven water zijn gekomen (vergelijk P116 e.v.). Vanzelfsprekend staat niet vast aan wie of wat dat deze ongeregeldheden toegerekend kunnen worden. Dit onderstreept echter wel overduidelijk dat Hoffmann helemaal geen deugdelijk onderzoek heeft verricht.
Vast staat dat u de volgende vijf betalingen heeft geïnd:
- 22 september 2014 (€ 365,-)
- 26 november 2014 (€ 250,-)
- 6 januari 2015 (€ 250.-)
- 2 maart 2015 (€ 100,-)
- 28 april 2015 (€ 119,-)
Na afronding van het onderzoek zijn er meerdere fraudegevallen boven water gekomen
Om die reden ligt de vordering voor afwijzing gereed, althans dient BghU niet-ontvankelijk te worden verklaard ter zake deze vordering.
7.6. Als we de door Hoffmann in rekening gebrachte kosten afzetten tegen de (ingeschatte) gewerkte uren, dan is men bij Hoffmann meer bezig geweest met het schrijven van uren, dan daadwerkelijk onderzoek. De ongespecificeerde factuur laat een bedrag zien van € 19.080,43. Dit in rekening gebrachte tarief is op geen enkele wijze aan de hand van een specificatie te controleren. Bovendien wordt het bedrag inclusief BTW gevorderd, terwijl BghU - ongetwijfeld - de BTW verrekend heeft en dus ‘winst’ maakt op het gevorderde bedrag.
7.7. Als we het in rekening gebrachte tarief terug rekenen, dan komen we op extreem bovenmatige tarieven. Op drie dagen hebben er namelijk gesprekken plaatsgevonden met werknemers binnen BghU (op dag 1 circa 7 uur op dag 2 circa 7 1/2 uur en op dag 3 circa 6 uur, dus in totaal 20 1/2 uur). Daarnaast is er een rapportage opgesteld van 16 inhoudelijke pagina’s. Indien wordt uitgegaan van 1 uur tijdsinvestering per pagina (ruim genomen), dan bedraagt de totale tijdsinvestering 36 1/2 uur. Bij het in rekening gebrachte tarief komt dat neer op € 530,01 per uur, een buitensporig hoog bedrag. Genoeg redenen om de vordering (al dan niet grotendeels) af te wijzen, althans (grotendeels) niet ontvankelijk te verklaren.”
4.4
Het hof heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij het volgende overwogen:

Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft verzocht om toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich bij een veroordeling op het subsidiaire standpunt gesteld dat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en om die reden niet ontvankelijk dient te worden verklaard.
Meer subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat er geen sprake is van rechtstreeks geleden schade door de benadeelde partij. De verdediging heeft hierbij aangevoerd dat BghU Hoffman heeft ingeschakeld terwijl hiertoe geen directe noodzaak voor was. Bovendien rekent Hoffman volgens de verdediging een buitensporig en ongespecificeerd hoog bedrag. Om die reden dient dit gedeelte van de vordering (grotendeels) afgewezen, dan wel (grotendeels) niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Ten aanzien van de advieskosten van Vijverberg Juristen heeft de raadsman bepleit dat er gen noodzaak bestond voor BghU om Vijverberg Juristen in te schakelen, nu BghU een eigen juridische afdeling heeft. Hierdoor zijn deze kosten niet rechtstreeks verbonden met het strafbare feit. Om die reden dient dit gedeelte van de vordering (grotendeels) afgewezen, dan wel (grotendeels) niet-ontvankelijk te worden verklaard. De verdediging heeft ten slotte bepleit dat de gevorderde loonkosten evenmin een dergelijk rechtstreeks verband hebben met het strafbare feit en dienen te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Oordeel van het hof
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 44.149,64. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 19.080,43. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Het verweer van de verdediging dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de geleden schade en het bewezenverklaarde strafbare feit volgt het hof niet, nu het onderzoek van Hoffman er mede toe heeft geleid dat deze verduistering aan het licht kwam. Bovendien overweegt het hof dat van de benadeelde partij niet verwacht hoeft te worden dit onderzoek geheel zelf uit te voeren, nu een extern en onafhankelijk onderzoek ook tot hele andere uitkomsten had kunnen leiden.
Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
[…]
BESLISSING
[…]
Vordering van de benadeelde partij BGHU
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij BGHU ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 19.080,43 (negentienduizend tachtig euro en drieënveertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bespreking van het tweede middel
4.5
Bij bespreking van het middel dient voorop te worden gesteld dat uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat materiële schade slechts voor vergoeding in aanmerking komt als deze kan worden aangemerkt als rechtstreekse schade als bedoeld in art. 51f lid 1 Sv en art. 361 lid 2 aanhef Pro en onder b Sv. Bij beantwoording van de vraag of sprake is van rechtstreekse schade zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. [5] In het licht van art. 6:96 lid 2 onder Pro b BW vallen onder het begrip rechtstreekse schade ook “de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt om het gepleegde strafbare feit aan het licht te brengen”. [6] Zo bepaalde de Hoge Raad in een enigszins vergelijkbare casus dat de kosten die waren gemaakt door een verzekeringsmaatschappij om een vermoedelijk frauduleuze schademelding te onderzoeken als rechtstreekse schade konden worden aangemerkt. [7] Dat gold ook voor de kosten van onder meer de bedrijfsrecherche in verband met onderzoek naar diefstal door een stagiair. [8] Dit is anders voor onderzoeken die een voortvloeisel zijn van een publiekrechtelijke taak. [9]
4.6
In het licht van het voorgaande faalt het middel voor zover daarin het standpunt wordt ingenomen dat in het onderhavige geval de schade in een te ver verwijderd verband van het strafbare handelen staat om als rechtstreekse schade te kunnen worden aangemerkt. Het hof heeft de schade aangemerkt als kosten die zijn gemaakt om het strafbare feit aan het licht te brengen in de zin van art. 6:96 lid 2 onder Pro b BW. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, zeker gezien het feit dat bij de door het hof gebezigde bewijsmiddelen ook passages uit het door de bedrijfsrecherche opgestelde rapport zijn opgenomen.
4.7
De steller van het middel voert verder nog aan dat het toegewezen bedrag niet ‘redelijk’ is. De steller van het middel wijst hierbij naar de hoogte van het schadebedrag in verhouding tot, naar ik begrijp, het door de verdachte verduisterde bedrag.
4.8
Art. 6:96 lid 2 onder Pro b BW behelst een dubbele redelijkheidstoets, namelijk dat zowel de beslissing tot het maken van de kosten als het daarmee gemoeide bedrag redelijk moeten zijn. [10] De klacht richt zich niet tegen de beslissing van de benadeelde partij om Hoffmann Bedrijfsrecherche in te schakelen, maar, zo leid ik uit de toelichting af, tegen de redelijkheid van de omvang van de hiermee gemoeide kosten in verhouding tot het verduisterde bedrag.
