ECLI:NL:PHR:2024:236

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 maart 2024
Publicatiedatum
29 februari 2024
Zaaknummer
23/00080
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.3 koopovereenkomstArt. 5.4 koopovereenkomstArt. 5.5 koopovereenkomstArt. 6:248 lid 2 BWArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing schadevergoedingsvorderingen bij aandelenoverdracht en franchiseconflict

Deze zaak betreft een langdurig en complex geschil over de uitvoering van een aandelenoverdracht en daaraan verbonden verplichtingen tussen eiseres en Euretco. Na eerdere procedures en een verwijzingsarrest van de Hoge Raad werd het geschil opnieuw behandeld door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Eiseres vorderde schadevergoeding wegens niet-betaling van een oprichtersfee, weigering tot benoeming tot commissaris, en het niet aanbieden van franchiseovereenkomsten voor bepaalde verzorgingsgebieden. Het hof wees deze vorderingen af, onder meer omdat de betrokkenheid van de eiseres en haar bestuurder bij een concurrerende inkooporganisatie (MasterClass) meebracht dat het beroep op contractuele rechten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was.

In cassatie stelde eiseres talrijke klachten over de uitleg van de koopovereenkomst, de beoordeling van tekortkoming, de grenzen van de rechtsstrijd en de motivering van het hof. De Hoge Raad verwierp deze klachten, onder meer omdat het hof voldoende inzicht gaf in zijn oordeel, de klachten vaak berusten op onjuiste lezing van het tussenarrest, en omdat feitelijke vaststellingen en gemengde oordelen niet in cassatie kunnen worden herzien.

Het arrest bevestigt dat de rechter bij uitleg van contracten en beoordeling van schadevergoedingsvorderingen rekening houdt met redelijkheid en billijkheid, en dat betrokkenheid bij concurrerende activiteiten een rol kan spelen bij het afwijzen van vorderingen. Tevens wordt bevestigd dat nieuwe feiten en verweren na cassatie en verwijzing slechts binnen de grenzen van de rechtsstrijd kunnen worden ingebracht.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en alle vorderingen worden afgewezen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/00080
Zitting1 maart 2024
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
[eiseres] B.V. (hierna:
[eiseres])
tegen
Euretco B.V. (hierna:
Euretco)
Inleiding
Het gaat hier om een al circa twee decennia durend, complex conflict tussen diverse actoren dat in diverse procedures is uitgevochten. In de onderhavige procedure, die de Hoge Raad al eens bereikte, [1] draait het om diverse verwijten van [eiseres] richting Euretco en de schadevergoedingsvorderingen die zij daarop grondt. In hoger beroep zijn uiteindelijk de verwijten ongegrond geacht en de vorderingen afgewezen. In cassatie komt [eiseres] daartegen op met een groot aantal klachten. M.i. zonder succes. Dit bezegelt ook het lot van Euretco’s voorwaardelijk incidentele cassatieberoep.

1.Feiten

1.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. [2]
1.2
De vereniging Internationale Meubel Groep (hierna:
IMG) houdt zich onder andere bezig met de ten behoeve van haar leden gezamenlijke inkoop van meubels. Tot de oprichting van de onder 1.6 hierna bedoelde vennootschap MKB B.V. in 2001 hield IMG zich ook bezig met de gezamenlijke inkoop van keukens ten behoeve van haar leden.
1.3
IMG is met ingang van 1 maart 1993 als stille vennoot toegetreden tot een grote Duitse inkoopcombinatie, de rechtspersoon naar Duits recht Firma Mondial Einrichtungs-Grosseinkaufs-Gesellschaft mbH (hierna:
Mondial GmbH). Namens IMG heeft haar toenmalige voorzitter, [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1], gelieerd aan [eiseres] ), de schriftelijke toetredingsovereenkomst ondertekend. Ingevolge deze overeenkomst konden de leden van IMG tegen de door Mondial GmbH bedongen scherpe inkoopcondities meubels en keukens inkopen bij de bij Mondial GmbH aangesloten leveranciers.
1.4
Enige jaren later besloot IMG op initiatief van [betrokkene 1] om twee keukenformules, waaronder de formule ‘Superkeukens’, in Nederland te ontwikkelen en op de markt te brengen, naar het voorbeeld van Mondial GmbH. Kenmerkend voor de Superkeukensformule was dat complete keukens op de Nederlandse markt werden aangeboden.
1.5
Euretco (althans haar rechtsvoorganger Euretco Wonen B.V., hierna ook aangeduid als Euretco) verklaarde zich bij brief van 4 maart 1999 aan IMG bereid om de centrale betaling voor haar rekening te nemen in die zin dat zij de betalingen garandeerde aan de leveranciers die aan leden van IMG leverden op basis van de Mondial GmbH-voorwaarden. Euretco zou dit doen tegen een functievergoeding, te berekenen over de inkoopwaarde; [betrokkene 1] zou als oprichter dan wel initiatiefnemer een ‘oprichtersfee’ ontvangen.
1.6
In 2001 werd Mondial Keukens Benelux B.V. (hierna:
MKB B.V.) opgericht met als bestuurder [betrokkene 1] . [eiseres] werd in deze vennootschap voor 60% aandeelhouder, en Euretco en IMG ieder voor 20%. MKB B.V. exploiteerde een franchiseorganisatie waarbij zij aan franchisenemers het exclusieve recht verleende om ‘Superkeukens’ te verkopen binnen een bepaald verkoopgebied. Deze franchisenemers konden via IMG eveneens gebruik maken van de inkoopcondities van Mondial GmbH. Euretco faciliteerde het betalingsverkeer van MKB B.V. en haar franchisenemers op dezelfde wijze als zij dit deed voor de leden van IMG, met als tegenprestatie een functievergoeding, te betalen door de leveranciers van de keukens; Euretco betaalde op haar beurt een oprichtersfee aan [eiseres] .
1.7
Enige tijd later werd, in overleg tussen alle betrokkenen, besloten om de aandelen van [eiseres] in MKB B.V. te verkopen aan Euretco. Ter uitvoering daarvan hebben [eiseres] en Euretco een “koopovereenkomst aandelen” gesloten op 13 oktober 2004 (hierna: de
koopovereenkomst). Bij notariële akte van 12 november 2004 heeft [eiseres] al haar aandelen in MKB B.V. aan Euretco geleverd, tegen een koopsom van € 2.700.000. Vanaf dat moment bezat Euretco 80% en IMG 20% van de aandelen in MKB B.V. In de koopovereenkomst, en herhaald in die notariële akte, zijn partijen voorts het navolgende overeengekomen:
“5.3. Na het sluiten van de hierboven genoemde koopovereenkomst en de notariële akte van levering van de aandelen, verplicht Euretco zich ten opzichte van [ [eiseres] , A-G] om ten behoeve van [MKB B.V.] (en haar franchisenemers) alle keukens te blijven inkopen en om 1/3de deel van de vergoeding die Euretco van de fabrikant ontvangt (=0,5% van de totale inkoopwaarde), aan [ [eiseres] ] te vergoeden op dezelfde wijze als thans geschiedt, partijen wel bekend.
5.4. Euretco verplicht zich zowel jegens [ [eiseres] ] alsmede jegens diens bestuurder, [betrokkene 1] om, direct na notariële overdracht van de aandelen, conform de voorschriften als vermeld in de Oprichtingsakte van [MKB B.V.] d.d. 16 januari 2001, een Algemene Vergadering van Aandeelhouders uit te schrijven met (onder andere) als agendapunt de benoeming van [betrokkene 1] tot (thans: derde) Commissaris van [MKB B.V.] voor de in artikel 15 lid 7 van Pro de Oprichtingsakte genoemde periode van (tenminste) vier jaar en vervolgens:
a. te stemmen voor deze benoeming en
b. deze benoeming gedurende deze periode niet te herroepen.
5.5. Euretco verplicht zich eveneens jegens [ [eiseres] ] om, op eerste verzoek van [ [eiseres] ] er voor zorg te dragen dat [MKB B.V.] met (een) door [ [eiseres] ] aan te wijzen derde(n) een franchiseovereenkomst aangaat (met als formule: “Superkeukens”) voor de verzorgingsgebieden “Bergen op Zoom” en “Roosendaal”, zulks conform de gangbare franchiseovereenkomsten die [MKB B.V.] thans ook sluit of heeft gesloten met haar franchisenemers en zulks mits de voorgedragen derde voldoet aan de financiële criteria die Euretco Finance B.V. stelt. Deze verplichting vervalt op het moment dat er een periode van drie jaar - te rekenen vanaf het moment van de overdracht van de aandelen - is verstreken.”
1.8
Bij brief van 10 maart 2009 heeft Euretco aan [eiseres] te kennen gegeven dat de leden van IMG met ingang van 1 januari 2008 zijn overgegaan naar een nieuwe inkooporganisatie als gevolg van de liquidatie van Mondial GmbH. Dientengevolge, zo schreef Euretco, ontving zij geen functievergoeding meer en, voor zover er aan haar zijde nog enige verplichting zou bestaan tot betaling van de oprichtersfee aan [eiseres] , heeft zij met ingang van 2009 de regeling met [eiseres] opgezegd.

2.Procesverloop (op hoofdlijnen)

Voor cassatie en verwijzing

2.1
Als gezegd heeft deze zaak de Hoge Raad eerder bereikt. Voor een weergave van het procesverloop voor cassatie en verwijzing verwijs ik naar de betreffende conclusie van A-G Timmerman [3] en het arrest van de Hoge Raad (hierna: het
verwijzingsarrest). [4] Ik volsta hier met een vermelding van aspecten die voor een goed begrip van het processuele debat na cassatie en verwijzing van belang zijn.
2.2
[eiseres] heeft bij dagvaarding van 13 mei 2011, zoals nadien verminderd, [5] voor zover van belang en samengevat het volgende gevorderd:
(i) ter zake van schade wegens niet aan [eiseres] betaalde oprichtersfee: primair € 2.400.956,16 inclusief wettelijke rente tot 1 juni 2010 en subsidiair € 1.663.624 met wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 januari 2009 (hierna:
vordering 1);
(ii) ter zake van schade als gevolg van de weigering van Euretco om [eiseres] te benoemen tot commissaris bij MKB B.V.: € 95.425, per ultimo 2012 (hierna:
vordering 2);
(iii) ter zake van schade als gevolg van de weigering van Euretco en MKB B.V. om [eiseres] althans een derde een MKB-franchiseovereenkomst aan te bieden voor de exclusieve verzorgingsgebieden Bergen op Zoom en Roosendaal: € 4.305.126, per 1 april 2006 (hierna:
vordering 3).
2.3
Vordering 1, 2 respectievelijk 3 correspondeert wat betreft hetgeen daaraan door [eiseres] ten grondslag is gelegd met art. 5.3, 5.4 respectievelijk 5.5 van de koopovereenkomst (zie onder 1.7 hiervoor).
2.4
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij vonnis van 4 september 2013 [6] vordering 1 toegewezen tot een bedrag van € 1.663.624 en vordering 2 en 3 afgewezen. De afwijzing van vordering 2 heeft de rechtbank erop gebaseerd dat niet [eiseres] , maar [betrokkene 1] op grond van de koopovereenkomst tot commissaris zou worden benoemd en gerechtigd was tot de daarmee verband houdende vergoeding. Vordering 3 is afgewezen op de grond dat het recht op schadevergoeding wegens misgelopen franchiserechten niet toekomt aan [eiseres] , maar aan Mondial Keukens B.V., een dochtervennootschap van [eiseres] . [7]
2.5
Bij exploot van 2 december 2013 heeft Euretco hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Zij heeft, kort gezegd, geconcludeerd tot volledige afwijzing van de vorderingen van [eiseres] en voorts tot terugbetaling van wat zij ter uitvoering van de bestreden vonnissen aan [eiseres] heeft betaald.
2.6
[eiseres] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Zij heeft, kort gezegd, geconcludeerd tot het alsnog toewijzen van vordering 2 en 3.
2.7
In zijn tussenarrest van 4 april 2017 [8] heeft het Bossche hof geoordeeld, heel kort gezegd en vrij vertaald, dat vordering 2 en 3 moeten worden afgewezen. [9] Ten aanzien van vordering 1 heeft het Bossche hof onder meer als volgt geoordeeld, daarbij een voorshandse uitleg gevend aan art. 5.3 van de koopovereenkomst:
“3.9.2. (…)
Naar het oordeel van het hof dient, gelet op het voorgaande (waaronder de passage in de considerans waaruit blijkt dat partijen “willen dat deze regeling (…) ongewijzigd in stand blijft”) , vooralsnog te worden geoordeeld dat de verplichting van Euretco zoals omschreven in artikel 5.3 van de overeenkomst, betrekking heeft op de situatie zoals deze bestond ten tijde van het sluiten van de overeenkomst in 2004. Deze situatie hield het volgende in: de inkoop van keukens ten behoeve van de franchisenemers van MKB B.V. vond plaats bij fabrikanten die waren aangesloten bij Mondial GmbH en van wie was bedongen dat aan Euretco een functievergoeding ter grootte van 1,5% over de inkoopwaarde werd betaald en waarbij [eiseres] recht had op 1/3 deel van die functievergoeding.
[ [eiseres] , A-G] beroept zich op een andere, hierboven in 3.6.2. weergegeven uitleg. Hierop baseert zij haar vordering inzake de oprichtingsfee over 2008 en de jaren erna. Daarom rust ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv Pro op [ [eiseres] ] de bewijslast van die uitleg. [ [eiseres] ] heeft naar het oordeel van het hof voldoende gesteld om op dit punt tot bewijs te worden toegelaten. Het hof zal dan ook - eveneens in het licht van het voornoemde arrest van de Hoge Raad van 5 april 2013 - [eiseres] in de gelegenheid stellen te bewijzen dat artikel 5.3. van de koopovereenkomst zo dient te worden uitgelegd dat Euretco verplicht is om over de via haar (Euretco) lopende omzet van Superkeukens, ongeacht of die keukens van Mondial of van andere leveranciers/fabrikanten worden afgenomen, aan [ [eiseres] ] 0,5% te betalen van de inkoopwaarde van de bewuste keukens.”
