Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
2 juni 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd aanvankelijk ten laste gelegd dat zij geld verduisterde dat zij uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich had. Tijdens het hoger beroep verzocht de officier van justitie de tenlastelegging te wijzigen naar verduistering als ambtenaar van geld dat zij in haar bediening onder zich had. Het hof stond deze wijziging toe, ondanks bezwaar van de verdediging dat dit te laat was en in eerste aanleg had moeten gebeuren.
De Hoge Raad toetste of de wijziging toelaatbaar was op grond van artikel 313 Sv Pro en of sprake was van 'hetzelfde feit' in de zin van artikel 68 Sr Pro. De Raad overwoog dat de juridische aard van de feiten en de gedragingen van de verdachte voldoende overeenkomen, ondanks het verschil in delictsomschrijving en strafmaxima. Beide feiten beschermen hetzelfde rechtsgoed en de gedragingen vonden plaats op dezelfde tijd, plaats en onder dezelfde omstandigheden.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde de beslissing van het hof. De wijziging van de tenlastelegging was rechtsgeldig en mocht worden toegewezen. Hiermee werd het beroep van de verdachte verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de wijziging van de tenlastelegging als toelaatbaar.