4.9
Volgens Lindenbergh is het oordeel omtrent de redelijkheid van de gemaakte kosten in belangrijke mate voorbehouden aan de feitenrechter wat meebrengt dat deze grotendeels is ontheven van zijn motiveringsplicht. [11] Wel kan uit de rechtspraak van de Hoge Raad worden afgeleid dat beslissingen hieromtrent “zodanig moeten worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geven in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang, om de beslissing zowel voor partijen als voor derden, de hogere rechter daaronder begrepen, controleerbaar en aanvaardbaar te maken.” [12] Lindenbergh meent – op basis van de literatuur – dat ter invulling van de redelijkheidsmaatstaven de volgende factoren van belang zijn: “de aard van de schade, de omvang van de schade, de vraag of verweer is gevoerd of is te verwachten, de aard van de werkzaamheden en de deskundigheid van degene die de werkzaamheden heeft verricht.” [13]
4.1
Waar leidt dit alles toe in de onderhavige zaak? Door de steller van het middel wordt alleen aangevoerd dat de kosten onredelijk zijn, omdat de door de verdachte veroorzaakte schade slechts € 1370,00 bedraagt. Dit verweer is echter op de zitting van het hof niet gevoerd. [14] Daar is de buitensporigheid van het in rekening gebrachte bedrag en het feit dat dit niet nader is gespecificeerd aan de orde gesteld. Daarover wordt in cassatie niet meer geklaagd. De klacht over de disproportionaliteit van het schadebedrag kan niet voor het eerst in cassatie aan de orde worden gesteld zodat de klacht alleen al faalt op dit punt. Het is mij ook niet duidelijk waar de steller van het middel het bedrag van € 1370,00 op baseert. Dit bedrag wordt in de ter terechtzitting overgelegde pleitnota wel genoemd, maar in het kader van een bewijsverweer met betrekking tot alle bedragen die de verdachte zou hebben achtergehouden. Het hof heeft in zijn bewijsoverwegingen geen totaalbedrag dat door de verdachte is verduisterd, vastgesteld. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen – waarvan de inhoud in cassatie onbetwist is gebleven – leid ik af dat het gaat om een totaal verduisterd bedrag van ruim € 8000 [15] (waarbij ik het in bewijsmiddel 2 genoemde bedrag van € 7.502,33 heb aangepast naar € 1502,33 nu het hier gaat om een kennelijke verschrijving door het hof). De klacht mist dus feitelijke grondslag wat betreft de omvang van de verduisterde bedragen en faalt eveneens op deze grond.
4.11
Bovendien leid ik uit de rechtspraak van de Hoge Raad niet af dat de enkele omstandigheid dat het geldbedrag dat door het misdrijf is verkregen significant lager is dan de kosten die zijn gemaakt om het strafbare feit aan het licht te brengen, meebrengt dat niet aan de redelijkheidstoets van art. 6:96 BW Pro is voldaan. In het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad uit 2013 [16] had het hof de kosten van de bedrijfsrecherche (ongeveer € 8000) en de personeelskosten die waren gemaakt in verband met de interviews die de bedrijfsrecherche had afgenomen (ruim € 2000) toegewezen. Het ging in deze zaak om een diefstal waarbij het weggenomen bedrag op minder dan € 2000 was begroot. [17] De Hoge Raad overwoog dat toewijzing van deze kosten – mede in het licht van art. 6:96 lid 2 onder Pro b BW – geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en achtte het oordeel van het hof dat de kosten die door de benadeelde partij waren gemaakt ook in omvang redelijk zijn, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
4.12
Het middel faalt.

5.Het derde middel en de bespreking daarvan

5.1
Het derde middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.
5.2
Deze klacht is gegrond. Namens de verdachte is op 11 november 2021 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 26 juli 2023 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen, hetgeen betekent dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim twaalf maanden is overschreden. [18] Dit dient volgens de gebruikelijke maatstaf tot strafvermindering te dienen.

6.Slotsom

6.1
Het eerste en het tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het derde middel slaagt.
6.2
Ambtshalve merk ik op dat sinds het instellen van het cassatieberoep tot aan de datum van deze conclusie reeds twee jaren zijn verstreken, zodat de redelijke termijn ook in dat opzicht is overschreden. [19] Ook dit dient te leiden tot strafvermindering.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Ik geef toe dat de memorie van toelichting hierover geen duidelijkheid verschaft (zie M. Scharenborg, Wetsgeschiedenis strafrecht (1886-2021), Tweede Boek: Misdrijven – artikel 296 tot Pro 423 Sr, p.377, die opmerkt dat het niet duidelijk is of de wetgever verduisteren heeft bedoeld in de zin van art. 321 Sr Pro). Algemeen aangenomen wordt echter dat wederrechtelijke toe-eigening (en dus ook opzet daarop) niet is vereist, (zie Van Roomen/Nab, T&C Sr, art. 359 , aant. 10 onder a (actueel tot en met 1 augustus 2023). Dit volgt ook uit HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1449, NJ 2015/279, m.nt. redactionele aantekening, rov. 2.6.1.
2.HR 27 maart 1990, NJB 1990/103 (zie NJB 1990, afl. 25, p. 1016, rov. 5.1).
3.Anders dan art. 359 Sr Pro bevat art. 312 Sr Pro wel het bestanddeel “wederrechtelijk zich toeëigent”.