2.8
In het dictum van dit tussenarrest heeft het Bossche hof [eiseres] een bewijsopdracht gegeven met betrekking tot de door haar verdedigde uitleg van art. 5.3 van de koopovereenkomst. Die bewijsopdracht luidt als volgt:
“Het hof: (…)
laat [eiseres] toe te bewijzen dat artikel 5.3. van de koopovereenkomst zo dient te worden uitgelegd dat Euretco verplicht is om over de via haar (Euretco) lopende omzet van Superkeukens aan [eiseres] 0,5% te betalen van de inkoopwaarde van de bewuste keukens, ongeacht of die keukens van Mondial of van andere leveranciers/fabrikanten worden afgenomen;”
2.9
Het Bossche hof heeft op verzoek van [eiseres] bepaald dat tussentijds cassatieberoep van dit tussenarrest kan worden ingesteld. [10] Bij procesinleiding van 3 juli 2017 heeft [eiseres] dat cassatieberoep ingesteld. Euretco heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Cassatie en verwijzing
2.1
In het verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad het tussenarrest van 4 april 2017 van het Bossche hof vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof ArnhemLeeuwarden (hierna: het
hof), ter verdere behandeling en beslissing. De Hoge Raad overwoog onder meer als volgt inzake de afwijzing door het Bossche hof van vordering 2 en 3:
“4.2.1 Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.14 dat de grondslag van de vordering ter zake van de gederfde commissariaatsinkomsten de in hoger beroep ten behoeve van [ [betrokkene 1] , A-G] ingestelde vordering niet kan dragen. Het onderdeel betoogt dat het hof is uitgegaan van een te beperkte lezing van de incidentele grief van [eiseres] .
4.2.2
Het onderdeel slaagt. De tweede incidentele grief van [eiseres] (zoals toegelicht onder 17.117.6 van de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel beroep) kan niet anders worden begrepen dan dat [eiseres] in hoger beroep de vordering ter zake van gederfde commissariaatsinkomsten instelt ten behoeve van [ [betrokkene 1] ] en dat zij de grondslag van deze vordering, naar aanleiding van het oordeel van de rechtbank, in hoger beroep aldus heeft gewijzigd dat [ [betrokkene 1] ], en niet [eiseres] , er recht op had te worden benoemd tot commissaris van MKB B.V. en gerechtigd was tot de daarmee verband houdende inkomsten. Het andersluidende oordeel van het hof is onbegrijpelijk.
(…)
4.3.3
Onderdeel 3.4 klaagt onder meer dat het oordeel van het hof in rov. 3.20 ook onbegrijpelijk is in het licht van de stellingen van [eiseres] dat zij tijdens een bespreking met [betrokkene 2] van Euretco op 14 juni 2006 haar ‘keukendochter’ Mondial Keukens B.V. heeft aangewezen en dat deze voordracht door [betrokkene 2] niet is geaccepteerd, dat zij in een faxbericht van 30 juni 2006 aan Euretco jegens laatstgenoemde aanspraak heeft gemaakt op vervangende schadevergoeding ter zake van de misgelopen franchiserechten, en dat Euretco daarop niet heeft gereageerd met de mededeling dat geen verzoek tot het aangaan van een franchiseovereenkomst aan Euretco is gedaan. In verband hiermee klaagt het onderdeel voorts dat het hof ongemotiveerd is voorbijgegaan aan het aanbod van [eiseres] om door middel van getuigen bewijs te leveren van haar stelling met betrekking tot de bespreking op 14 juni 2006.
Deze klachten zijn gegrond. Het hof heeft niet zonder nadere motivering kunnen voorbijgaan aan deze stellingen en het daarmee verband houdende bewijsaanbod. Uit die stellingen, indien de juistheid daarvan komt vast te staan, kan immers volgen dat [eiseres] voldoende duidelijk haar wens aan Euretco kenbaar heeft gemaakt dat MKB B.V. een franchiseovereenkomst met Mondial Keukens B.V. zou aangaan.”
Na cassatie en verwijzing
2.11
Bij exploot van 15 januari 2019 - dus ruim vijf jaar geleden - heeft Euretco de zaak bij het hof aanhangig gemaakt. [eiseres] heeft een memorie na verwijzing (tevens houdende het verzoek terug te komen van een bindende eindbeslissing) ingediend. Euretco heeft een antwoordmemorie na verwijzing ingediend. [eiseres] heeft nog een akte tevens houdende overlegging producties ingediend, die door het hof buiten beschouwing is gelaten. [11]
2.12
Het hof heeft bij arrest van 28 juli 2020 een comparitie van partijen gelast. Deze heeft op 10 februari 2021 plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben daar gepleit en pleitnota’s overgelegd. Van de comparitie is een proces-verbaal opgemaakt.
2.13
[eiseres] heeft op 9 maart 2021 een wrakingsverzoek ingediend, dat op 20 april 2021 mondeling is behandeld. Bij beslissing van 4 mei 2021 is [eiseres] daarin niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzoek volgens de wrakingskamer te laat is gedaan.
2.14
In een tussenarrest van 18 mei 2021 [12] (hierna: het
tussenarrest) heeft het hof over een aantal beslispunten geoordeeld en [eiseres] een bewijsopdracht gegeven overeenkomstig de bewijsopdracht van het Bossche hof (zie onder 2.7-2.8 hiervoor).
2.15
[eiseres] heeft op 20 mei 2021 verzocht tussentijds cassatieberoep te mogen instellen van het tussenarrest. Bij beslissing van 22 juni 2021 heeft het hof het verzoek afgewezen.
2.16
[eiseres] heeft vervolgens een akte inzake art. 170 Rv Pro, tevens memorie houdende het verzoek terug te komen van bindende eindbeslissingen ingediend. En producties overgelegd met het oog op de getuigenverhoren.
2.17
Op 15 en 22 december 2021 en 16 februari 2022 heeft [eiseres] verschillende getuigen doen horen, waarvan processen-verbaal zijn opgemaakt.
2.18
[eiseres] heeft een memorie na enquête ingediend, met ook - jawel - het verzoek terug te komen van bindende eindbeslissingen. Euretco heeft een antwoordmemorie na enquête ingediend.
2.19
Op 11 oktober 2022 heeft het hof eindarrest gewezen (hierna: het
eindarrest). [13] Het hof heeft het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant vernietigd en alle vorderingen van [eiseres] afgewezen, met daaruit voortvloeiende dicta, waaronder toewijzing van de terugbetalingsvordering van Euretco.
Tweede cassatieberoep
2.2
Bij procesinleiding van 9 januari 2023 heeft [eiseres] - tijdig - cassatieberoep ingesteld van het tussenarrest en het eindarrest. Euretco heeft een verweerschrift ingediend en daarin voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld van het tussenarrest en het eindarrest. [eiseres] heeft een verweerschrift in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingediend. Beide partijen hebben een (uitvoerige) schriftelijke toelichting gegeven. [eiseres] heeft gerepliceerd. Euretco heeft gedupliceerd.

3.Bespreking van het principale cassatieberoep

3.1
Het middel in het principale cassatieberoep beslaat 31 pagina’s [14] en bevat zeven onderdelen, die zijn genummerd van 2.1 t/m 2.7. De daarin opgenomen klachten van [eiseres] - groot in aantal, niet zelden uitgesponnen en complex in redactie - raken aan vordering 1, 2 en 3.
3.2
Ik zal de onderdelen nu achtereenvolgens bespreken.
Onderdeel 2.1(“Het hof heeft niet vastgesteld wie is tekortgeschoten”)
3.3
Onderdeel 2.1 bestaat uit de subonderdelen 2.1.1 t/m 2.1.14.
Subonderdelen 2.1.1 t/m 2.1.6(“Commissarisvergoeding”)
3.4
De subonderdelen 2.1.1 t/m 2.1.6 hebben betrekking op vordering 2 en ’s hofs oordeel ter zake, met name in rov. 3.13 van het tussenarrest (waarnaar ik kortheidshalve verwijs).
3.5
Subonderdeel 2.1.1klaagt dat rov. 3.13 van het tussenarrest onbegrijpelijk is. Het hof heeft miskend dat [eiseres] in deze procedure geen nakoming van art. 5.4 van de koopovereenkomst (meer) heeft gevorderd, in de zin dat [betrokkene 1] alsnog als commissaris zou moeten worden aangesteld en daarvoor een vergoeding zou moeten ontvangen. [eiseres] heeft (als lasthebber van [betrokkene 1] ) enkel betaling van de commissarisvergoeding gevorderd, althans (vervangende) schadevergoeding wegens het mislopen van de bedoelde commissarisvergoeding.
Behandeling
3.6
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.6.1
Het subonderdeel strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het tussenarrest. Het hof schetst in rov. 3.9 wat [eiseres] vordert en op grond waarvan. Daaruit volgt onmiskenbaar dat het hof voor ogen heeft dat [eiseres] ter zake betaling vordert van “de gemiste commissariaatinkomsten” met een beroep op art. 5.4 van de koopovereenkomst. Dat sluit ook aan op rov. 3.1, waar het hof onder meer vooropstelt dat het bij vordering 2 gaat om een vordering van [eiseres] op Euretco tot betaling van schadevergoeding ter zake van gederfde commissariaatinkomsten (gebaseerd op dat art. 5.4). Daarop bouwt het hof voort in rov. 3.13 bij de inhoudelijke beoordeling van die vordering, ook waar het daar wijst op het door [eiseres] gedane beroep op (nakoming van) dat art. 5.4. De reden dat het hof die vordering afwijst, is dat waar [betrokkene 1] - gelet op de in rov. 3.13 genoemde documenten, omstandigheden en art. 6:248 lid 2 BW Pro - indertijd niet meer kon verlangen dat hij als commissaris bij MKB B.V. werd benoemd, [eiseres] in het verlengde daarvan - gezien dus ook art. 6:248 lid 2 BW Pro - geen aanspraak toekomt op betaling van “gemiste commissariaatinkomsten” met een beroep op dat art. 5.4.
3.7
In de subonderdelen 2.1.2 en 2.1.3 wordt (in verschillende varianten) in de kern aangevoerd dat het hof in rov. 3.13 van het tussenarrest heeft nagelaten te onderzoeken of (en in zijn beoordeling te betrekken de stellingname dat) Euretco is tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst nog vóórdat [betrokkene 1] betrokken raakte bij MasterClass. Ik zal deze twee subonderdelen, die zijn verspreid over vijf pagina’s van de procesinleiding, nu stap voor stap bespreken.
3.8
Subonderdeel 2.1.2klaagt dat als het hof het in subonderdeel 2.1.1 betoogde niet heeft miskend, zijn beslissing (bedoeld is het oordeel in rov. 3.13 van het tussenarrest) rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is. Ik vat samen.
a. Het hof heeft miskend dat de betrokkenheid van [eiseres] of [betrokkene 1] bij een (op te richten) inkooporganisatie (MasterClass) niet zonder meer meebrengt dat toewijzing van de vordering tot betaling van de commissarisvergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
b. Het hof heeft zich daarmee ook niet gehouden aan de in het verwijzingsarrest gegeven opdracht.
c. De beslissing van het hof dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vordering tot betaling van de commissarisvergoeding wordt toegewezen is rechtens onjuist [15] in het licht van wat bij wijze van hypothetische feitelijke grondslag vaststaat, in het bijzonder dat Euretco is tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst voordat [betrokkene 1] volgens Euretco op 31 maart 2005 betrokken raakte bij een nieuwe inkooporganisatie (MasterClass). Dit omvat onder meer het betoog dat, kort gezegd, [betrokkene 1] als schadebeperkende maatregel met MasterClass in zee wilde gaan. Het subonderdeel bevat op dit punt een nadere toelichting die zo meteen, voor zover nodig, aan de orde komt.
d. Althans heeft te gelden dat de (eerdere) tekortkoming van Euretco meebrengt dat [eiseres] (als lasthebber van [betrokkene 1] ) betaling kan vorderen van de commissarisvergoeding, nu hij vanwege de door de tekortkoming van Euretco verstoorde verhoudingen en zijn daaruit voortvloeiende betrokkenheid bij een (op te richten) inkooporganisatie (MasterClass) niet meer daadwerkelijk als commissaris kan functioneren (en dus niet zelf in schuldeisersverzuim verkeerde). Wat, zo begrijp ik, het hof zou hebben miskend.
e. In ieder geval heeft het hof geen inzicht geboden in zijn gedachtegang waarom in dit geval ondanks de (bij wijze van hypothetische feitelijke grondslag vaststaande) tekortkoming van Euretco toch geen schadebeperkende maatregel had kunnen worden genomen door een poging te doen zeker te stellen dat meubels via een andere (op te richten) organisatie zouden kunnen worden ingekocht na de tekortkoming van Euretco en het (daaruit voortvloeiende negatieve) handelen van IMG, althans waarom ondanks de (eerdere) tekortkoming van Euretco [eiseres] (als lasthebber van [betrokkene 1] ) de commissarisvergoeding niet zou kunnen vorderen.
Behandeling
3.9
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.1
Te beginnen met
klacht a.
3.10.1
Deze strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het tussenarrest. Zulks blijkt alleen al daaruit dat de klacht abstraheert van de door het hof in rov. 3.13 bij herhaling genoemde omstandigheid dat [betrokkene 1] , die dus gelieerd is aan [eiseres] , na het sluiten van de koopovereenkomst “een actieve rol is gaan spelen bij de oprichting van MasterClass, zijnde een met Euretco concurrerende organisatie”. Dat hij “actief en voortvarend bezig was om een met Euretco concurrerende organisatie op te zetten.” Deze door het hof aanwezig geoordeelde concurrentie is volgens het hof onmiskenbaar een cruciaal aspect, waaraan de klacht gemakshalve voorbijfietst.
3.11
Dan
klacht b.
