Conclusie
adv.: mr. P.A. Fruytier
adv.: mr. M.J. van Basten Batenburg
Bibitorrespectievelijk
[verweerder].
het voordelig recht). Deze zaak draait er in cassatie vooral om of dit voordelig recht goederenrechtelijk van aard is en zo ja, ten gunste van welk heersend erf het bestaat.
1.Feiten en procesverloop
de steeg) is met rood bij benadering ingetekend.
(...) dit voordelig regt of vrijheid van Passage, en alle andere gebruijk door en van het gangske, lopende langs de voorsz.: Diaconie Huijsjes en uijtkomende aan de [c-straat] , als bij de Bewoonders en gebruijkers van het gemelden Huijs [de woning] van hetselven Gangske hebben gehad en genooten (...)”
(...) met dit voordelig Regt, of vrijheid van passage, en alle ander gebruik door, en van het gangske, lopende langs de gemelde Diaconie huisjes en uijtkomende aan den [straat] , zoo als vorige Eijgenaars en gebruikers van het gemelde huis, en Erve daar van altoos gejouisseert hebben. (...)”
Met betrekking tot voormeld perceel gemeente [plaats] [sectie] nummer [008] wordt ten deze verwezen naar een akte van een en dertig december achttienhonderd tien verleden voor de Schepenen der stad [plaats] , in welke akte werd aangehaald en omschreven het ten behoeve van voormeld kadastraal perceel bestaande voordelig recht of vrijheid van passage en alle ander gebruik door en van de gang, lopend langs de achter voormeld perceel gelegen huizen en uitkomend op de [b-straat] ; (...)”
(…) wordende ten aanzien van het kadastrale perceel [plaats] [sectie] nummer [008] (...) speciaal verwezen naar een akte den een en dertigste December achttienhonderd en tien verleden voor de Schepenen der Stad [plaats] , in welke akte werd aangehaald en omschreven het ten behoeve van voormeld kadastrale perceel bestaande voordeelig recht of vrijheid van passage en alle ander gebruik door en van den gang loopende Iangs de achter voormeld perceel gelegen huizen (bedoeld zijn de panden [b-straat 1] en [b-straat 3] ) en uitkomende op de [b-straat] .”
(…)
(…)
de tweede deur”).
2.Procesverloop
In eerste aanleg
voordelig recht of vrijheid van passage en alle ander gebruik door en van den gang lopende langs de achter voormeld perceel gelegen huizen (bedoeld zijn de panden [b-straat 1] en [b-straat 3] ) en uitkomende op de [b-straat]”;
eindvonnis) heeft de rechtbank de vorderingen in conventie van [verweerder] toegewezen. In reconventie heeft zij [verweerder] veroordeeld om de tweede deur zodanig aan te passen dat deze niet meer naar buiten kan openen. De overige vorderingen in reconventie van Bibitor zijn afgewezen.
(...) met alle voor en nadelige regten en servituijten als van outs en specialijk met het regt of vrijheid van passage en alle andere gebruik door en van het gangetje lopende langs de drie huisjes van de Diakonie en uitkomende aan de [c-straat] voors als wijlen juffrouw de weduwe [betrokkene 2] als laatste huurderse van opgem huijsinge [de woning] , van het selve gangetje altoos gehad en genoten heeft (...)”.
met dit voordelig Regt, of vrijheid van Passage, en alle andere gebruijk door en van het Gangske, lopende langs de voorsz.: Diaconie Huisjes, en uijtkomende aan de [c-straat] , als bij de Bewoonders en gebruijkers van het gemelde Huijs [de woning] van hetselven Gansgke hebben gehad (...)”.
voor zover nog niet uitgewerkt’, nog steeds aldus Bibitor.
