Conclusie
[eiseres])
Euretco)
1.Feiten
IMG) houdt zich onder andere bezig met de ten behoeve van haar leden gezamenlijke inkoop van meubels. Tot de oprichting van de onder 1.6 hierna bedoelde vennootschap MKB B.V. in 2001 hield IMG zich ook bezig met de gezamenlijke inkoop van keukens ten behoeve van haar leden.
Mondial GmbH). Namens IMG heeft haar toenmalige voorzitter, [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1], gelieerd aan [eiseres] ), de schriftelijke toetredingsovereenkomst ondertekend. Ingevolge deze overeenkomst konden de leden van IMG tegen de door Mondial GmbH bedongen scherpe inkoopcondities meubels en keukens inkopen bij de bij Mondial GmbH aangesloten leveranciers.
MKB B.V.) opgericht met als bestuurder [betrokkene 1] . [eiseres] werd in deze vennootschap voor 60% aandeelhouder, en Euretco en IMG ieder voor 20%. MKB B.V. exploiteerde een franchiseorganisatie waarbij zij aan franchisenemers het exclusieve recht verleende om ‘Superkeukens’ te verkopen binnen een bepaald verkoopgebied. Deze franchisenemers konden via IMG eveneens gebruik maken van de inkoopcondities van Mondial GmbH. Euretco faciliteerde het betalingsverkeer van MKB B.V. en haar franchisenemers op dezelfde wijze als zij dit deed voor de leden van IMG, met als tegenprestatie een functievergoeding, te betalen door de leveranciers van de keukens; Euretco betaalde op haar beurt een oprichtersfee aan [eiseres] .
koopovereenkomst). Bij notariële akte van 12 november 2004 heeft [eiseres] al haar aandelen in MKB B.V. aan Euretco geleverd, tegen een koopsom van € 2.700.000. Vanaf dat moment bezat Euretco 80% en IMG 20% van de aandelen in MKB B.V. In de koopovereenkomst, en herhaald in die notariële akte, zijn partijen voorts het navolgende overeengekomen:
5.4. Euretco verplicht zich zowel jegens [ [eiseres] ] alsmede jegens diens bestuurder, [betrokkene 1] om, direct na notariële overdracht van de aandelen, conform de voorschriften als vermeld in de Oprichtingsakte van [MKB B.V.] d.d. 16 januari 2001, een Algemene Vergadering van Aandeelhouders uit te schrijven met (onder andere) als agendapunt de benoeming van [betrokkene 1] tot (thans: derde) Commissaris van [MKB B.V.] voor de in artikel 15 lid 7 van Pro de Oprichtingsakte genoemde periode van (tenminste) vier jaar en vervolgens:
b. deze benoeming gedurende deze periode niet te herroepen.
5.5. Euretco verplicht zich eveneens jegens [ [eiseres] ] om, op eerste verzoek van [ [eiseres] ] er voor zorg te dragen dat [MKB B.V.] met (een) door [ [eiseres] ] aan te wijzen derde(n) een franchiseovereenkomst aangaat (met als formule: “Superkeukens”) voor de verzorgingsgebieden “Bergen op Zoom” en “Roosendaal”, zulks conform de gangbare franchiseovereenkomsten die [MKB B.V.] thans ook sluit of heeft gesloten met haar franchisenemers en zulks mits de voorgedragen derde voldoet aan de financiële criteria die Euretco Finance B.V. stelt. Deze verplichting vervalt op het moment dat er een periode van drie jaar - te rekenen vanaf het moment van de overdracht van de aandelen - is verstreken.”
2.Procesverloop (op hoofdlijnen)
Voor cassatie en verwijzing
verwijzingsarrest). [4] Ik volsta hier met een vermelding van aspecten die voor een goed begrip van het processuele debat na cassatie en verwijzing van belang zijn.
vordering 1);
vordering 2);
vordering 3).
hof), ter verdere behandeling en beslissing. De Hoge Raad overwoog onder meer als volgt inzake de afwijzing door het Bossche hof van vordering 2 en 3:
tussenarrest) heeft het hof over een aantal beslispunten geoordeeld en [eiseres] een bewijsopdracht gegeven overeenkomstig de bewijsopdracht van het Bossche hof (zie onder 2.7-2.8 hiervoor).
eindarrest). [13] Het hof heeft het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant vernietigd en alle vorderingen van [eiseres] afgewezen, met daaruit voortvloeiende dicta, waaronder toewijzing van de terugbetalingsvordering van Euretco.