3.11.1
Deze bouwt kennelijk voort op klacht a (“Het hof heeft zich daarmee”, etc.) en strandt derhalve in het voetspoor daarvan. Zie onder 3.10-3.10.1 hiervoor. Voor het overige is het mij duister waar de steller van het middel heen wil met klacht b en voldoet deze hoe dan ook niet aan de eisen van art. 407 lid Pro 2, aanhef en sub d Rv.
3.12
Dan
klacht c.
3.12.1
De kern van de klacht is dat rov. 3.13 van het tussenarrest rechtens onjuist is, nu in cassatie bij wijze van hypothetische feitelijke grondslag tot uitgangspunt moet worden genomen dat Euretco is tekortgeschoten (tekortgekomen) in de nakoming van de koopovereenkomst. Euretco, zo wordt betoogd onder verwijzing naar vindplaatsen, is tekortgeschoten door:
(i) de betaling van de verschuldigde rente uit hoofde van de met de koopovereenkomst samenhangende geldleningovereenkomst op te schorten bij brief van 30 maart 2005;
(ii) vanaf februari 2005 druk uit te oefenen op [eiseres] om afstand te doen van haar aanspraken uit hoofde van de koopovereenkomst;
(iii) een lagere koopsom af te dwingen in een bespreking op 23 februari 2005.
Het hof heeft een en ander in het midden gelaten, aldus nog steeds de klacht.
3.12.2
Deze stellingen van [eiseres] sub (i) t/m (iii) heeft het hof inderdaad in het midden gelaten, zodat zij in cassatie bij wijze van hypothetische feitelijke grondslag tot uitgangspunt kunnen dienen. Maar die (figuur van de) hypothetische
feitelijkegrondslag waarop de klacht zich beroept, strekt zich niet uit tot de
juridische kwalificatiedie in de klacht eraan wordt gekoppeld, dus dat Euretco is tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst. [16] Dat het hof deze kwalificatievraag, die ook waarderingen van feitelijke aard en dus een gemengd oordeel verlangt, [17] in het midden heeft gelaten - het tussenarrest bevat geen oordeel daarover, net zomin als het eindarrest - brengt derhalve niet mee dat in cassatie ook het door [eiseres] gewenste antwoord op die vraag tot uitgangspunt kan dienen. Beantwoording van zo’n vraag in cassatie is, gelet op het gemengde karakter van het daarvoor vereiste oordeel, niet mogelijk (uitzonderlijk sprekende gevallen daargelaten, waarvan hier geen sprake is). [18] Dit een en ander raakt ook het betoog in het vervolg van de klacht dat, kort gezegd, [betrokkene 1] (in het licht van “mede” de gestelde tekortkoming van Euretco) een ‘schadebeperkende maatregel’ mocht nemen door betrokken te raken bij (de oprichting van) een inkooporganisatie (MasterClass). Of kan worden gesproken van een gerechtvaardigde schadebeperkende maatregel om de hiervoor genoemde redenen staat niet ter beoordeling van de cassatierechter (uitzonderlijk sprekende gevallen daargelaten, waarvan hier dus geen sprake is). Op het voorgaande loopt de klacht reeds vast.
3.13
Tot slot
klacht d en e.
3.13.1
Nu deze klachten tot uitgangspunt nemen dat Euretco is tekortgeschoten, stranden zij in het voetspoor van klacht c. Dat Euretco is tekortgeschoten staat niet vast, ook niet bij wijze van hypothetische grondslag, en kan in cassatie ook niet worden vastgesteld. Zie onder 3.12-3.12.2 hiervoor.
3.14
Subonderdeel 2.1.3klaagt dat, indien het hof het in subonderdeel 2.1.1 betoogde niet heeft miskend en evenmin de in subonderdeel 2.1.2 vooropgestelde hypothetische feitelijke grondslag in cassatie uitgangspunt kan zijn, rov. 3.13 van het tussenarrest evenzeer rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is. Daarop volgt in het subonderdeel een uitwerking in twee varianten die ik hier weergeef sub a-b, zonder toeters en bellen.
a. Het hof had, mede gelet op de in subonderdeel 2.1.2 bedoelde stelling(en) van [eiseres] “dat sprake was van een (eerdere) tekortkoming van Euretco”, moeten onderzoeken of het handelen van [betrokkene 1] in het kader van de oprichting van MasterClass leidde tot een tekortschieten in de nakoming van de koopovereenkomst of dat sprake was van tekortschieten van Euretco en op welk moment dat tekortschieten plaatsvond. Zonder dit te onderzoeken, kon het hof niet tot het oordeel in rov. 3.13 komen. Daarop volgt een separaat, ingesprongen tekstblok dat begint met: “Indien Euretco immers zou zijn tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst voordat [betrokkene 1] betrokken raakte bij de inkooporganisatie (MasterClass Meubel), valt niet, althans niet zonder meer, in te zien waarom”, etc.
b. Als het hof dit niet heeft miskend, maar tot uitgangspunt heeft genomen dat het handelen van [betrokkene 1] door de activiteiten in het kader van die inkooporganisatie (ook) leidt tot een tekortkoming in de koopovereenkomst door [eiseres] of [betrokkene 1] en daarom geen sprake is van een (eerdere) tekortkoming van Euretco, dan is zijn beslissing onbegrijpelijk. Hiertoe wijst [eiseres] op vijf stellingen. [19] Al deze omstandigheden dateren van voor het eerste moment dat Euretco heeft genoemd voor de betrokkenheid van [betrokkene 1] bij die inkooporganisatie, op 31 maart 2005. Het hof heeft deze stellingen niet (kenbaar) verworpen, terwijl hieruit volgt dat voorafgaand aan de betrokkenheid van [betrokkene 1] bij die inkooporganisatie al een verstoorde verhouding bestond tussen partijen die niet (zonder meer) valt toe te rekenen aan [eiseres] of [betrokkene 1] . Dit geldt te meer nu in rov. 2.35 van het eindarrest is vastgesteld dat de verhoudingen behoorlijk verstoord waren geraakt, maar achteraf is gebleken dat bepaalde verwijten (door Euretco) onterecht aan [eiseres] zijn gemaakt. Gelet hierop valt niet (zonder meer) in te zien waarom sprake was van een eerdere tekortkoming van [eiseres] of [betrokkene 1] in de koopovereenkomst.
Behandeling
3.15
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.15.1
Het hof gaat ervan uit dat [betrokkene 1] , die dus gelieerd was aan [eiseres] , al
eind 2004/begin 2005betrokken was bij de oprichting van MasterClass. Het hof oordeelt immers in rov. 3.13 van het tussenarrest onder meer “dat uit het dossier in voldoende mate volgt dat [betrokkene 1] [dus [betrokkene 1] , A-G] na het sluiten van de overeenkomst van 12 oktober 2004 een actieve rol is gaan spelen bij de oprichting van MasterClass, zijnde een met Euretco concurrerende organisatie”. En in rov. 3.18 dat [betrokkene 1] “eind 2004, althans in 2005” betrokken is geraakt bij de oprichting van MasterClass. [20]
3.15.2
Bij het voorgaande heeft het hof klaarblijkelijk en geenszins onbegrijpelijk acht geslagen op en conclusies getrokken uit het procesdossier, waaronder stellingen van Euretco ter zake. [21] Het ligt ook in de rede (vergelijk in dit verband art. 149 lid 2 Rv Pro) dat een actieve rol zoals [betrokkene 1] die is gaan spelen bij de oprichting van een organisatie zoals MasterClass niet eerst begint met een op de oprichting van die organisatie gerichte vergadering van betrokkenen zoals die inzake MasterClass plaatsvond op 31 maart 2005 in aanwezigheid van [betrokkene 1] , nu daaraan naar de aard een zekere aanloop met de nodige voorbereidingen vooraf pleegt te gaan. [22]
3.15.3
Wat er verder zij van de stellingen van [eiseres] waarop het subonderdeel sub a-b beroep doet (deels onder verwijzing naar subonderdeel 2.1.2), deze houden in dat Euretco op z’n vroegst vanaf
februari 2005gedragingen heeft verricht die van haar zijde een tekortschieten in de nakoming van de koopovereenkomst zouden (kunnen) opleveren. Dit een en ander ligt ná de gang van zaken in de periode eind 2004/begin 2005 waarop het hof het oog heeft als bedoeld onder 3.15.1 hiervoor en kán dus, althans zonder meer (welk meerdere ontbreekt), [23] niet meebrengen dat die gang van zaken Euretco te verwijten viel. Daarbij zij aangetekend dat de zeer algemene stelling dat het gedrag van “IMG” vanaf december 2004 “negatief” was richting [eiseres] hier - in navolging van het hof - buiten beschouwing kan worden gelaten, want hoe dan ook onvoldoende concreet is (nog daargelaten of, en zo ja: in hoeverre, dat (ook) Euretco kan worden tegengeworpen).
3.15.4
Anders dan het subonderdeel
sub akennelijk betoogt, kon bij deze stand van zaken het hof oordelen zoals het doet in rov. 3.13 zonder te onderzoeken of Euretco is tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst
voordat[betrokkene 1] betrokken raakte bij de oprichting van MasterClass. Voor zo’n onderzoek gaf het processuele debat geen aanleiding, ook als daarbij genoemde stellingen van [eiseres] worden betrokken: zulks volgt uit 3.15.1-3.15.3 hiervoor. Het hof diende, gezien ook art. 24 Rv Pro, niet buiten het processuele debat om tot zo’n onderzoek over te gaan. En kon, gezien het voorgaande, genoemde stellingen van [eiseres] in rov. 3.13 ook in het midden laten.
3.15.5
Het subonderdeel
sub bloopt vooreerst vast op de veronderstelling dat het hof de in het subonderdeel sub a gepropageerde ‘onderzoeksplicht’ niet heeft miskend. Van zo’n plicht is immers geen sprake, en het hof is daarvan ook niet uitgegaan. Voorts veronderstelt het subonderdeel sub b ten onrechte dat het hof in rov. 3.13 tot uitgangspunt neemt dat het handelen van [betrokkene 1] door de activiteiten in het kader MasterClass “(ook) leidt tot een tekortkoming in de koopovereenkomst door [eiseres] of [betrokkene 1] en daarom geen sprake is van een (eerdere) tekortkoming van Euretco”. Het hof velt daar geen oordeel over “een (eerdere) tekortkoming van Euretco”, nu daartoe als gezegd geen aanleiding bestond. Overigens heeft Euretco, naar ’s hofs geenszins onbegrijpelijke oordeel, niet 31 maart 2005 gemarkeerd als “het eerste moment (…) voor de betrokkenheid van [betrokkene 1] bij de inkooporganisatie (MasterClass)”. [24] En kon het hof, als gezegd, genoemde stellingen van [eiseres] ook in het midden laten. Hiermee is de bodem onder het subonderdeel sub b al ruimschoots weggeslagen.
3.15.6
Het behoeft geen betoog dat het voorgaande niet anders wordt door wat het hof, in generieke bewoordingen, nog opmerkt in rov. 2.35, voorlaatste zin van het eindarrest (“Dat achteraf is gebleken dat bepaalde verwijten onterecht aan [betrokkene 1] zijn gemaakt, laat onverlet dat in die periode de verhoudingen behoorlijk verstoord waren geraakt”). Te bezien uiteraard in de context van deze rov. 2.35 als geheel (die overigens betrekking heeft op rov. 3.18 van het tussenarrest inzake vordering 3 en een verzoek van [eiseres] aan het hof om terug te komen van ter zake door het hof genomen eindbeslissingen). [25]
3.16
Subonderdeel 2.1.4klaagt dat als rov. 3.13 van het tussenarrest zo moet worden begrepen dat de koopovereenkomst is gesloten tussen [eiseres] en Euretco en daarom geen sprake kan zijn van een tekortkoming van Euretco jegens [betrokkene 1] (of omgekeerd), en dus evenmin behoeft te worden beoordeeld of sprake is van een dergelijke tekortkoming, dan zijn beslissing rechtens onjuist is. Art. 5.4 van de koopovereenkomst bevat immers ook een verplichting van Euretco jegens [betrokkene 1] als bestuurder van [eiseres] , waarin Euretco, mede gelet op art. 6:279 BW Pro, kan tekortschieten.
Behandeling
3.17
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.17.1
Het subonderdeel strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het tussenarrest. In rov. 3.13 is het door het subonderdeel veronderstelde oordeel van het hof immers niet te lezen.
3.18
Subonderdeel 2.1.5bevat twee klachten.
a. Het hof heeft in rov. 3.13 van het tussenarrest miskend dat de betrokkenheid bij het opzetten van een inkooporganisatie [26] niet zonder meer in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid, maar dat dit afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Het hof heeft die betrokkenheid echter klaarblijkelijk als (enige) dragende omstandigheid voor zijn beslissing gegeven. Dat is echter rechtens niet toereikend.
b. In ieder geval heeft het hof onvoldoende inzicht geboden in zijn beslissing welke andere omstandigheden, naast de in rov. 3.13 genoemde betrokkenheid bij de oprichting van een inkooporganisatie, het relevant heeft geacht voor zijn beslissing.
Behandeling
3.19
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.19.1
In rov. 3.13, tweede alinea van het tussenarrest somt het hof “omstandigheden” op, waaronder naar diens oordeel het doen van het voorliggende beroep op art. 5.4 van de koopovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is te achten (art. 6:248 BW Pro). Daarbij doelt het hof op het volgende, waarbij zij bedacht dat [betrokkene 1] dus gelieerd is aan [eiseres] .
- Uit het dossier volgt in voldoende mate dat [betrokkene 1] na het sluiten van de overeenkomst van 12 oktober 2004 een actieve rol is gaan spelen bij de oprichting van MasterClass, zijnde een met Euretco concurrerende organisatie.
- Uit stellingen en overgelegde producties inzake MasterClass in eerste aanleg en de notulen van 4 juli 2005 volgt de actieve betrokkenheid van [betrokkene 1] bij MasterClass.