NJ1914, pag. 729; ECLI:NL:HR:1914:163). Voor zover in het Placaet van Karel V van 10 mei 1529 dan wel in het Placaet van 23 juli 1545 was beoogd om in het destijds geldende recht voor de vestiging van een erfdienstbaarheid te bepalen dat deze bij gerechtelijke akte diende te geschieden, dan leidden deze wettelijke bepalingen er niet toe dat het ontbreken van een zodanige akte nietigheid van de erfdienstbaarheid ten gevolge had (HR 17 april 1914,
NJ1914, pag. 729; ECLI:NL:HR:1914:163). Het hof gaat er dan ook vanuit dat in onderhavige zaak was voldaan aan de vormvereisten voor de vestiging van een zakelijk recht.
geblevenvan de [plaats] diaconie der armen van de Nederlands Hervormde kerk. Het hof begrijpt de stellingen van Bibitor aldus dat er sinds de vermelding van het recht in de akte van 1755 voor het eerst in 1921 een opvolging onder bijzondere titel heeft plaatsgevonden met betrekking tot de eigendom van het (dienende) perceel [b-straat 1-3] . Partijen hebben niet gesteld of de diaconie bij de overdracht van het perceel [b-straat 1-3] al dan niet heeft vermeld dat op het perceel een zakelijk recht van erfdienstbaarheid rust ten behoeve van het belendende perceel aan de [a-straat] . Ook uit de overgelegde producties is dit niet gebleken. In 1934/1935 is, zo is onbetwist door Bibitor gesteld, de oorspronkelijke bebouwing uit 1711 gesloopt, waarna het pand is gebouwd dat thans eigendom is van Bibitor. Vastgesteld kan worden dat het perceel [b-straat 1-3] bij het bouwen van het huidige pand in 1934/1935 door de toenmalige eigenaar opnieuw op een zodanige wijze is ingericht dat het recht nog steeds kon worden uitgeoefend; aan de achterzijde van het perceel en aan de linkerzijde is een strook onbebouwd gebleven waardoor de huidige steeg ontstond. Hiermee werd voldoende doorgang verleend aan de bewoners van het perceel aan de [a-straat] om, zoals wordt vermeld in de aktes uit de achttiende eeuw, vanaf de achterzijde van laatstbedoeld perceel naar de [b-straat] te kunnen gaan. Ook is, nadat de diaconie de eigendom van het perceel onder bijzondere titel had overgedragen, door de Dommelsche Bierbrouwerij als opvolgend eigenaar in haar brief van 1 mei 1989 erkend dat zij het recht moeten respecteren van bewoners van het perceel aan de [a-straat 2] om gebruik te maken van de steeg om naar de [b-straat] te gaan. Ook in de notariële akte d.d. 19 december 2007, waarmee het perceel [b-straat 1-3] door InBev is geleverd aan Bibitor, wordt het recht vermeld. Daarbij wordt het recht telkens aangeduid als een erfdienstbaarheid, waarmee zowel in 1989 (ten tijde van de gelding van het OBW) als in 2007 (naar huidig recht) het zakelijke respectievelijk absolute recht wordt bedoeld om van een anders erf gebruik te mogen maken.
voor zover nog niet uitgewerkt’ kan op zichzelf niet tot de conclusie leiden dat ruim twee eeuwen eerder niet beoogd was om een zakelijk recht te vestigen en leidt dan ook niet tot een ander oordeel.
nietuitdrukkelijk benoemd of het plakkaat tevens gold voor de vestiging van erfdienstbaarheden. Het plakkaat schreef voor:
wijders metzoodanige conditiën, servituyten” enz.” [27] Het komt mij voor dat bij de interpretatie van het voor Staats-Brabant uitgevaardigde plakkaat uit 1684 hetzelfde kan worden aangenomen.
verbodmede een verbod inhoudt op het vestigen van beperkte rechten. [36]
vormvoorschriften. [40]
nietvan toepassing is op de vestiging van erfdienstbaarheden.