4.Zie Van Roomen/Nab in T&C Sr, aant. 1d en e van de Inleidende opmerkingen bij Titel XXVIII, Amtsmisdrijven, (actueel tot en met 1 augustus 2023).
5.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m.nt. Vellinga, rov. 2.3.1.
6.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m.nt. Vellinga, rov. 2.4.3, onder b.
7.HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7077, NJ 2008/468, m.nt. Borgers, rov. 4.4.
8.HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5333, rov. 2.5.
9.Zo kwam een door SFB Uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekeringen N.V. ingesteld onderzoek niet voor vergoeding in aanmerking op grond van art. 6:96 lid 2 BW Pro. De civiele kamer van de Hoge Raad overwoog in dit verband als volgt: “Het door SFB met gebruikmaking van die bevoegdheid uitgevoerde opsporingsonderzoek is een uitvloeisel van haar publiekrechtelijke taak, strekkende tot het opsporen van met strafrechtelijke of administratieve sancties bedreigde feiten. De kosten van een dergelijk onderzoek, verbonden aan de uitoefening van een bijzondere opsporingsbevoegdheid die primair het algemeen belang dient, worden in het algemeen niet op individuele burgers afgewenteld. De publiekrechtelijk regelgeving waarop de opsporingsbevoegdheid van de functionarissen van SFB die onderzoeken als de onderhavige verrichten berust, houdt geen afwijking in van dit uitgangspunt: die regelgeving voorziet niet in de mogelijkheid van kostenverhaal. Een kostenverhaal via het privaatrecht, zoals het SFB voorstaat, zou dan ook op onaanvaardbare wijze de publiekrechtelijke regeling doorkruisen, ook indien het SFB bij een onderzoek als hier aan de orde in de eerste plaats erom te doen zou zijn alsnog ten onrechte niet betaalde premies te innen.” (HR 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2835, NJ 2003/360, rov. 3.5.2). Deze jurisprudentielijn is ook door de strafkamer bevestigd. In een arrest uit 2017 werd bepaald dat – behoudens uitzonderingen – de politie niet de kosten van de opsporing als schade kan verhalen op de verdachte (HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:221, NJ 2017/140, m.nt. Lindenberg, rov. 3.4.2-3.4.3).
10.Zie N.A. Schipper en L.A.J. Lock, Het slachtoffer: De positie van het slachtoffer en zijn rechten in het strafproces, Deventer: Wolters Kluwer, 2023, p. 119; J. Candido (red.), Slachtoffer en de rechtspraak: Handleiding voor de strafrechtspraktijk, 2017, p.133; en F.F. Langemeijer, Het slachtoffer in het strafproces, Deventer: Wolters Kluwer 2010, p. 158).
11.S.D. Lindenbergh, Buitengerechtelijke kosten: vijf visies op de redelijkheid, Den Haag: Stichting Personenschade Instituut van Verzekeraars (PIV) 2000 p.21. Zie ook HR 15 februari 1995, ECLI:NL:HR:1995:AC4035, NJ 1996/347, m.nt. Morzer Bruyns, rov. 3.7.
12.HR 17 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9712, NJ 2006/621, rov 4.3.
13.Lindenbergh 2000, a.w., p.22. Zie ook de conclusie van AG Timmerman (onder 3.8) voor HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2797 (De Jonge/Scheper Ziekenhuis).
14.Zie de geciteerde passage uit de pleitnota onder 4.3.
15.Het gaat om de optelsom van de in bewijsmiddel 2 genoemde bedragen van € 7.502,33 (lees: € 1502,33) en € 365; de in bewijsmiddel 3 genoemde bedragen van (€ 4810 en € 850) en de overige in bewijsmiddel 5 genoemde bedragen van samen ongeveer € 1000 (met dien verstande dat het eerste in dit laatste bewijsmiddel genoemde bedrag reeds in bewijsmiddel 2 is genoemd).
16.HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5333.
17.Gerechtshof Leeuwarden 30 mei 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ6588.
18.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, rov. 3.3.
19.HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:464, rov. 4.