- Dat - zoals [eiseres] nog heeft betoogd - dit uiteindelijk niet van de grond is gekomen, doet niet eraan af dat [betrokkene 1] , terwijl hij actief en voortvarend bezig was een met Euretco concurrerende organisatie op te zetten, aanspraak bleef maken op een commissariaat bij MKB B.V., waarvan Euretco 80% van de aandelen hield.
- Daarbij komt dat [eiseres] die aanspraak voor het eerst is gaan maken nadat [betrokkene 1] al met de oprichting van MasterClass gestart was (dus eind 2004/begin 2005, zie ook onder 3.15.1 hiervoor).
- Hoe [betrokkene 1] zich voorstelde zijn wettelijke taken als commissaris in dat licht in het belang van MKB B.V. te kunnen uitoefenen, heeft [eiseres] onvoldoende toegelicht. [27]
3.19.2
Klacht astrandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het tussenarrest. De klacht gaat voorbij aan hetgeen het hof in werkelijkheid aan “omstandigheden” betrekt en weegt in rov. 3.13, wat bepaald meer is dan de klacht - in een kennelijke drang naar opportunistisch reductionisme - ervan maakt. Zie onder 3.19.1 hiervoor.
3.19.3
Overigens nog dit. Alle relevante omstandigheden moeten worden meegewogen, zoals art. 3:12 BW Pro in wezen ook opdraagt. [28] Het hof miskent dit niet in rov. 3.13. Iets anders is dat het hof hetgeen het daar aan “omstandigheden” benoemt, aanmerkt als toereikend om in dit geval, bezien in totaliteit, het door Euretco gedane beroep op art. 6:248 lid 2 BW Pro gerechtvaardigd te achten. Dit doet het hof op voldoende inzichtelijke wijze en geeft evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting, waarbij zij bedacht dat ’s hofs beoordeling ter zake niet volledig objectiveerbaar is. [29]
3.19.4
Klacht bstrandt reeds in het voetspoor van klacht a. Zie onder 3.19.1-3.19.3 hiervoor. Overigens voert de klacht ook niet aan welke omstandigheden het hof dan verder nog in zijn beoordeling zou hebben moeten betrekken. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.2
Subonderdeel 2.1.6klaagt dat de subonderdelen 2.1.1 t/m 2.1.5 bij gegrondbevinding van een of meerdere ervan ook vitiëren rov. 2.29 van het eindarrest (geen noodzaak terug te komen van rov. 3.13 van het tussenarrest inzake de commissarisvergoeding).
Behandeling
3.21
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.21.1
Het subonderdeel bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de subonderdelen 2.1.1 t/m 2.1.5, die alle falen. Zie onder 3.5-3.19.4 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Subonderdelen 2.1.7 t/m 2.1.14(“Franchise-inkomsten”)
3.22
De subonderdelen 2.1.7 t/m 2.1.14 hebben betrekking op vordering 3 en ’s hofs oordeel ter zake, met name in rov. 3.21-3.22 van het tussenarrest (waarnaar ik kortheidshalve verwijs).
3.23
Subonderdeel 2.1.7klaagt over ’s hofs overweging in rov. 3.21 van het tussenarrest dat het de stellingname van Euretco aldus begrijpt dat zij zich als gevolg van de houding van “ [betrokkene 1] ” (ik lees: [betrokkene 1] ) niet langer in redelijkheid gebonden achtte aan het derdenbeding in art. 5.5 van de koopovereenkomst. Het hof heeft daarmee miskend, kort gezegd, dat Euretco eerst na cassatie en verwijzing deze stelling heeft ingenomen in het kader van de vraag of MKB B.V. franchiseovereenkomsten moest sluiten met Mondial Keukens B.V. [30] En aldus dat voor het aanvoeren van nieuwe verweren na cassatie en verwijzing geen mogelijkheid meer bestond, zodat het hof dit verweer van Euretco terzijde had moeten laten. [31]
Behandeling
3.24
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.24.1
In de kern wordt betoogd dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing heeft miskend. Hoe zit dat?
3.24.2
In het geding na cassatie en verwijzing is volgens Hoge Raad-rechtspraak geen plaats voor het aanvoeren van nieuwe feiten en omstandigheden, met uitzondering (mits binnen de grenzen van de rechtsstrijd) van feiten en omstandigheden die zich na de vernietigde uitspraak hebben voorgedaan. [32] Dit moet echter niet te restrictief worden begrepen, dat wil zeggen: niet in die zin dat partijen dan behoudens zulke
novahelemaal niets meer kunnen aanvoeren, [33] te minder waar de Hoge Raad - zoals hier - een tussenuitspraak heeft vernietigd. [34] Het binnen de grenzen van de goede procesorde preciseren, nader toelichten/contextualiseren [35] en onderbouwen [36] van bijvoorbeeld een reeds gevoerd subsidiair verweer dat pas ná cassatie en verwijzing relevant wordt door het - in cassatie - sneuvelen van het primaire verweer, komt mij toelaatbaar voor. [37] Uitingen met betrekking tot de juridische kwalificatie van aangevoerde feiten en omstandigheden (en dus de rechtsgrondslag voor de verlangde rechtsgevolgen) worden logischerwijs ook niet getroffen door beperkingen aan het geding na cassatie en verwijzing, al was het maar omdat ook de verwijzingsrechter uit hoofde van art. 25 Rv Pro het aangevoerde zelf van de juiste juridische kwalificatie kan en moet voorzien (binnen de grenzen van art. 424 Rv Pro, uiteraard). [38]
3.24.3
Of Euretco voor cassatie en verwijzing inzake vordering 3 een expliciet beroep heeft gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW Pro) is, gelet op 3.24.2 hiervoor, niet beslissend. Dat is immers een kwalificatiekwestie die onder het bereik van art. 25 Rv Pro valt. Waar het hier om gaat, is of Euretco voor cassatie en verwijzing inzake vordering 3 afdoende heeft aangevoerd dat zij indertijd niet langer kon worden gehouden aan het derdenbeding in art. 5.5 van de koopovereenkomst en in dat verband beroep heeft gedaan op bepaalde feitelijkheden. Dit laatste vergt een in beginsel aan het hof als feitenrechter voorbehouden uitleg van de gedingstukken, die in cassatie alleen op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Het hof blijft ter zake in rov. 3.21 van het tussenarrest binnen de grenzen van het begrijpelijke (en aldus binnen de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing), nu het in nrs. 30-33 en 116-120 van de conclusie van antwoord wel degelijk zo’n betoog van Euretco kon lezen. Daarbij geldt dat het hof begrijpelijkerwijs niet een al te scherp onderscheid heeft aangebracht tussen de kwestie van de gederfde commissariaatinkomsten (vordering 2) en die van de gederfde franchise-inkomsten (vordering 3), daar het gebeurde feitelijke samenhang vertoont. Dit een en ander laat zich, zoals wel vaker in de praktijk, niet ragfijn juridisch segmenteren. [39] Kortom, de feitelijke grondslag voor de toepassing van art. 6:248 lid 2 BW Pro inzake vordering 3 is niet na cassatie en verwijzing uit de lucht komen vallen. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het subonderdeel.
3.25
Subonderdeel 2.1.8klaagt dat rov. 3.21 van het tussenarrest onbegrijpelijk is. Het hof heeft miskend dat Mondial Keukens B.V. (althans [eiseres] als lasthebber) in deze procedure geen nakoming van art. 5.5 van de koopovereenkomst (meer) heeft gevorderd in de zin dat de verzorgingsgebieden alsnog aan Mondial Keukens B.V. zouden moeten worden toegekend. [eiseres] heeft als lasthebber van Mondial Keukens B.V. enkel een schadevergoedingsvordering ingesteld vanwege de niet-toekenning van de in dat art. 5.5 genoemde verzorgingsgebieden.
Behandeling
3.26
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.26.1
Hier is per saldo hetzelfde aan de orde als in subonderdeel 2.1.1. Zie onder 3.5-3.6.1 hiervoor. Het subonderdeel lijdt aan een dienovereenkomstig euvel, te weten een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het tussenarrest. Illustratief is ’s hofs duiding van vordering 3 in rov. 3.14, die aansluit op ’s hofs vooropstelling in rov. 3.1 dat het bij vordering 3 gaat om een vordering van [eiseres] op Euretco tot betaling van schadevergoeding ter zake van gederfde franchise-inkomsten (gebaseerd op art. 5.5 van de koopovereenkomst). Ik kan het hierbij laten.
3.27
Subonderdeel 2.1.9is ook gericht tegen rov. 3.21 van het tussenarrest en geformuleerd langs vergelijkbare lijnen als subonderdeel 2.1.2 (zie onder 3.8 hiervoor), maar nu dus met betrekking tot de franchiseinkomsten. Het subonderdeel bevat een aanzienlijke hoeveelheid tekst (op p. 12-16 van de procesinleiding) met een handvol klachten. Ik vat samen.
a. Het hof heeft miskend dat de betrokkenheid van [eiseres] of [betrokkene 1] bij een (op te richten) inkooporganisatie (MasterClass) niet zonder meer meebrengt dat een beroep op het derdenbeding in art. 5.5 van de koopovereenkomst door Mondial Keukens B.V. (althans door [eiseres] als lasthebber) jegens Euretco naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is ter zake van de (schadevergoedings)vordering van Mondial Keukens B.V. wegens de gemiste winst door het niet toekennen aan haar van de twee in dat art. 5.5 genoemde verzorgingsgebieden.
b. Het hof heeft zich daarmee ook niet gehouden aan de in het verwijzingsarrest gegeven opdracht.
c. De beslissing van het hof dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Mondial Keukens B.V. (althans [eiseres] als lasthebber) een beroep doet op (schadevergoeding wegens het niet nakomen van) het derdenbeding in dat art. 5.5 is rechtens onjuist [40] in het licht van wat bij wijze van hypothetische feitelijke grondslag vaststaat, in het bijzonder dat Euretco is tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst voordat [betrokkene 1] volgens Euretco op 31 maart 2005 betrokken raakte bij een nieuwe inkooporganisatie (MasterClass). Dit omvat onder meer het betoog dat, kort gezegd, [betrokkene 1] als schadebeperkende maatregel met MasterClass in zee wilde gaan. Het subonderdeel bevat op dit punt een nadere toelichting.
d. Althans heeft te gelden dat de (eerdere) tekortkoming van Euretco meebrengt dat Mondial Keukens B.V. (althans [eiseres] als lasthebber) in beginsel een beroep kon doen op het derdenbeding in dat art. 5.5 ondanks de (latere) betrokkenheid van [eiseres] of [betrokkene 1] bij een (op te richten) inkooporganisatie, nu dit laatste “is veroorzaakt door de door de (bij wijze van hypothetische feitelijke grondslag vaststaande) tekortkoming van Euretco verstoorde verhoudingen” (en [eiseres] dus niet in schuldeisersverzuim verkeerde). Wat, zo begrijp ik, het hof zou hebben miskend.
e. In ieder geval heeft het hof geen inzicht geboden in zijn gedachtegang waarom in dit geval ondanks de (bij wijze van hypothetische feitelijke grondslag vaststaande) tekortkoming van Euretco toch geen schadebeperkende maatregel had kunnen worden genomen door een poging te doen zeker te stellen dat meubels via een andere (op te richten) organisatie zouden kunnen worden ingekocht na de tekortkoming van Euretco en het (daaruit voortvloeiende negatieve) handelen van IMG, althans waarom ondanks de (eerdere) tekortkoming van Euretco de op niet-nakoming van dat art. 5.5 door Mondial Keukens B.V. gebaseerde schadevergoedingsvordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Behandeling
3.28
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.28.1
Onder 3.9-3.13.1 hiervoor zette ik uiteen waarom subonderdeel 2.1.2 strandt. Dit een en ander geldt overeenkomstig voor het onderhavige subonderdeel, bezien in het licht van rov. 3.21 van het tussenarrest. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.29
Subonderdeel 2.1.10klaagt dat, indien het hof het in subonderdeel 2.1.8 betoogde niet heeft miskend en evenmin de in subonderdeel 2.1.9 vooropgestelde hypothetische feitelijke grondslag in cassatie uitgangspunt kan zijn, rov. 3.21 van het tussenarrest evenzeer rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is. Dit werkt het subonderdeel uit in twee varianten geformuleerd langs vergelijkbare lijnen als subonderdeel 2.1.3 (zie onder 3.14 hiervoor), maar nu dus met betrekking tot de franchiseinkomsten. Ik geef die uitwerking hier weer sub a-b, zonder toeters en bellen.
a. Het hof had, mede gelet op de in subonderdeel 2.1.9 bedoelde stelling(en) van [eiseres] “dat sprake was van een (eerdere) tekortkoming van Euretco”, moeten onderzoeken of het handelen van [betrokkene 1] in het kader van de oprichting van inkooporganisatie MasterClass leidde tot een tekortschieten in de nakoming van de koopovereenkomst of dat sprake was van tekortschieten van Euretco en op welk moment dat tekortschieten plaatsvond. Zonder dit te onderzoeken, kon het hof - naar in subonderdeel 2.1.3 verder is uitgewerkt voor de betaling van de commissarisvergoeding - niet tot het oordeel in rov. 3.21 komen.
b. Als het hof dit niet heeft miskend, maar tot uitgangspunt heeft genomen dat het handelen van [betrokkene 1] door de activiteiten in het kader van die inkooporganisatie (ook) leidt tot een tekortkoming in de koopovereenkomst door [eiseres] of [betrokkene 1] en daarom geen sprake is van een (eerdere) tekortkoming van Euretco, dan is zijn beslissing onbegrijpelijk. Hiertoe wijst [eiseres] op vijf stellingen. [41] Het vervolg is vergelijkbaar met subonderdeel 2.1.3 sub b. Zie onder 3.14 sub b hiervoor.
Behandeling
3.3
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.30.1
Onder 3.15-3.15.6 hiervoor zette ik uiteen waarom subonderdeel 2.1.3 strandt. Dit een en ander geldt overeenkomstig voor het onderhavige subonderdeel, bezien in het licht van rov. 3.21 van het tussenarrest. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.31
Subonderdeel 2.1.11klaagt dat de subonderdelen 2.1.9 en 2.1.10 bij gegrondbevinding van een of meerdere ervan ook vitiëren rov. 3.22 van het tussenarrest (dat niet onrechtmatig is gehandeld jegens Mondial Keukens B.V.).