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale cassatieberoep
bedoelingenvan de partijen die het recht in het leven hebben geroepen. Het hof heeft in rov. 3.11 weliswaar – terecht – onderkend dat aan de hand van het destijds (ter plaatse, in Staats-Brabant) geldende oud-vaderlandse recht moet worden onderzocht of de oorspronkelijke partijen beoogden om een persoonlijk dan wel een zakelijk recht in het leven te roepen, maar dat heeft het hof vervolgens
niet gedaan: het hof heeft de bedoeling van de oorspronkelijke partijen willen vaststellen naar de
huidigemaatstaven, aldus de toelichting (s.t., nrs. 37-38).
daarom”) dat op grond van het destijds geldende recht voor de kwalificatie van het in de akte van 1755 genoemde voordelig recht als een persoonlijk of zakelijk recht (uitsluitend) bepalend is hetgeen partijen destijds bij het in het leven roepen van het recht hebben beoogd. Het hof heeft vervolgens aan de hand van de voorhanden bewijsmiddelen en feiten – waaronder diverse leveringsakten betreffende de betrokken erven en de latere feitelijke gang van zaken – gereconstrueerd wat de bedoeling van partijen destijds bij het in het leven roepen van het recht moet zijn geweest (rov. 3.12-3.16). Het subonderdeel geeft niet aan in welke zin het hof dat niet zou hebben gedaan aan de hand van het oud-vaderlandse recht – dat heeft het hof
welgedaan, waarover hierna onder 4.19) –, noch in welke zin het hof (ten onrechte) huidige maatstaven zou hebben toegepast.
subonderdelen 1.13 en 1.14keren zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 3.10) dat een erfdienstbaarheid naar oud-vaderlands recht kon worden gevestigd door middel van een daartoe strekkende afspraak tussen partijen, gevolgd door uitoefening van dat recht, zodat een gerechtelijke akte niet nodig was, althans het ontbreken daarvan niet tot nietigheid van de erfdienstbaarheid leidde. Geklaagd wordt dat het hof heeft miskend dat voor het vestigen van een erfdienstbaarheid naar (ter plaatse geldend) oud-vaderlands recht ten minste steeds op straffe van nietigheid vereist was: enige akte (subonderdeel 1.13), althans – overeenkomstig het vereiste voor overdracht van een onroerende zaak – opdracht voor het gerecht (subonderdeel 1.14). Daarbij heeft het hof ten onrechte verwezen naar de rechtspraak van de Hoge Raad omtrent de plakkaten van 1529 en 1545, omdat deze niet golden voor Eindhoven (subonderdeel 1.14).
nieteen op straffe van nietigheid in acht te nemen vestigingsformaliteit voorgeschreven. Zijdens Bibitor is geen beroep gedaan op enige regel van oud-vaderlands gewoonterecht waaruit een dergelijk vestigingsvereiste zou voortvloeien.
Kort begrip van het oud-vaderlands recht [52] was voor overdracht van onroerend goed in Staats-Brabant tot in de achttiende eeuw ceremoniële ‘stoklegging’ (
effestucatio) nodig. [53] Er is daarbij niet verwezen naar een rechtsbron.
subonderdeel 1.2miskent het hof met zijn oordeel, met name in rov. 3.14, dat de bedoeling van partijen om een zakelijk dan wel een persoonlijk recht te vestigen niet (mede) kan worden vastgesteld aan de hand van de tekst van latere akten waarin het recht door de rechtsopvolgers van de oorspronkelijk vestigende partijen werd overgedragen of aan de hand van feiten en omstandigheden die zich na de vestiging van het recht hebben voorgedaan. Daartoe wordt aangevoerd dat dergelijke omstandigheden geen relevant licht kunnen werpen op de bedoeling van de oorspronkelijk vestigende partijen, ook niet naar het (ter plaatse geldende) oud-vaderlandse recht.