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
Subonderdelen 2.1.1 t/m 2.1.6(“Commissarisvergoeding”)
klacht a.
klacht b.
klacht c.
feitelijkegrondslag waarop de klacht zich beroept, strekt zich niet uit tot de
juridische kwalificatiedie in de klacht eraan wordt gekoppeld, dus dat Euretco is tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst. [16] Dat het hof deze kwalificatievraag, die ook waarderingen van feitelijke aard en dus een gemengd oordeel verlangt, [17] in het midden heeft gelaten - het tussenarrest bevat geen oordeel daarover, net zomin als het eindarrest - brengt derhalve niet mee dat in cassatie ook het door [eiseres] gewenste antwoord op die vraag tot uitgangspunt kan dienen. Beantwoording van zo’n vraag in cassatie is, gelet op het gemengde karakter van het daarvoor vereiste oordeel, niet mogelijk (uitzonderlijk sprekende gevallen daargelaten, waarvan hier geen sprake is). [18] Dit een en ander raakt ook het betoog in het vervolg van de klacht dat, kort gezegd, [betrokkene 1] (in het licht van “mede” de gestelde tekortkoming van Euretco) een ‘schadebeperkende maatregel’ mocht nemen door betrokken te raken bij (de oprichting van) een inkooporganisatie (MasterClass). Of kan worden gesproken van een gerechtvaardigde schadebeperkende maatregel om de hiervoor genoemde redenen staat niet ter beoordeling van de cassatierechter (uitzonderlijk sprekende gevallen daargelaten, waarvan hier dus geen sprake is). Op het voorgaande loopt de klacht reeds vast.
klacht d en e.
eind 2004/begin 2005betrokken was bij de oprichting van MasterClass. Het hof oordeelt immers in rov. 3.13 van het tussenarrest onder meer “dat uit het dossier in voldoende mate volgt dat [betrokkene 1] [dus [betrokkene 1] , A-G] na het sluiten van de overeenkomst van 12 oktober 2004 een actieve rol is gaan spelen bij de oprichting van MasterClass, zijnde een met Euretco concurrerende organisatie”. En in rov. 3.18 dat [betrokkene 1] “eind 2004, althans in 2005” betrokken is geraakt bij de oprichting van MasterClass. [20]
februari 2005gedragingen heeft verricht die van haar zijde een tekortschieten in de nakoming van de koopovereenkomst zouden (kunnen) opleveren. Dit een en ander ligt ná de gang van zaken in de periode eind 2004/begin 2005 waarop het hof het oog heeft als bedoeld onder 3.15.1 hiervoor en kán dus, althans zonder meer (welk meerdere ontbreekt), [23] niet meebrengen dat die gang van zaken Euretco te verwijten viel. Daarbij zij aangetekend dat de zeer algemene stelling dat het gedrag van “IMG” vanaf december 2004 “negatief” was richting [eiseres] hier - in navolging van het hof - buiten beschouwing kan worden gelaten, want hoe dan ook onvoldoende concreet is (nog daargelaten of, en zo ja: in hoeverre, dat (ook) Euretco kan worden tegengeworpen).
sub akennelijk betoogt, kon bij deze stand van zaken het hof oordelen zoals het doet in rov. 3.13 zonder te onderzoeken of Euretco is tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst
voordat[betrokkene 1] betrokken raakte bij de oprichting van MasterClass. Voor zo’n onderzoek gaf het processuele debat geen aanleiding, ook als daarbij genoemde stellingen van [eiseres] worden betrokken: zulks volgt uit 3.15.1-3.15.3 hiervoor. Het hof diende, gezien ook art. 24 Rv Pro, niet buiten het processuele debat om tot zo’n onderzoek over te gaan. En kon, gezien het voorgaande, genoemde stellingen van [eiseres] in rov. 3.13 ook in het midden laten.