Behandeling
3.32
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.32.1
Het subonderdeel bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de subonderdelen 2.1.9 en 2.1.10, die beide falen. Zie onder 3.27-3.30.1 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.33
Subonderdeel 2.1.12bevat meerdere klachten, deels lopend langs lijnen vergelijkbaar met die van subonderdeel 2.1.5 (zie onder 3.18 hiervoor). Ik vat samen.
a. Het hof heeft in rov. 3.213.22 van het tussenarrest miskend dat de betrokkenheid bij het opzetten van een inkooporganisatie [42] niet zonder meer in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid, maar dat dit afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Nu het hof in rov. 2.32 van het eindarrest heeft beslist dat het in rov. 3.21-3.22 genoemde tijdstip van beëindiging van de franchiserelatie niet dragend is voor zijn beslissing, en - naar in subonderdeel 2.2.2 wordt betoogd - niet valt in te zien dat sprake is van berusting van Mondial Keukens B.V. in de opzegging van die franchiserelatie althans in het niet gunnen van de twee in art. 5.5 van de koopovereenkomst bedoelde verzorgingsgebieden, is het dragende argument voor de afwijzing van de vordering gebaseerd op onrechtmatig handelen jegens Mondial Keukens B.V. gebaseerd op de (enkele) deelname aan de hiervoor bedoelde inkooporganisatie. Dat is echter rechtens ontoereikend.
b. In ieder geval heeft het hof onvoldoende inzicht geboden in zijn beslissing welke andere omstandigheden, naast het in rov. 3.21 genoemde overstappen naar de concurrent, [43] het relevant heeft geacht voor zijn beslissing. [44]
c. Het hof heeft in rov. 3.22 rechtens onjuist overwogen dat als eis voor het kunnen aanspreken van Euretco uit hoofde van een onrechtmatige daad door Mondial Keukens B.V. vereist is dat Euretco op dit onrechtmatige handelen zou zijn gewezen voordat [eiseres] zich in hoger beroep als lasthebber van Mondial Keukens B.V. heeft gepresenteerd. Die eis kan rechtens niet worden gesteld. Het was dus niet nodig voor het kunnen aanspreken van Euretco uit hoofde van een onrechtmatige daad om haar daar al voor of eerder in de procedure op te wijzen, nu in de procedure tijdig duidelijk is (geworden) door wie en voor welk onrechtmatig handelen zij wordt aangesproken.
Behandeling
3.34
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.35
Te beginnen met
klacht a.
3.35.1
Hier is per saldo hetzelfde aan de orde als in subonderdeel 2.1.5 sub a. Zie onder 3.19.1-3.19.2 hiervoor. Het subonderdeel lijdt aan een dienovereenkomstig euvel, te weten een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het tussenarrest. Ik licht dit toe voor zowel rov. 3.21 als rov. 3.22.
3.35.2
Eerst rov. 3.21, dat draait om het afstuiten op art. 6:248 lid 2 BW Pro - zoals ingeroepen door Euretco - van het door Mondial Keukens B.V. (althans [eiseres] als lasthebber) gedane beroep op het derdenbeding in art. 5.5 van de koopovereenkomst.
- Illustratief is ’s hofs overweging in rov. 3.21, tweede alinea dat contractspartijen zich overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid dienen te gedragen, waarmee in strijd is “[h]et in een bestaande contractuele rechtsverhouding opzetten van een concurrerende franchiseorganisatie” (oftewel de in rov. 3.21, eerste alinea vooropgestelde “keuze van [betrokkene 1] [dus [betrokkene 1] , A-G] om naar de concurrent over te stappen”). Daarmee bouwt het hof in zoverre voort op rov. 3.13, tweede alinea, waarover onder 3.19.1 hiervoor.
- Daarbij onderkent het hof, gezien ook rov. 3.14-3.19, dat het door [eiseres] gestelde beroep op het derdenbeding in art. 5.5 van de koopovereenkomst zou zijn gedaan in juni 2006 (gelet op een bespreking van 14 juni 2006 en een faxbericht van 30 juni 2006). Dus eerst nádat [betrokkene 1] - die is gelieerd aan [eiseres] - al met de oprichting van MasterClass gestart was, eind 2004/begin 2005. Zie ook onder 3.15.1 hiervoor.
- Verder staat vast, naar het hof niet uit het oog verliest, dat Mondial Keukens B.V. een dochtervennootschap van [eiseres] is (althans destijds was). Zie onder 2.4 hiervoor.
- Het hof betrekt daarbij ook de in rov. 3.19 samengevatte gang van zaken rond de opzegging door MKB B.V. (franchisegever), bij brief van 31 oktober 2005, van de bestaande franchiseovereenkomst met Mondial Keukens B.V. (franchisenemer met verzorgingsgebied Terneuzen) tegen 31 maart 2006. Gelijk de in rov. 3.20 bedoelde stellingname van Euretco en genoemde brieven.
-
Last but not least: het hof trapt rov. 3.21 af door in de eerste alinea fijntjes erop te wijzen dat de daar bedoelde protesten zijdens Mondial Keukens B.V., zoals herhaald bij brief van 4 mei 2006, de vraag oproepen hoe deze “zich verhouden tot de eerdere berusting van Mondial Keukens B.V., het geëindigd zijn van de franchiserelatie per 1 april 2006 en ook met de keuze van [betrokkene 1] om naar de concurrent over te stappen.” Met andere woorden: wat steekt daar eigenlijk achter? [45]
Met inachtneming van dit een en ander komt het hof tot bevestigende beantwoording van de vraag of Euretco onder de gegeven omstandigheden met recht heeft aangenomen dat het beroep van Mondial Keukens B.V. (althans [eiseres] als lasthebber) op het derdenbeding in art. 5.5 van de koopovereenkomst uiterlijk vanaf 1 april 2006 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid als onaanvaardbaar moet worden beschouwd (art. 6:248 lid 2 BW Pro). Hieraan ziet de klacht voorbij, voor zover deze gericht is tegen rov. 3.21. En dat is al fataal.
3.35.3
Overigens geldt wat ik schreef onder 3.19.3 hiervoor overeenkomstig voor ’s hofs oordeel in rov. 3.21 inzake dat afstuiten op art. 6:248 lid 2 BW Pro van dat door Mondial Keukens B.V. (althans [eiseres] als lasthebber) gedane beroep op het derdenbeding in dat art. 5.5.
3.35.4
Dan rov. 3.22. Dat draait om iets anders dan voorligt in rov. 3.21, namelijk het betoog van [eiseres] dat Euretco onrechtmatig heeft gehandeld tegenover Mondial Keukens B.V. (door art. 5.5 van de koopovereenkomst te schenden, in die zin dat Euretco het daarin opgenomen derdenbeding tegenover Mondial Keukens B.V. niet gestand heeft gedaan) en ’s hofs verwerping van dit betoog. Voor zover de klacht daartegen is gericht, ziet deze vooreerst eraan voorbij dat tot “de achtergrond” waarnaar het hof verwijst in rov. 3.22 - die loopt tot en met “het eindigen van die franchiserelatie per 1 april 2016” - hoe dan ook tevens behoort “het conflict dat in 2004 tussen partijen is ontstaan” over “de aandelenoverdracht” en “de bonussen” (naast “de oprichting van Masterclass”). Bovendien ziet de klacht dan voorbij aan wat het hof bij die achtergrond bedoelt met dat conflict betreffende “de oprichting van MasterClass”, hetgeen dus bepaald meer is dan de klacht ervan maakt. Zie onder 3.35.2 hiervoor. Reeds daarop loopt de klacht vast voor zover gericht tegen rov. 3.22.
3.35.5
Ik kan het hierbij laten.
3.36
Dan
klacht b.
3.36.1
Deze loopt vast op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het tussenarrest, voor zover de klacht ervan uitgaat dat het hof met het in rov. 3.21, eerste alinea genoemde overstappen naar de concurrent bedoelt dat “ [A] ( [plaats] ) B.V. per 1 januari 2006 [is] overgestapt van IMG naar MasterClass vanwege de (…) opzegging van haar IMG-lidmaatschap per 20 juli 2005.” Het hof heeft daar, naar het ook schrijft en volgend op rov. 3.20 (mede over “de overstap van [betrokkene 1] naar MasterClass”), het oog op “de keuze van [betrokkene 1] ” (dus [betrokkene 1] ) “om naar de concurrent over te stappen” (dus “een concurrerende franchiseorganisatie”, zijnde MasterClass, “op te zetten”). Zie onder 3.35.2 hiervoor. Die overstap van [A] ( [plaats] ) B.V. komt noch in rov. 3.21 noch in rov. 3.22 voor. De klacht ziet verder eraan voorbij dat het hof in rov. 3.21 respectievelijk rov. 3.22 wel degelijk en afdoende inzicht biedt in zijn beslissing welke omstandigheden het ter zake relevant acht. Daarbij geldt dat het hof de in rov. 3.21 respectievelijk rov. 3.22 benoemde omstandigheden aanmerkt als toereikend om in dit geval, bezien in totaliteit, het door Euretco gedane beroep op art. 6:248 lid 2 BW Pro gerechtvaardigd te achten (rov. 3.21) respectievelijk het betoog van [eiseres] dat Euretco onrechtmatig heeft gehandeld tegenover Mondial Keukens B.V. te verwerpen (rov. 3.22). Zie ook onder 3.35.2-3.35.4 hiervoor.
3.36.2
Daarbij zij nog bedacht dat het hof in rov. 3.21 en 3.22 niet redeneert vanuit “de enkele omstandigheid dat de franchise overeenkomst op enig moment is beëindigd door opzegging”.
Iets anders is dat het hof in rov. 3.21, tweede alinea ook oog heeft voor de in rov. 3.19 samengevatte gang van zaken rond de opzegging door MKB B.V. (franchisegever), bij brief van 31 oktober 2005, van de bestaande franchiseovereenkomst met Mondial Keukens B.V. (franchisenemer met verzorgingsgebied Terneuzen) tegen 31 maart 2006. [46] Ik lees in rov. 3.21, tweede alinea overigens niet dat voor het hof honorering van dat door Euretco gedane beroep op art. 6:248 lid 2 BW Pro (mede) erop ‘hangt’ dat ook juridisch gezien die franchiserelatie door de opzegging precies per 1 april 2006 - dus niet eerder of later - is geëindigd. In die zin is die datum niet dragend of doorslaggevend voor dit oordeel (zoals het hof overigens ook bevestigt in rov. 2.32, laatste alinea van het eindarrest). [47] Onjuist of onbegrijpelijk acht ik dit een en ander niet, mede gezien de ruimte die art. 6:248 lid 2 BW Pro laat voor maatwerk en de overige onder 3.35.2 hiervoor aangeduide omstandigheden. Daaraan doet op zichzelf nog niet af dat die opzegging samenhing met een andere omstandigheid (kort gezegd: de betrokkenheid van [betrokkene 1] bij MasterClass), zoals wel vaker het geval is wanneer bij de toepassing van een bepaalde (open) norm de omstandigheden van het geval worden betrokken.
Iets anders is ook dat het hof in rov. 3.22 “het eindigen van die franchiserelatie per 1 april 2006” noemt als onderdeel van de meerzijdige achtergrond waartegen het daar voorliggende onrechtmatigheidsbetoog wordt verworpen. Dit oordeel sluit m.i. evenmin in dat voor het hof verwerping van dit betoog (mede) erop ‘hangt’ dat ook juridisch gezien die franchiserelatie door de opzegging precies per 1 april 2006 - dus niet eerder of later - is geëindigd. In die zin is die datum evenmin dragend of doorslaggevend voor dit oordeel (zoals het hof overigens ook bevestigt in rov. 2.32, laatste alinea). [48] Onjuist of onbegrijpelijk acht ik dit evenmin, mede gezien de ruimte die de betamelijkheidsnorm van art. 6:162 lid 2 BW Pro laat voor maatwerk en de overige onderdelen van die achtergrond, waarover mede onder 3.35.4 hiervoor. Daaraan doet op zichzelf evenmin af dat die opzegging samenhing met een andere omstandigheid (kort gezegd: de betrokkenheid van [betrokkene 1] bij MasterClass), waarover hiervoor.
3.36.3
Daarbij zij verder nog bedacht dat subonderdeel 2.2.2, waarop de klacht deels anticipeert, (eveneens) vastloopt. Zie onder 3.51-3.58.1 hierna.
3.36.4
Overigens en tot slot: de klacht voert ook niet aan welke omstandigheden het hof dan verder nog in zijn beoordeling zou hebben moeten betrekken.
3.37
Tot slot
klacht c.
3.37.1
Deze tapt uit een ander vaatje, maar sneeft niettemin. In de bijzin in rov. 3.22 van het tussenarrest die [eiseres] hier op de korrel heeft, wordt door het hof een en ander “daargelaten”. [49] Het gaat hier dus niet om een overweging die het hof aan een oordeel ten grondslag legt. De bijzin onttrekt zich als zodanig derhalve aan cassatietoetsing. Zou er al een overweging ten overvloede in worden gelezen, dan mist de klacht belang: wat het hof overigens overweegt in rov. 3.22 is zelfstandig dragend voor ’s hofs verwerping van het voorliggende onrechtmatigheidsbetoog van [eiseres] en wordt in cassatie niet of zonder vrucht bestreden. Overigens lees ik in rov. 3.22 niet dat het hof oordeelt of impliceert dat voor het
kunnen aansprekenvan Euretco uit hoofde van onrechtmatige daad door Mondial Keukens B.V.
vereist isdat Euretco op dit onrechtmatige handelen zou zijn gewezen voordat [eiseres] zich in hoger beroep als lasthebber van Mondial Keukens B.V. heeft gepresenteerd. [50] De klacht mist dus ook feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het tussenarrest.