Subonderdeel 1.4klaagt dat zonder nadere toelichting in ieder geval niet valt in te zien waarom de vaststellingen (i) t/m (v) van het hof (zie hiervoor onder 4.17) op zichzelf dan wel in onderlinge samenhang bezien kunnen leiden tot of bijdragen aan het oordeel dat de oorspronkelijke partijen bij de totstandkoming van het recht in dan wel voor 1755 de bedoeling hadden om de zaak zelf te belasten met het recht. Deze vaststellingen werpen immers geen licht op de bedoelingen van de partijen die het recht in het leven hebben geroepen, nu de vastgestelde feiten en omstandigheden alle dateren van na het in het leven roepen van het recht respectievelijk het handelingen betreft die zijn verricht door hun rechtsopvolgers of zich eerst voordeden nadat sprake was geweest van rechtsopvolging.
in dit geval– waarin van een akte van vestiging (mogelijk) überhaupt geen sprake is geweest althans deze niet is overgelegd – noodzakelijkerwijs moet worden beantwoord aan de hand van de wél beschikbare gegevens, te weten de tekst van de overgelegde leveringsakten, alsmede feiten met betrekking tot de wijze van uitoefening van het recht. Daarmee geeft het hof de facto toepassing aan het oud-vaderlandse (bewijs)recht, op grond waarvan het bestaan van een zakelijk recht ook kan worden aangenomen op grond van posterieure feiten zoals de vermelding van een recht in een latere (en tussen andere partijen opgemaakte) transportakte. Ik verwijs naar alinea 3.23 hiervoor. Het hof heeft dus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
partijen bij de vestiging van het recht in dan wel voor 1755 niet de bedoeling hadden dat de kerk (...) zich persoonlijk bond om de uitoefening van het recht te respecteren, maar dat zij de bedoeling hadden om de zaak zelf te belasten” (rov. 3.16, 2e volzin). Ook deze gevolgtrekking is niet onbegrijpelijk. In de overwegingen van het hof ligt immers besloten dat het de Kerk (die de last in 1921 doorgaf) zélf is die een van de bij de vestiging betrokken partijen is geweest (“in dan wel voor 1755”), hetgeen aansluit bij de eigen stelling van Bibitor dat de Kerk sinds 1718 eigenaresse was van zowel de drie diaconiehuisjes (thans het perceel [b-straat] ) als huize [de woning] (thans het perceel [a-straat] [58] ) en dat [de woning] vervolgens is verkocht. [59] Dat zou kunnen duiden op een overdracht van [de woning] met gelijktijdige vestiging van een erfdienstbaarheid van overpad ten gunste van [de woning] (het huidige perceel [a-straat] ) en ten laste van het aan de Kerk verblijvende perceel met de diaconiehuisjes (het huidige perceel [b-straat] ), dit alles ergens tussen 1718 en 1755.
subonderdeel 1.5is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, aangezien het hof de in subonderdeel 1.3 bedoelde objectieve maatstaf in rov. 3.19 ten aanzien van de beoordeling van de inhoud van het voordelig recht wél met juistheid voorop stelt. Door deze objectieve maatstaf evenwel niet tot uitgangspunt te nemen ten aanzien van de daaraan voorafgaande vraag naar de kwalificatie van het voordelig recht, is het oordeel van het hof innerlijk tegenstrijdig.
subonderdeel 1.7is het oordeel van het hof in het licht van de hierboven genoemde maatstaf onjuist althans onbegrijpelijk, omdat het hof zelf onderkent dat onduidelijk is (i) welke partijen het voordelig recht in het leven hebben geroepen en (ii) op welk moment het voordelig recht in het leven is geroepen (rov. 3.8), terwijl het hof tegelijkertijd oordeelt dat partijen bij de vestiging van het voordelig recht in dan wel voor 1755 niet de bedoeling hadden dat de Kerk als eigenaar zich persoonlijk bond om de uitoefening van het voordelig recht te respecteren, maar dat zij de bedoeling hadden om de zaak zelf te belasten met het recht (rov. 3.16 [62] ). Zonder vaststelling van de partijen die het voordelig recht in het leven hebben geroepen en het moment waarop zij dat hebben gedaan, kan volgens het subonderdeel niet op begrijpelijke wijze, althans in ieder geval niet zonder nadere motivering, worden vastgesteld wat deze onbekende partijen op een onbekend moment zouden hebben beoogd. Het hof stelt die partijbedoeling vervolgens echter wel vast.