sub bloopt vooreerst vast op de veronderstelling dat het hof de in het subonderdeel sub a gepropageerde ‘onderzoeksplicht’ niet heeft miskend. Van zo’n plicht is immers geen sprake, en het hof is daarvan ook niet uitgegaan. Voorts veronderstelt het subonderdeel sub b ten onrechte dat het hof in rov. 3.13 tot uitgangspunt neemt dat het handelen van [betrokkene 1] door de activiteiten in het kader MasterClass “(ook) leidt tot een tekortkoming in de koopovereenkomst door [eiseres] of [betrokkene 1] en daarom geen sprake is van een (eerdere) tekortkoming van Euretco”. Het hof velt daar geen oordeel over “een (eerdere) tekortkoming van Euretco”, nu daartoe als gezegd geen aanleiding bestond. Overigens heeft Euretco, naar ’s hofs geenszins onbegrijpelijke oordeel, niet 31 maart 2005 gemarkeerd als “het eerste moment (…) voor de betrokkenheid van [betrokkene 1] bij de inkooporganisatie (MasterClass)”. [24] En kon het hof, als gezegd, genoemde stellingen van [eiseres] ook in het midden laten. Hiermee is de bodem onder het subonderdeel sub b al ruimschoots weggeslagen.
novahelemaal niets meer kunnen aanvoeren, [33] te minder waar de Hoge Raad - zoals hier - een tussenuitspraak heeft vernietigd. [34] Het binnen de grenzen van de goede procesorde preciseren, nader toelichten/contextualiseren [35] en onderbouwen [36] van bijvoorbeeld een reeds gevoerd subsidiair verweer dat pas ná cassatie en verwijzing relevant wordt door het - in cassatie - sneuvelen van het primaire verweer, komt mij toelaatbaar voor. [37] Uitingen met betrekking tot de juridische kwalificatie van aangevoerde feiten en omstandigheden (en dus de rechtsgrondslag voor de verlangde rechtsgevolgen) worden logischerwijs ook niet getroffen door beperkingen aan het geding na cassatie en verwijzing, al was het maar omdat ook de verwijzingsrechter uit hoofde van art. 25 Rv Pro het aangevoerde zelf van de juiste juridische kwalificatie kan en moet voorzien (binnen de grenzen van art. 424 Rv Pro, uiteraard). [38]
klacht a.
Last but not least: het hof trapt rov. 3.21 af door in de eerste alinea fijntjes erop te wijzen dat de daar bedoelde protesten zijdens Mondial Keukens B.V., zoals herhaald bij brief van 4 mei 2006, de vraag oproepen hoe deze “zich verhouden tot de eerdere berusting van Mondial Keukens B.V., het geëindigd zijn van de franchiserelatie per 1 april 2006 en ook met de keuze van [betrokkene 1] om naar de concurrent over te stappen.” Met andere woorden: wat steekt daar eigenlijk achter? [45]
klacht b.
Iets anders is dat het hof in rov. 3.21, tweede alinea ook oog heeft voor de in rov. 3.19 samengevatte gang van zaken rond de opzegging door MKB B.V. (franchisegever), bij brief van 31 oktober 2005, van de bestaande franchiseovereenkomst met Mondial Keukens B.V. (franchisenemer met verzorgingsgebied Terneuzen) tegen 31 maart 2006. [46] Ik lees in rov. 3.21, tweede alinea overigens niet dat voor het hof honorering van dat door Euretco gedane beroep op art. 6:248 lid 2 BW Pro (mede) erop ‘hangt’ dat ook juridisch gezien die franchiserelatie door de opzegging precies per 1 april 2006 - dus niet eerder of later - is geëindigd. In die zin is die datum niet dragend of doorslaggevend voor dit oordeel (zoals het hof overigens ook bevestigt in rov. 2.32, laatste alinea van het eindarrest). [47] Onjuist of onbegrijpelijk acht ik dit een en ander niet, mede gezien de ruimte die art. 6:248 lid 2 BW Pro laat voor maatwerk en de overige onder 3.35.2 hiervoor aangeduide omstandigheden. Daaraan doet op zichzelf nog niet af dat die opzegging samenhing met een andere omstandigheid (kort gezegd: de betrokkenheid van [betrokkene 1] bij MasterClass), zoals wel vaker het geval is wanneer bij de toepassing van een bepaalde (open) norm de omstandigheden van het geval worden betrokken.