3.38
Subonderdeel 2.1.13bevat meerdere klachten. Ik vat samen.
a. Het hof heeft in rov. 3.18-3.19 en 3.21-3.22 van het tussenarrest miskend dat MasterClass alleen zag op de inkoop van meubels en daarmee niet (zonder meer) begrijpelijk is waarom de betrokkenheid van [betrokkene 1] bij deze organisatie meebrengt dat ook het maken van aanspraak op de twee in art. 5.5 van de koopovereenkomst genoemde verzorgingsgebieden voor de verkoop van keukens naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
b. In dat verband is van belang dat het hof in rov. 3.18-3.22, mede gelet op wat in de subonderdelen 2.1.9 en 2.1.10 is betoogd, ten onrechte niet heeft onderzocht of de opzegging van het bestaande verzorgingsgebied van Mondial Keukens B.V. voor keukens in Terneuzen wegens de betrokkenheid van [betrokkene 1] bij MasterClass rechtens toelaatbaar was. Dat geldt in het bijzonder nu Euretco blijkens rov. 3.20 ter rechtvaardiging van die opzegging heeft aangevoerd dat door de betrokkenheid van [betrokkene 1] bij MasterClass concurrentiegevoelige gegevens niet vertrouwelijk blijven. Nu Mondial Keukens B.V. handelde in keukens waren bij haar immers in beginsel geen concurrentiegevoelige gegevens over de inkoop van meubels bekend, althans valt in ieder geval niet zonder meer in te zien waarom dat anders zou zijn. In het verlengde daarvan valt niet (zonder meer) in te zien waarom Euretco, naar zij blijkens rov. 3.20 heeft aangevoerd, door die betrokkenheid zodanig in haar belangen wordt geschaad dat onmiddellijke opzegging gerechtvaardigd was.
c. Althans heeft het hof in rov. 3.18-3.22 miskend dat de in dat art. 5.5 genoemde verzorgingsgebieden zouden moeten worden gegund aan een derde (Mondial Keukens B.V.) waarvoor het hof niet heeft vastgesteld dat de verhoudingen met Euretco ernstig waren verstoord.
d. Het hof heeft daarom onvoldoende inzicht geboden in zijn gedachtegang waarom de betrokkenheid van [betrokkene 1] bij een inkooporganisatie voor de inkoop van meubels (MasterClass) meebrengt dat het ook voor de twee in dat art. 5.5 genoemde verzorgingsgebieden voor de verkoop van keukens naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Mondial Keukens B.V. daarop aanspraak heeft gemaakt en thans schadevergoeding vordert voor de door de weigering die te gunnen, misgelopen winst.
Behandeling
3.39
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.4
Onder 3.40.1-3.40.6 hierna stel ik eerst het een en ander voorop. Onder 3.41-3.41.4 hierna keer ik terug naar het subonderdeel.
3.40.1
Uit rov. 3.21 van het tussenarrest volgt dat naar ’s hofs oordeel Euretco onder de gegeven omstandigheden met recht heeft aangenomen dat het beroep van Mondial Keukens B.V. (althans [eiseres] als lasthebber) op het derdenbeding in art. 5.5 van de koopovereenkomst uiterlijk vanaf 1 april 2006 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid als onaanvaardbaar moet worden beschouwd (art. 6:248 lid 2 BW Pro). Vast staat, als gezegd, dat Mondial Keukens B.V. een dochtervennootschap van [eiseres] is (althans destijds was). Zie onder 2.4 hiervoor.
3.40.2
Daarbij kent het hof ook betekenis toe aan “de houding van [betrokkene 1] ” (die dus gelieerd is aan [eiseres] ), in het bijzonder dat Euretco door diens overstap naar MasterClass concurrentie is aangedaan:
“Contractspartijen dienen zich (…) overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid te gedragen. Het in een bestaande contractuele rechtsverhouding opzetten van een concurrerende franchiseorganisatie is daarmee in strijd.”
En onderkent het hof, gezien ook rov. 3.14-3.19, dat het door [eiseres] gestelde beroep op het derdenbeding in dat art. 5.5 zou zijn gedaan in juni 2006. Dus eerst nádat [betrokkene 1] al met de oprichting van MasterClass gestart was, eind 2004/begin 2005. Zie ook onder 3.35.2 hiervoor.
3.40.3
Hoewel het hof in het tussenarrest niet met zo veel woorden ingaat op de vraag waarmee MasterClass zich bezighield, volgt reeds uit rov. 3.13 - waarvan de inhoud doorwerkt in rov. 3.20-3.22 - dat het hof van oordeel is dat het bij MasterClass (waarbij [betrokkene 1] betrokkenheid had) gaat om een met Euretco concurrerende organisatie, en wel van meet af aan. Daarmee honoreert het hof het betoog van Euretco ter zake, [51] dat onder meer de stellingen omvat dat IMG-leden zouden worden verleid om over te stappen naar MasterClass en dat de betrokkenheid van [betrokkene 1] bij MasterClass geheim moest blijven. [52] IMG hield zich destijds bezig met meubels, en via MKB B.V. (waarvan zij 20%-aandeelhouder was) met keukens. Euretco, vanaf 12 november 2004 grootaandeelhouder van MKB B.V. (voor 80%, met IMG als 20%-medeaandeelhouder), faciliteerde destijds het betalingsverkeer van MKB B.V. en haar franchisenemers op dezelfde wijze als zij dit al langer deed voor de leden van IMG. Zie onder 1.2-1.8 hiervoor.
3.40.4
Daarbij zij bedacht dat het hof in rov. 2.30 van het eindarrest de stelling van [eiseres] dat MasterClass geen concurrent was van Superkeukens of Euretco aanmerkt als “nieuw” en oordeelt dat [eiseres] deze nieuwe stellingname al eerder kunnen aanvoeren, zodat alleen dit al in de weg staat aan terugkomen van de gegeven eindbeslissing in het tussenarrest. Ik wijs ook op rov. 2.35, waar staat:
“De stelling die [eiseres] thans inneemt dat het hier uitsluitend om meubels zou gaan en niet over keukens is niet eerder door haar ingenomen en bovendien in tegenspraak met de reeds in eerste aanleg door Euretco overgelegde persberichten.”
Dit duidt erop dat het hof al in het tussenarrest acht slaat op die persberichten. Daaruit dus opmakend dat het toen bij MasterClass niet uitsluitend ging om meubels, want ook om keukens.
3.40.5
Welnu, die persberichten waarop het hof daar doelt - de bijlagen die al zijn overgelegd als productie 9 bij Euretco’s conclusie van antwoord, waarnaar zij in nr. 32 van die conclusie heeft verwezen - zijn nog wel interessant. [53] Zo wordt in een aantal daarvan - uit oktober 2005 - erop gewezen dat MasterClass gaat samenwerken met de Duitse VME (Vereinigte Möbeleinkaufs-GmbH & Co): een grote Duitse inkooporganisatie wier administratieve diensten, waaronder het centrale betalingssysteem, MasterClass ook kan gaan gebruiken. En zo wordt in een andere daarin opgenomen publicatie - uit maart 2006 - onder meer vermeld dat MasterClass probeert in een hoog tempo meubel-, slaap- en keukencollecties op de markt in Nederland te brengen en dat, jawel, onder andere een keukenformule “nog in het vat zit”. Ik citeer (
spoiler: “keuken” komt daarin zes keer voor, in evenzoveel varianten):
“Het samenwerkingsverband MasterClass probeert in een hoog tempo een aantal meubel-, slaap- en
keukencollectiesop de markt in Nederland te brengen. (…)
Wat er nog in het vat zit, zijn een
keukenformule(…). Voor de formules zijn nog geen definitieve namen vastgesteld. Wat niet wil zeggen dat de markt ten aanzien van deze formules een afwachtende houding aanneemt. Voor het opnemen van
MasterClass Keuken, zoals de werktitel luidt, zijn volgens de organisatie reeds vijftien aanvragen ontvangen. MC laat volgende maand, in april, in drie pilotstores zien hoe de organisatie haar
keukensziet. Bedoeling is om de aanvragen nog dit jaar te honoreren. Plan is om ook in 2007 aan woninginrichters gekoppelde vijftien
MasterClass Keukenwinkelste presenteren. MasterClass wil daarnaast ook
keukenspeciaalzakengaan openen. De ontwikkeling van dit onderdeel van het aanbod verloopt in nauwe samenwerking met de Duitse inkooppartner VME.” [onderstrepingen toegevoegd, A-G]
Overigens bevat deze laatste publicatie ook een foto van “[d]e commissarissen van Masterclass”, onder wie - afgaande op het onderschrift: tweede van rechts - [betrokkene 1] . Ik heb niet kunnen aantreffen, en het hof vermeldt daarover ook niets in het tussenarrest of het eindarrest, dat de juistheid van de betreffende passages door [eiseres] is weersproken. In de cassatiestukken zie ik daarvan evenmin iets terug.
3.40.6
Het betoog van [eiseres] in nr. 3.24 (p. 24) van haar schriftelijke toelichting [54] dat Euretco niet de stelling heeft ingenomen dat, kort gezegd, MasterClass zich “ook zou toeleggen op” (ik begrijp: ook zou bezighouden met) keukens snijdt geen hout. Het hof mocht wel degelijk acht slaan op de inhoud van de persberichten en daaraan ook zonder expliciete stelling van Euretco ondersteunende feiten ontlenen, mits - gelet op art. 24 Rv Pro - binnen de grenzen van die door Euretco aangevoerde feitelijke grondslag dat MasterClass (waarbij [betrokkene 1] betrokkenheid had) een met Euretco concurrerende organisatie was. Dat het hof dat mocht, volgt uit art. 149 lid 1 Rv Pro (dat onder andere toelaat dat de rechter aan zijn beslissing ten grondslag legt “feiten (…) die in het geding aan hem ter kennis zijn gekomen”). [55] Euretco heeft die persberichten immers ook niet ‘zo maar’ overgelegd, maar kenbaar in het kader van haar stelling dat MasterClass (waarbij [betrokkene 1] betrokkenheid had) een met Euretco concurrerende organisatie was. Daarvan kon het hof uitgaan, gelijk het doet. Het ligt allemaal nogal voor de hand.
3.41
Ik keer terug naar het subonderdeel.
3.41.1
Klacht astuit af op 3.40.1-3.40.6 hiervoor. Daaruit volgt mede dat het hof al in het tussenarrest ervan uitgaat - geenszins onbegrijpelijk - dat het destijds bij MasterClass niet uitsluitend ging om meubels, want ook om keukens. En dat Mondial Keukens B.V. een dochtervennootschap is (althans destijds was) van [eiseres] , waaraan [betrokkene 1] dus gelieerd is.
3.41.2
Klacht cstuit ook af op 3.40.1-3.40.6 hiervoor. Daaruit volgt onder meer dat het hof reeds in het tussenarrest ervan uitgaat - geenszins onbegrijpelijk - dat het beroep van Mondial Keukens B.V. (althans [eiseres] als lasthebber) op het derdenbeding in art. 5.5 van de koopovereenkomst en het beroep van Euretco op art. 6:248 lid 2 BW Pro in dat verband niet los te zien zijn van de overstap van [betrokkene 1] naar MasterClass, een met Euretco concurrerende organisatie. Zie voorts onder 3.41.1 hiervoor. Kortom: Mondial Keukens B.V. is ter zake niet een willekeurige derde, maar gelieerd aan [eiseres] / [betrokkene 1] . Voor zover de klacht ook ziet op rov. 3.22 van het tussenarrest, geldt dat wat het hof daar betrekt aan achtergrond waartegen het daar voorliggende onrechtmatigheidsbetoog wordt verworpen, bezien moet worden in het licht ook van rov. 3.21 en die verwerping kan dragen. Zie ook onder 3.35.4 hiervoor.
3.41.3
Klacht dstrandt in het voetspoor van klacht a en c. Zie onder 3.41.1-3.41.2 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.41.4
Tot slot
klacht b. Voor zover deze voortbouwt op klacht a, die dus faalt, deelt de klacht in het lot daarvan. Zie onder 3.41.1 hiervoor. Voor het overige loopt de klacht reeds erop vast dat deze niet wijst op enige stellingname in feitelijke instanties, laat staan met vindplaats, die het hof noopte in (rov. 3.18-3.22 van) het tussenarrest te onderzoeken “of de opzegging van het bestaande verzorgingsgebied van Mondial Keukens B.V. voor keukens in Terneuzen” wel “rechtens toelaatbaar was”. [56] Wat dus iets anders is dan het in rov. 3.21 behandelde beroep van Euretco op art. 6:248 lid 2 BW Pro en het in rov. 3.22 behandelde onrechtmatigheidsbetoog van [eiseres] .
3.42
Subonderdeel 2.1.14klaagt dat de subonderdelen 2.1.7 en 2.1.9 t/m 2.1.13 bij gegrondbevinding van een of meerdere ervan ook vitiëren ’s hofs beslissingen in rov. 2.35-2.36 [57] van het eindarrest.
Behandeling
3.43
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.43.1
Het subonderdeel bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de subonderdelen 2.1.7 en 2.1.9 t/m 2.1.13, die alle falen. Zie onder 3.23-3.24.3 en 3.27-3.41.4 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.44
Daarmee is gegeven dat onderdeel 2.1 faalt.
Onderdeel 2.2(“Relevantie datum beëindiging franchiserelatie en berusting daarin”)
3.45
Onderdeel 2.2 bestaat uit de subonderdelen 2.2.1 t/m 2.2.3. Daarmee klaagt [eiseres] over in wezen dezelfde overwegingen die in onderdeel 2.1 aan de orde waren en over hetgeen het hof in dat verband in het eindarrest nog heeft overwogen. Hier gaat het over het belang dat het hof al dan niet zou hebben gehecht aan het gegeven dat Mondial Keukens B.V.
vanaf 1 april 2006geen franchisenemer meer was van MKB B.V.