vestigingsakteop grond waarvan het de (objectief uit te leggen) bedoeling van partijen moest vaststellen. [63] Nu, zoals hiervoor aan de orde kwam, het hof is uitgegaan van de totstandkoming van een recht van erfdienstbaarheid door een daartoe strekkende partijafspraak, gevolgd door de uitoefening van het recht (rov. 3.10), kunnen de klachten geen doel treffen.
in ieder geval” bestond in 1755. De bestreden toevoeging dat voor de beoordeling van dit geschil niet van belang is of het recht bij de (oudste overgelegde) akte van 1755 of reeds eerder in het leven is geroepen, moet kennelijk worden begrepen als vooruitwijzing naar het onderzoek in rov. 3.10 aangaande de op het relevante tijdstip geldende vestigingsvereisten. Nu dit ziet op het “in de 18e eeuw” geldende recht en in de overwegingen van het hof besloten ligt dat de vestiging “in dan wel voor 1755” neerkomt op vestiging op enig moment tussen 1718 en 1755 (zie hiervoor alinea 4.20), is de overweging dat het precieze tijdstip van vestiging niet relevant is, niet onjuist of onbegrijpelijk.
subonderdeel 1.8is onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd het oordeel van het hof in rov. 3.12 dat het niet voor de hand ligt dat in de achttiende eeuw sprake was van een persoonlijk recht van weduwe [betrokkene 2] , omdat het voordelig recht in opvolgende akten is doorgelegd, alsmede de daaropvolgende oordeelsvorming in rov. 3.15 en 3.16. Het hof zou namelijk geen (kenbaar) gewicht hebben toegekend aan verschillende door Bibitor ingenomen essentiële stellingen ter onderbouwing van het betoog dat het voordelig recht wel degelijk (enkel) een
persoonlijkrecht betrof. In dit verband stelt Bibitor het volgende te hebben aangevoerd:
subonderdeel 1.9onjuist, althans onbegrijpelijk gemotiveerd. Zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang bezien dragen vorenbedoelde door Bibitor ingenomen stellingen bij aan de conclusie dat het recht (enkel) persoonlijk van aard is en (in ieder geval) geen sprake is van een (zakelijk) recht van erfdienstbaarheid. Deze stellingen had het hof (kenbaar) in zijn oordeel moeten betrekken. Althans valt zonder nadere motivering in het licht van deze stellingen niet (in ieder geval mede in het licht van de klachten uit middelonderdelen 1.4-1.7) in te zien om welke reden het recht dat destijds in het leven is geroepen wél het zakelijk recht van erfdienstbaarheid was, aldus de klacht. Dat het recht aan een huurster werd toegekend en op geen enkele wijze aan het perceel zélf werd gekoppeld duidt er immers op dat sprake was van een persoonlijk recht. Het hof heeft niet kenbaar op dat betoog gerespondeerd, terwijl zijn oordeel zonder respons daarop niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd, aldus subonderdeel 1.9.
eenzelfderecht is bedongen als eertijds de weduwe [betrokkene 2] als huurster voor zichzelf had bedongen (een recht “zoals dat in het verleden was toegekend aan de weduwe [betrokkene 2] ”) – mogelijk van de Kerk als verhuurder. Ik verwijs naar de hiervoor onder 4.20 geschetste scenario’s. In zoverre falen de klachten.
subonderdelen 1.8 en 1.9gedeeltelijk slagen.