Iets anders is ook dat het hof in rov. 3.22 “het eindigen van die franchiserelatie per 1 april 2006” noemt als onderdeel van de meerzijdige achtergrond waartegen het daar voorliggende onrechtmatigheidsbetoog wordt verworpen. Dit oordeel sluit m.i. evenmin in dat voor het hof verwerping van dit betoog (mede) erop ‘hangt’ dat ook juridisch gezien die franchiserelatie door de opzegging precies per 1 april 2006 - dus niet eerder of later - is geëindigd. In die zin is die datum evenmin dragend of doorslaggevend voor dit oordeel (zoals het hof overigens ook bevestigt in rov. 2.32, laatste alinea). [48] Onjuist of onbegrijpelijk acht ik dit evenmin, mede gezien de ruimte die de betamelijkheidsnorm van art. 6:162 lid 2 BW Pro laat voor maatwerk en de overige onderdelen van die achtergrond, waarover mede onder 3.35.4 hiervoor. Daaraan doet op zichzelf evenmin af dat die opzegging samenhing met een andere omstandigheid (kort gezegd: de betrokkenheid van [betrokkene 1] bij MasterClass), waarover hiervoor.
klacht c.
kunnen aansprekenvan Euretco uit hoofde van onrechtmatige daad door Mondial Keukens B.V.
vereist isdat Euretco op dit onrechtmatige handelen zou zijn gewezen voordat [eiseres] zich in hoger beroep als lasthebber van Mondial Keukens B.V. heeft gepresenteerd. [50] De klacht mist dus ook feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het tussenarrest.
spoiler: “keuken” komt daarin zes keer voor, in evenzoveel varianten):
keukencollectiesop de markt in Nederland te brengen. (…)
Wat er nog in het vat zit, zijn een
keukenformule(…). Voor de formules zijn nog geen definitieve namen vastgesteld. Wat niet wil zeggen dat de markt ten aanzien van deze formules een afwachtende houding aanneemt. Voor het opnemen van
MasterClass Keuken, zoals de werktitel luidt, zijn volgens de organisatie reeds vijftien aanvragen ontvangen. MC laat volgende maand, in april, in drie pilotstores zien hoe de organisatie haar
keukensziet. Bedoeling is om de aanvragen nog dit jaar te honoreren. Plan is om ook in 2007 aan woninginrichters gekoppelde vijftien
MasterClass Keukenwinkelste presenteren. MasterClass wil daarnaast ook
keukenspeciaalzakengaan openen. De ontwikkeling van dit onderdeel van het aanbod verloopt in nauwe samenwerking met de Duitse inkooppartner VME.” [onderstrepingen toegevoegd, A-G]
klacht b. Voor zover deze voortbouwt op klacht a, die dus faalt, deelt de klacht in het lot daarvan. Zie onder 3.41.1 hiervoor. Voor het overige loopt de klacht reeds erop vast dat deze niet wijst op enige stellingname in feitelijke instanties, laat staan met vindplaats, die het hof noopte in (rov. 3.18-3.22 van) het tussenarrest te onderzoeken “of de opzegging van het bestaande verzorgingsgebied van Mondial Keukens B.V. voor keukens in Terneuzen” wel “rechtens toelaatbaar was”. [56] Wat dus iets anders is dan het in rov. 3.21 behandelde beroep van Euretco op art. 6:248 lid 2 BW Pro en het in rov. 3.22 behandelde onrechtmatigheidsbetoog van [eiseres] .
vanaf 1 april 2006geen franchisenemer meer was van MKB B.V.
en passantnog opgemerkt: “Weliswaar heeft het hof in rov. 3.19 van zijn tussenarrest vastgesteld dat MKB B.V. Mondial Keukens B.V. niet meer als franchisenemer wilde, maar gelet op hetgeen in de onderdelen 2.1.7-2.1.11 is betoogd, heeft het hof er niet, althans niet zonder meer, vanuit kunnen gaan dat die weigering rechtmatig was.”
klacht a.