3.46
Subonderdeel 2.2.1- zie p. 19-22 van de procesinleiding, die ik comprimeer - klaagt kennelijk vanuit drie invalshoeken over de bewuste datum van 1 april 2006.
a. Het is in het licht van rov. 3.19-3.22 van het tussenarrest rechtens onjuist althans onbegrijpelijk dat het hof in rov. 2.32 van het eindarrest heeft overwogen dat de stelling van [eiseres] dat Mondial Keukens B.V. pas met ingang van 1 januari 2007 geen franchisenemer meer was, geen reden is terug te komen van zijn eerdere oordeel in het tussenarrest over vordering 3 nu deze datum van 1 april 2006 niet dragend is voor zijn beslissing.
b. Althans zijn rov. 3.20-3.22 onbegrijpelijk als de datum van beëindiging van de franchiserelatie van 1 april 2006 niet dragend was voor ‘s hofs beslissing.
c. Op zo’n twee/derde van het subonderdeel wordt in een separaat, ingesprongen tekstblok
en passantnog opgemerkt: “Weliswaar heeft het hof in rov. 3.19 van zijn tussenarrest vastgesteld dat MKB B.V. Mondial Keukens B.V. niet meer als franchisenemer wilde, maar gelet op hetgeen in de onderdelen 2.1.7-2.1.11 is betoogd, heeft het hof er niet, althans niet zonder meer, vanuit kunnen gaan dat die weigering rechtmatig was.”
Behandeling
3.47
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.48
Te beginnen met
klacht a.
3.48.1
Deze loopt reeds vast op een gebrek aan belang.
3.48.2
In rov. 2.32, laatste alinea van het eindarrest, waartegen de klacht is gekant, overweegt het hof:
“Ook de volgens [eiseres] onjuiste vaststelling dat Mondial Keukens B.V. met ingang van 1 april 2006 geen franchisenemer meer was van MKB B.V. maar eerst per 1 januari 2007, is geen aanleiding om terug te komen op het oordeel over vordering 3.
Nog daargelaten dat ook deze datum niet dragend dan wel doorslaggevend is voor het oordeel van het hof,
betreft het bovendien een stelling die [eiseres] al eerder had kunnen aanvoeren.” [cursivering en onderstreping toegevoegd, A-G]
3.48.3
Voor ’s hofs verwerping van die stelling van [eiseres] is de onder 3.48.2 hiervoor
onderstreepteoverweging in rov. 2.32, laatste alinea zelfstandig dragend, erop neerkomend dat die stelling van [eiseres] tardief is want fonkelnieuw (deze stelling had door haar eerder aangevoerd kunnen worden, maar is dat niet). Deze overweging wordt door de klacht niet betrokken, laat staan bestreden. Voor zover dit laatste wel aan de orde is elders in de vele klachten van [eiseres] , geldt dat - zoals uiteengezet elders in deze conclusie - ook die klachten schipbreuk lijden.
3.49
Dan
klacht b.
3.49.1
Deze loopt erop vast dat rov. 3.20-3.22 van het tussenarrest niet (alsnog) onbegrijpelijk worden door de onder 3.48.2 hiervoor
gecursiveerdeoverweging in rov. 2.32, laatste alinea van het eindarrest. Hetzelfde geldt overigens voor rov. 3.19 van het tussenarrest.
3.49.2
Vooropgesteld: met die
gecursiveerdeoverweging doelt het hof m.i. in het bijzonder op de honorering in rov. 3.21 van het door Euretco gedane beroep op art. 6:248 lid 2 BW Pro en op de verwerping in rov. 3.22 van het door [eiseres] gevoerde onrechtmatigheidsbetoog. Daar komt het hof immers tot het eigenlijke oordeel over vordering 3 (voor zover nog voorliggend na cassatie en verwijzing), zoals ook blijkt uit ’s hofs overwegingen in rov. 3.21, laatste zin en 3.22, laatste zin over het niet toelaten van [eiseres] tot nadere bewijslevering.
3.49.3
In rov. 3.19 geeft het hof een samenvatting van de gang van zaken rond de opzegging door MKB B.V. (franchisegever), bij brief van 31 oktober 2005, van de bestaande franchiseovereenkomst met Mondial Keukens B.V. (franchisenemer met verzorgingsgebied Terneuzen) tegen 31 maart 2006. [58] Het is mij - gezien ook 3.49.2 hiervoor - een raadsel hoe die
gecursiveerdeoverweging daaraan zou kunnen afdoen, in termen van begrijpelijkheid. De klacht legt ook niet uit waarom dit anders zou zijn.
3.49.4
In rov. 3.20 wijst het hof erop dat Euretco in nr. 31 van haar conclusie van antwoord heeft verwezen naar een brief van 29 september 2005 (productie 8), vat het hof die brief samen, wijst het hof op een brief van Mondial Keukens B.V. van 4 mei 2006 (productie 23), en vat het hof ook die brief samen. Het is mij - gezien ook 3.49.2 hiervoor - eveneens een raadsel hoe die
gecursiveerdeoverweging daaraan zou kunnen afdoen, in termen van begrijpelijkheid. De klacht legt evenmin uit waarom dit anders zou zijn.
3.49.5
Dan resteren rov. 3.21-3.22. Daarop ben ik al uitgebreid ingegaan onder 3.35-3.36.4 hiervoor. Naar daaruit volgt, worden rov. 3.21-3.22 niet (alsnog) onbegrijpelijk door die
gecursiveerdeoverweging. Dit doet logischerwijs ook opgeld voor - de klacht noemt dit nog - de verwijzing in rov. 3.21, eerste alinea naar het geëindigd zijn van de franchiserelatie per 1 april 2006. Bovendien houdt die verwijzing verband met de daar bedoelde vraag van het hof, die ik al duidde onder 3.35.2, laatste gedachtestreepje hiervoor. Waarbij het hof ook andere aspecten betrekt dan dat geëindigd zijn van de franchiserelatie per die datum.
3.5
Tot slot
klacht c.
3.50.1
Deze strandt in het voetspoor van subonderdeel 2.1.13 sub b, dat faalt. Zie specifiek onder 3.41.4 hiervoor. Kort en goed: de klacht loopt reeds erop vast dat deze niet wijst op enige stellingname in feitelijke instanties, laat staan met vindplaats, die het hof noopte in (rov. 3.18-3.22 van) het tussenarrest te onderzoeken of de in rov. 3.19 bedoelde “weigering” door MKB B.V. van Mondial Keukens B.V. als franchisenemer wel “rechtmatig was”. [59] Wat dus iets anders is dan het in rov. 3.21 behandelde beroep van Euretco op art. 6:248 lid 2 BW Pro en het in rov. 3.22 behandelde onrechtmatigheidsbetoog van [eiseres] .
3.51
Subonderdeel 2.2.2bevat een fiks aantal klachten. Ik vat samen.
a. Het hof heeft in rov. 3.20 van het tussenarrest en in rov. 2.32 van het eindarrest onderkend dat Mondial Keukens B.V. nadat MKB B.V. vanwege protest van Mondial Keukens B.V. bij brief van 2 november 2005 had geweigerd de opzegging ongedaan te maken haar protest tegen de opzegging heeft herhaald, maar geen juridische stappen meer zijn ondernomen tegen die opzegging. Het hof heeft daaruit echter in rov. 3.21-3.22 rechtens onjuist althans op onbegrijpelijke wijze afgeleid dat [eiseres] (als lasthebber van Mondial Keukens B.V.) berustte in de opzegging in die zin dat zij ook afzag van een schadevergoedingsvordering jegens Euretco wegens het ten onrechte niet toekennen van de nieuwe verzorgingsgebieden (door MKB B.V.) aan Mondial Keukens B.V.
b. Bovendien heeft Euretco zich niet beroepen op berusting door [eiseres] of Mondial Keukens B.V. in de opzegging. Integendeel: Euretco heeft juist aangevoerd dat [betrokkene 1] hiertegen bezwaar heeft gemaakt. Het hof heeft derhalve ten onrechte het verweer van Euretco aangevuld door ook relevant te achten dat [eiseres] (of Mondial Keukens B.V.) in de opzegging heeft berust. [60]
c. Als de beslissing van het hof zo moet worden begrepen dat vanwege de door hem genoemde berusting sprake is van rechtsverwerking, is die beslissing rechtens onjuist althans onbegrijpelijk. Mondial Keukens B.V. heeft immers - naar het hof in rov. 3.19-3.20 heeft onderkend - tegen die opzegging geprotesteerd bij brieven van 2 november 2005 en 4 mei 2006, zodat voor Euretco in beginsel voldoende duidelijk was dat Mondial Keukens B.V. ook na de opzegging niet berustte in de opzegging van het verzorgingsgebied Terneuzen en eens te minder dat dit daarom ook het geval was ten aanzien van de twee in art. 5.5 van de koopovereenkomst bedoelde verzorgingsgebieden, althans op schadevergoeding wegens het niet toekennen daarvan. In ieder geval heeft het hof geen inzicht geboden in zijn gedachtegang waarom dat anders is.
d. Heeft het hof het vorenstaande niet miskend, maar beslist dat vanwege en na de beëindiging van de bestaande franchiserelatie (voor het verzorgingsgebied Terneuzen) ook de twee door Mondial Keukens B.V. geclaimde verzorgingsgebieden niet meer aan Mondial Keukens B.V. zouden kunnen of in redelijkheid behoeven te worden gegund of de franchiseovereenkomst (ook) ten aanzien van die twee gebieden direct na gunning daarvan weer zou zijn opgezegd, ongeacht op welk moment de franchiserelatie ter zake van het verzorgingsgebied Terneuzen zou zijn geëindigd, en die opzegging rechtmatig zou zijn geweest, althans Mondial Keukens B.V. daarin zou hebben berust, dan heeft het hof het verweer van Euretco ten onrechte aangevuld. Euretco heeft zich daarop niet beroepen.
e. Althans is rechtens onjuist dat, althans onbegrijpelijk waarom, zelfs als de franchiserelatie ten aanzien van het verzorgingsgebied Terneuzen op enig moment zou zijn geëindigd, ten aanzien van de twee verzorgingsgebieden als bedoeld in dat art. 5.5 geen nieuwe franchiseovereenkomsten tot stand zouden kunnen komen. Althans heeft het hof dan op onbegrijpelijke wijze beslist “dat Mondial Keukens B.V., gelet op de omstandigheid dat zij naar zojuist is uiteengezet tegen de opzegging van het verzorgingsgebied Terneuzen heeft geprotesteerd en zij wegens de niet toekenning van de twee verzorgingsgebieden als bedoeld in [dat art. 5.5] deze procedure voert, in die opzegging direct na gunning van deze twee verzorgingsgebieden zou hebben berust.”
f. Indien rov. 2.32 zo moet worden begrepen dat het verwijderen van de borden ‘Superkeukens’ van de gevel van Mondial Keukens B.V. wel dragend is voor ‘s hofs beslissing, ongeacht op welk tijdstip dit plaatsvond, dan is die beslissing rechtens onjuist althans onbegrijpelijk. Naar hiervoor is uiteengezet, brengt de enkele omstandigheid dat Mondial Keukens B.V. op enig moment heeft nagelaten verdere (juridische) maatregelen te nemen tegen de beëindiging van het verzorgingsgebied Terneuzen niet (zonder meer) mee dat zij ook in het niet gunnen van de twee in dat art. 5.5 genoemde verzorgingsgebieden heeft berust, althans heeft afgezien van een aanspraak op schadevergoeding wegens de niet-gunning daarvan, zoals deze procedure ook laat zien.
Behandeling
3.52
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.53
Te beginnen met
klacht a.
3.53.1
Deze strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het tussenarrest en het eindarrest. Anders dan de klacht veronderstelt, gaat het hof immers nergens ervan uit - ook niet in rov. 3.21-3.22 van het tussenarrest - dat [eiseres] (als lasthebber van Mondial Keukens B.V.) heeft berust in de opzegging in die zin dat ook is afgezien van een schadevergoedingsvordering jegens Euretco wegens het ten onrechte niet toekennen van de nieuwe verzorgingsgebieden (door MKB B.V.) aan Mondial Keukens B.V., dus op basis van het derdenbeding in art. 5.5 van de koopovereenkomst. De enige berusting waarvan het hof daar uitgaat, is de in rov. 3.19 en 3.21, eerste alinea bedoelde berusting van Mondial Keukens B.V. in de opzegging door MKB B.V. (franchisegever), bij brief van 31 oktober 2005, van de bestaande franchiseovereenkomst met Mondial Keukens B.V. (franchisenemer met verzorgingsgebied Terneuzen) tegen 31 maart 2006. Dit is iets anders.
3.54
Dan
klacht b.
3.54.1
De klacht is ambigu geformuleerd. [61] Deze strandt in het voetspoor van klacht a, voor zover de klacht dezelfde onjuiste veronderstelling hanteert. Zie onder 3.53-3.53.1 hiervoor. Kort en goed: in werkelijkheid is geen sprake van de dan door de klacht veronderstelde aanvulling door het hof van het verweer van Euretco, door ook relevant te achten dat [eiseres] (of Mondial Keukens B.V.) heeft berust in de opzegging in genoemde zin. Voor zover de klacht het oog heeft op de opzegging door MKB B.V. bij brief van 31 oktober 2005 als zodanig (zie onder 3.53.1 hiervoor aan het slot), in welk verband het hof dus uitgaat van berusting door Mondial Keukens B.V., loopt de klacht erop stuk dat het hof hiervoor ruimschoots basis kon vinden in het processuele debat. Illustratief is het proces-verbaal van de comparitie van partijen bij het hof van 10 februari 2021. Daaruit blijkt - het hof wijst daarop ook in rov. 2.32, eerste alinea van het eindarrest - dat het hof hierover uitvoerig met partijen heeft gesproken en dat daarbij zijdens [eiseres] is toegelicht dat er wel is geprotesteerd tegen die opzegging door MKB B.V. als zodanig, [62] maar er niet juridisch tegen deze opzegging is opgekomen. [63] En dit laatste is wat het hof bedoelt in rov. 3.19 en 3.21, eerste alinea met die berusting van Mondial Keukens B.V.
3.55
Dan
klacht c.