subonderdeel 1.10heeft het hof miskend dat indien twijfel bestaat over het antwoord op de vraag of een recht een persoonlijk recht dan wel een zakelijk recht is, een recht als uitgangspunt (enkel) persoonlijk van aard is. Een zodanig recht is volgens het subonderdeel, gelijk een beding dat de overdraagbaarheid van een vordering uitsluit, mede naar zijn aard bestemd om de rechtspositie van derden te beïnvloeden die de bedoeling van de contracterende partijen niet kennen. De kenbaarheid voor derden mag in dit verband niet in het geding komen. [70] Het subonderdeel bepleit het uitgangspunt dat een recht verbintenisrechtelijke werking heeft, tenzij uit de naar objectieve maatstaven uit te leggen notariële akte van vestiging blijkt dat goederenrechtelijke werking is beoogd. [71]
Coface/Intergamma. [72] Ik stel voorop dat uw Raad bij de beoordeling van de in die procedure voorliggende casus niet het oog heeft gehad op de beantwoording van de vraag of naar oud-vaderlands recht zakelijke rechten zijn gevestigd of niet. Volgens Schelhaas en Valk formuleren bijzondere uitlegregels (zoals de regel van
Coface/Intergamma) voor een zo concreet mogelijk omschreven geval hoe een bepaald type beding of rechtshandeling in de regel moet worden uitgelegd. [73] In die opvatting ligt niet voor de hand dat de uitlegregel uit
Coface/Intergammaop gevallen als het onderhavige van overeenkomstige toepassing is.
notariële vestigingsaktekan blijken dat goederenrechtelijke werking is beoogd, is het een herhaling van subonderdeel 1.3 en faalt het om dezelfde redenen.
subonderdeel 1.15is dit oordeel onbegrijpelijk in het licht van de vaststelling in rov. 3.15 dat partijen niet hebben gesteld of de diaconie bij de overdracht van het perceel [b-straat] al dan niet heeft vermeld dat op het perceel een zakelijk recht van erfdienstbaarheid rust ten behoeve van het belendende perceel aan de [a-straat] , terwijl dit ook niet blijkt uit de overgelegde producties. Volgens het subonderdeel kan het hof niet enerzijds vaststellen dat uit de stellingen en producties niet blijkt dat ten tijde van de overdracht van het perceel aan de [b-straat] een zakelijk recht van erfdienstbaarheid rustte, maar anderzijds ter vaststelling van diezelfde erfdienstbaarheid oordelen dat de diaconie het perceel [b-straat] heeft overgedragen onder vermelding van de last dat het de bewoners van (een gedeelte van) het perceel [a-straat] is toegestaan om door de steeg naar de [b-straat] te gaan. Die twee vaststellingen sluiten elkaar uit, aldus het subonderdeel. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat weliswaar niet is gesteld dat de diaconie het perceel [b-straat] met erfdienstbaarheid heeft overgedragen, maar zich dat op basis van de feitelijke gang van zaken wel laat vaststellen, is het hof volgens het subonderdeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.
heeft vermelddat op het perceel een erfdienstbaarheid rustte. De klacht faalt in zoverre bij gebrek aan feitelijke grondslag.
eenszijn dat van een melding niet blijkt. Het heeft slechts vastgesteld dat geen van partijen daarover iets heeft gesteld.
subonderdeel 1.4 onder (i) t/m (v)zijn vermeld (zie hiervoor onder 4.17). Zonder nadere toelichting valt volgens het subonderdeel niet in te zien hoe het één uit het ander volgt, te meer nu de door het hof benoemde feiten en omstandigheden ver vóór of jaren na de overdracht in 1921 en in relatie tot rechtsopvolgers van de diaconie hebben plaatsgevonden.
subonderdelen 1.8 en 1.9gedeeltelijk slagen, terwijl de overige subonderdelen van
onderdeel 1falen.
subonderdeel 2.2heeft het hof miskend dat de samenvoeging van het heersend erf met een naastgelegen perceel (in beginsel) niet kan leiden tot uitbreiding van het heersend erf tot het naastgelegen perceel. In ieder geval leidt een dergelijke samenvoeging er volgens het subonderdeel niet toe dat de ten bate van het aanvankelijke heersend erf gevestigde erfdienstbaarheid na samenvoeging ook ten bate van het daarmee samengevoegde deel kan worden uitgeoefend. De tegenovergestelde rechtsopvatting is onjuist en volgt niet uit de wet of de (door het hof genoemde) rechtspraak. Kortom, het heersend erf is steeds beperkt gebleven tot de grond die door het oorspronkelijke [sectie] [008] werd bestreken, aldus het subonderdeel.