Nog daargelaten dat ook deze datum niet dragend dan wel doorslaggevend is voor het oordeel van het hof,
betreft het bovendien een stelling die [eiseres] al eerder had kunnen aanvoeren.” [cursivering en onderstreping toegevoegd, A-G]
onderstreepteoverweging in rov. 2.32, laatste alinea zelfstandig dragend, erop neerkomend dat die stelling van [eiseres] tardief is want fonkelnieuw (deze stelling had door haar eerder aangevoerd kunnen worden, maar is dat niet). Deze overweging wordt door de klacht niet betrokken, laat staan bestreden. Voor zover dit laatste wel aan de orde is elders in de vele klachten van [eiseres] , geldt dat - zoals uiteengezet elders in deze conclusie - ook die klachten schipbreuk lijden.
klacht b.
gecursiveerdeoverweging in rov. 2.32, laatste alinea van het eindarrest. Hetzelfde geldt overigens voor rov. 3.19 van het tussenarrest.
gecursiveerdeoverweging doelt het hof m.i. in het bijzonder op de honorering in rov. 3.21 van het door Euretco gedane beroep op art. 6:248 lid 2 BW Pro en op de verwerping in rov. 3.22 van het door [eiseres] gevoerde onrechtmatigheidsbetoog. Daar komt het hof immers tot het eigenlijke oordeel over vordering 3 (voor zover nog voorliggend na cassatie en verwijzing), zoals ook blijkt uit ’s hofs overwegingen in rov. 3.21, laatste zin en 3.22, laatste zin over het niet toelaten van [eiseres] tot nadere bewijslevering.
gecursiveerdeoverweging daaraan zou kunnen afdoen, in termen van begrijpelijkheid. De klacht legt ook niet uit waarom dit anders zou zijn.
gecursiveerdeoverweging daaraan zou kunnen afdoen, in termen van begrijpelijkheid. De klacht legt evenmin uit waarom dit anders zou zijn.
gecursiveerdeoverweging. Dit doet logischerwijs ook opgeld voor - de klacht noemt dit nog - de verwijzing in rov. 3.21, eerste alinea naar het geëindigd zijn van de franchiserelatie per 1 april 2006. Bovendien houdt die verwijzing verband met de daar bedoelde vraag van het hof, die ik al duidde onder 3.35.2, laatste gedachtestreepje hiervoor. Waarbij het hof ook andere aspecten betrekt dan dat geëindigd zijn van de franchiserelatie per die datum.
klacht c.
klacht a.
klacht b.
klacht c.
klacht d.
klacht e.
klacht f.
klacht a.
klacht b.
klacht a t/m d.
klacht e.
klacht f.
klacht a.
klacht b t/m e.
klacht f.
klacht g.
.Klaarblijkelijk zag genoemde functievergoeding volgens die getuigenverklaring ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst en de periode daarna ook op (0,5% van) deze door andere (Nederlandse) fabrikanten betaalde functievergoedingen. Daarom is rechtens onjuist althans onbegrijpelijk dat het hof desondanks in rov. 2.23 de gehele vordering van [eiseres] in verband met de functievergoeding heeft afgewezen. Het hof kon die conclusie niet (zonder meer) trekken, nu het Bossche hof zijn bewijsopdracht had gebaseerd op een - naar uit de bewijslevering door getuigen is gebleken - onjuist feitelijk uitgangspunt. [82]
Laat [eiseres] toe te bewijzen dat artikel 5.3. van de koopovereenkomst zo dient te worden uitgelegd dat Euretco verplicht is om over de via haar (Euretco) lopende omzet van Superkeukens aan [betrokkene 1] 0,5% te betalen van de inkoopwaarde van de bewuste keukens, ongeacht of die keukens van Mondial of van andere leveranciers/fabrikanten worden afgenomen.”