samenvoeging’van het als heersend erf aan te merken [sectie] [008] met het naastgelegen [sectie] [007] tot [sectie] [009] , als gevolg waarvan de erfdienstbaarheid volgens het hof kon worden ‘
uitgeoefend’ ten behoeve van het gehele [sectie] [009] , waarbij het hof verwijst naar het arrest van uw Raad van 8 september 2017. [77]
nietzijnde een heersend erf. [78] Gelet op de inzet van de procedure – een verklaring voor recht dat ten behoeve van het voormalige kadastrale [sectie] [008] , thans [sectie] [001] en [sectie] [002] als heersende erven een erfdienstbaarheid bestaat – en het in rov. 3.36 door het hof vastgestelde geschil tussen partijen – welk(e) perceel/percelen heeft/hebben te gelden als heersend erf? – moet het bestreden oordeel van het hof echter aldus worden begrepen dat de samenvoeging van [sectie] [008] en [sectie] [007] tot het nieuwe [sectie] [009] ertoe heeft geleid dat het nieuwe [sectie] [009] geheel als
heersend erfwas aan te merken. Daarbij moet de (kadastrale [79] ) ‘samenvoeging’ van [sectie] [008] en [sectie] [007] tot het nieuwe [sectie] [009] kennelijk worden begrepen als de administratieve aanpassing van de perceelsaanduiding aan het civielrechtelijk in één hand zijn geraakt van de betrokken erven. [80]
gesplitstin die zin dat een geometrisch aangeduid gedeelte van het erf wordt overgedragen aan een derde, was de gangbare opvatting dat in beginsel, ondanks de feitelijke verdeling van het heersend erf, de erfdienstbaarheid niet wordt verdeeld: elke rechthebbende mocht van de erfdienstbaarheid gebruik maken alsof deze te zijnen behoeve zou zijn gevestigd. Dit beginsel van ‘ondeelbaarheid’ van de erfdienstbaarheid was te vinden in art. 737 BW Pro (oud). [81] Het ondeelbaarheidsbeginsel wordt in het huidige recht tot uitdrukking gebracht in art. 5:76 BW Pro. Het brengt onder meer mee dat verkaveling van het heersend erf de erfdienstbaarheid in beginsel ongewijzigd doet voortbestaan: de erfdienstbaarheid komt te gelden ten behoeve van ieder gedeelte ten voordele waarvan zij kan strekken (art. 5:76 lid 1 BW Pro). Veelal wordt aangenomen dat indien als gevolg van de verkaveling van het heersend erf meerdere heersende erven zijn ontstaan, sprake is van één erfdienstbaarheid die in gemeenschap aan de eigenaren van de heersende erven toebehoort. [82]
erf(art. 721 BW Pro (oud), vgl. art. 5:70 lid 1 BW Pro), dat bij de vestiging dan ook als zodanig dient te worden geïndividualiseerd c.q. geïdentificeerd (al dan niet met behulp van kadastrale aanduidingen). Daarmee verdraagt zich naar mijn mening niet dat de eigenaar van het heersend zich op het standpunt zou kunnen stellen dat een later door hem verworven aangrenzend erf ook heersend erf is geworden. [83] Ook in de feitenrechtspraak wordt ervan uitgegaan dat in een situatie van samenvoeging van erven als hier aan de orde, het heersende erf onverminderd het grondstuk blijft ten behoeve waarvan de erfdienstbaarheid oorspronkelijk is gevestigd. [84]
subonderdelen 3.1 en 3.2voortbouwklachten die geen afzonderlijke bespreking behoeven.