3.55.1
Deze strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het tussenarrest en het eindarrest. Anders dan de klacht veronderstelt, gaat het hof immers nergens ervan uit dat vanwege de door hem genoemde berusting sprake is van “rechtsverwerking”. ’s Hofs tussenarrest en eindarrest staan niet in de sleutel van dit te onderscheiden leerstuk. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.56
Dan
klacht d.
3.56.1
Deze strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het tussenarrest en het eindarrest. Anders dan de klacht veronderstelt, beslist het hof immers nergens dat “vanwege en na” [64] de daarin bedoelde beëindiging van de bestaande franchiserelatie ook de twee door Mondial Keukens B.V. geclaimde verzorgingsgebieden “niet meer aan haar zouden kunnen of in redelijkheid behoeven te worden gegund”, of “de franchiseovereenkomst (ook) ten aanzien van die twee gebieden direct na gunning daarvan weer zou zijn opgezegd” (laat staan “ongeacht”, etc.). Van de door de klacht veronderstelde “ten onrechte” aanvulling door het hof van Euretco’s verweer is derhalve evenmin sprake. Dit behoeft evenmin verdere toelichting.
3.57
Dan
klacht e.
3.57.1
Deze strandt wat betreft de eerste “Althans” op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het tussenarrest en het eindarrest. Anders dan de klacht daar veronderstelt, oordeelt het hof immers nergens dat “zelfs als” de franchiserelatie ten aanzien van het verzorgingsgebied Terneuzen op enig moment zou zijn geëindigd, ten aanzien van de twee verzorgingsgebieden als bedoeld in art. 5.5 van de koopovereenkomst “geen nieuwe franchiseovereenkomsten tot stand zouden kunnen komen”. Wat betreft de tweede “Althans” strandt de klacht, voor zover al begrijpelijk, in het voetspoor van klacht a t/m d. Zie onder 3.53-3.56.1 hiervoor. Kort en goed: het hof beslist nergens dat Mondial Keukens B.V. “in die opzegging direct na gunning van deze twee verzorgingsgebieden heeft berust.” Dit behoeft evenmin verdere toelichting.
3.58
Tot slot
klacht f.
3.58.1
Deze strandt wat betreft de eerste zin (“Indien de beslissing van het hof”, etc.) reeds op het niet voldoen aan de eisen van art. 407 lid Pro 2, aanhef en sub d Rv, voor zover deze eerste zin zelfstandig moet worden bezien. De klacht zet dan immers niet uiteen waarom ’s hofs veronderstelde oordeel in rov. 2.32 van het eindarrest dat de klacht bestrijdt, rechtens onjuist althans onbegrijpelijk zou zijn. Is bedoeld dat het antwoord op die waarom-vraag wordt gegeven in het vervolg van de klacht (“Naar hiervoor is uiteengezet”, etc.), en daarop lijkt het, dan strandt de klacht - het is een repeterend euvel in het middel - op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het tussenarrest en het eindarrest. Het hof gaat immers nergens ervan uit dat Mondial Keukens B.V. (ook) heeft berust in het niet gunnen van de twee in art. 5.5 van de koopovereenkomst genoemde verzorgingsgebieden, althans heeft afgezien van een aanspraak op schadevergoeding wegens de niet-gunning daarvan.
3.59
Subonderdeel 2.2.3gooit het over een andere boeg. Ik vat samen.
a. Indien in cassatie als uitgangspunt geldt dat rov. 3.21 van het tussenarrest (dat Euretco het derdenbeding in art. 5.5 van de koopovereenkomst uiterlijk vanaf 1 april 2006 niet langer gestand hoefde te doen) rechtens juist en niet onbegrijpelijk is, valt in het licht van rov. 2.36 van het eindarrest niet (zonder meer) in te zien waarom de door [eiseres] ten overstaan van “Euretco ( [betrokkene 2] )” en “MKB B.V. ( [betrokkene 3] )” op 22 september 2005 namens Mondial Keukens B.V. geuite wens tot toewijzing van de twee verzorgingsgebieden niet relevant zou zijn voor de beantwoording van de vraag of de wens tot toewijzing van die gebieden wel tijdig en voor Euretco voldoende kenbaar is geuit en tot honorering van het derdenbeding door Euretco had moeten leiden. Daarvan uitgaande had het hof moeten onderzoeken of de twee in dat art. 5.5 genoemde verzorgingsgebieden aan Mondial Keukens B.V. hadden moeten worden toegewezen naar aanleiding van de op 22 september 2005 volgens [eiseres] geuite wens. In ieder geval had het hof dan, gelet op zijn overwegingen in rov. 3.21 omtrent de relevantie van de beëindiging van de bestaande franchiserelatie tussen MKB B.V. en Mondial Keukens B.V. per 1 april 2006, meer inzicht moeten bieden in zijn gedachtegang waarom het uiten van evenbedoelde wens op 22 september 2005 niet tijdig was nu die wens ruim vóór 1 april 2006 kenbaar was gemaakt.
b. Indien rov. 2.36 aldus moet worden begrepen dat de datum van 1 april 2006 de uiterste datum was waarop Euretco het derdenbeding niet meer gestand hoefde te doen en dat ook al gold op 22 september 2005, is die beslissing evenzeer onbegrijpelijk. Niet (zonder meer) valt dan immers in te zien waarop het hof die beslissing heeft gebaseerd, nu het hof gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat de bestaande franchiserelatie tussen MKB B.V. en Mondial Keukens B.V. per 1 april 2006 is beëindigd en die relatie dus nog niet was geëindigd op 22 september 2005.
Behandeling
3.6
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.61
Te beginnen met
klacht a.
3.61.1
Deze ziet voorbij aan hetgeen het hof vooropstelt in rov. 3.14-3.16 van het tussenarrest, waarover (ook) het subonderdeel niet klaagt. Ik licht dit toe.
3.61.2
In rov. 3.14 wijst het hof op oordelen in feitelijke instanties voor cassatie en verwijzing, in het bijzonder op rov. 3.20 van het arrest van 4 april 2017 van het Bossche hof. In rov. 3.15 wijst het hof op het oordeel van de Hoge Raad naar aanleiding van die rov. 3.20. [65] In rov. 3.15, laatste zin overweegt het hof dat het met inachtneming van het voorgaande oordeel van de Hoge Raad - dus als samengevat in rov. 3.15 - de derde incidentele grief van [eiseres] verder zal beoordelen. Met als slotsom, in rov. 3.22, laatste zin, dat deze grief ook faalt.
3.61.3
Daarmee is duidelijk wat er, blijkens rov. 3.14-3.15, volgens het hof na cassatie en verwijzing nog ter beoordeling voorlag aan stellingen en bewijsaanbod van [eiseres] bij vordering 3 inzake enige geuite wens tot toewijzing aan Mondial Keukens B.V. van twee verzorgingsgebieden op de voet van art. 5.5 van de koopovereenkomst. Te weten: de in rov. 3.15, tweede alinea bedoelde “stellingen van [eiseres] over, samengevat, een bespreking op 14 juni 2006 en een faxbericht van 30 juni 2006, en het daarmee verband houdende bewijsaanbod.” [66]
3.61.4
Daarop slaat ook rov. 3.16 terug:
“Zoals vermeld onder 3.15 heeft [eiseres] bewijs aangeboden van haar stelling dat zij voldoende duidelijk aan Euretco haar wens heeft kenbaar gemaakt dat zij Mondial Keukens B.V. als derde had aangewezen om een franchiseovereenkomst met MKB B.V. aan te gaan voor de verzorgingsgebieden Roosendaal en Bergen op Zoom. Volgens [eiseres] heeft Euretco, in de persoon van [betrokkene 2] , deze aan haar kenbaar gemaakte wens niet gehonoreerd, waardoor zij in strijd heeft gehandeld met artikel 5.5 van de koopovereenkomst in die zin dat zij het daarin opgenomen derdenbeding tegenover Mondial Keukens B.V. niet gestand heeft gedaan. Dit levert grond voor een vordering van Mondial Keukens B.V. (althans [eiseres] als lasthebber) op basis van onrechtmatig handelen jegens Euretco, aldus [eiseres] .”
3.61.5
Na een verwerping in rov. 3.17 van Euretco’s meest verstrekkende verweer als tardief geeft het hof daar een (ultra)korte duiding van Euretco’s verdere verweer en vervolgt het in rov. 3.18-3.22 met de beoordeling ter zake. Zoals blijkt uit die beoordeling komt het hof niet toe aan het door [eiseres] aangeboden bewijs inzake wat is voorgevallen tijdens de bespreking op 14 juni 2006 en het uitblijven van een reactie door Euretco op het faxbericht van 30 juni 2006, in het bijzonder wegens ’s hofs honorering van Euretco’s beroep op art. 6:248 lid 2 BW Pro (rov. 3.21) en verwerping van [eiseres] onrechtmatigheidsbetoog (rov. 3.22).
3.61.6
Bij deze stand van zaken valt heel wel in te zien dat het hof in het tussenarrest en het eindarrest niet onderzoekt, en evenmin hoefde te onderzoeken, of de twee in dat art. 5.5 genoemde verzorgingsgebieden aan Mondial Keukens B.V. hadden moeten worden toegewezen naar aanleiding van de op 22 september 2005 volgens [eiseres] geuite wens waarop de klacht doelt. Na cassatie en verwijzing mist die volgens [eiseres] geuite wens, wat daarvan verder zij, dan eenvoudigweg relevantie. Daaraan doet niet af wat het hof overweegt in rov. 2.36 van het eindarrest, want daarmee sluit het hof juist weer aan bij rov. 3.14-3.22 van het tussenarrest. Gelet op het voorgaande hoefde het hof evenmin meer inzicht te bieden in zijn gedachtegang waarom die op 22 september 2005 volgens [eiseres] geuite wens niet tijdig was, gelet op rov. 3.21 en de daarin genoemde datum van 1 april 2006.
3.62
Tot slot
klacht b.
3.62.1
Deze strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het tussenarrest en het eindarrest. Anders dan de klacht veronderstelt, oordeelt het hof immers nergens - evenmin in rov. 2.36 van het eindarrest - dat “de datum van 1 april 2006 de uiterste datum was waarop Euretco het derdenbeding niet meer gestand hoefde te doen en dat ook al gold op 22 september 2005.”
3.63
Daarmee is gegeven dat onderdeel 2.2 faalt.
Onderdeel 2.3(“Gang van zaken rondom beëindiging franchiseformule ‘Superkeukens’”)
3.64
Onderdeel 2.3 bestaat uit de subonderdelen 2.3.1 t/m 2.3.3. Daarmee valt [eiseres] (voornamelijk) rov. 2.312.35 van het eindarrest aan, waarin het hof ingaat op de vraag of het mag en moet terugkomen van verschillende eindbeslissingen in het tussenarrest.
3.65
Subonderdeel 2.3.1kent een niet glasheldere opbouw met een reeks aan klachten, die niet allemaal even goed lopen. Ik vat samen.
a. Het - in rov. 2.30 en 2.35 van het eindarrest onderkende - beroep van [eiseres] op de omstandigheid dat MasterClass enkel zag op de inkoop van meubelen is door het hof op onbegrijpelijke wijze verworpen. De betrokkenheid van [betrokkene 1] bij (de oprichting van) een met IMG concurrerende inkooporganisatie (MasterClass) mag wellicht hebben bijgedragen aan verdere verstoring van de verhouding tussen [betrokkene 1] en IMG, maar die (verdere) verstoring was niet zonder meer relevant voor het toekennen van twee nieuwe verzorgingsgebieden voor keukens aan Mondial Keukens B.V., omdat de keuken- en meubelbranche los van elkaar staan.
b. Overigens heeft het hof in dat verband ten onrechte althans op onbegrijpelijke wijze overwogen dat [eiseres] eerder naar voren had kunnen brengen dat MasterClass (alleen) betrekking had op de inkoop van meubelen en/of ter zake (ontoelaatbare) nieuwe stellingen zijn ingenomen. Eerder in deze procedure heeft immers tussen partijen geen debat plaatsgevonden over de vraag op de inkoop waarvan MasterClass zag. Bovendien heeft het hof in rov. 2 sub (i) van het tussenarrest vastgesteld dat IMG, waarmee MasterClass mogelijk zou concurreren, zich ten behoeve van haar leden bezig hield met de gezamenlijke inkoop van meubels. En had [eiseres] daarvoor al aangevoerd dat IMG zich alleen bezighield met de inkoop van meubels voor haar meubelleden.
c. Euretco heeft ook niet aangevoerd dat MasterClass mede zag op de inkoop van keukens, zodat het hof in rov. 2.35 ten onrechte het verweer van Euretco heeft aangevuld onder verwijzing naar door Euretco overgelegde persberichten.
d. Het vorenstaande vitieert bij gegrondbevinding ook rov. 3.13 van het tussenarrest.
e. Bovendien heeft [eiseres] aangevoerd dat Euretco niet concurreerde met MasterClass en zelfs met Euretco is gesproken over het regelen van de centrale betaling voor MasterClass. Ook heeft [eiseres] zich er op beroepen dat de franchisenemers geen lid hoefden te zijn van IMG om te kunnen deelnemen aan Euretco’s organisatie in verband met de centrale betaling. Nu het hof dat essentiële verweer onbesproken heeft gelaten, is eens te meer onbegrijpelijk dat het de betrokkenheid van [betrokkene 1] bij MasterClass relevant heeft geacht bij de beantwoording van de vraag of van Euretco in redelijkheid gevergd kon worden dat de twee in art. 5.5 van de koopovereenkomst genoemde verzorgingsgebieden zouden worden gegund aan Mondial Keukens B.V. Op dezelfde grond is ook rov. 3.13 onbegrijpelijk. [67]
f. Het vorenstaande brengt mee dat rov. 2.30 (in verband met de commissarisvergoeding) evenzeer onbegrijpelijk is.
Behandeling
3.66
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.67
Te beginnen met
klacht a t/m d.
3.67.1
Deze stranden in het voetspoor van subonderdeel 2.1.13, dat faalt. Zie onder 3.38-3.41.4 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.68
Dan
klacht e.
3.68.1
De stelling “dat Euretco niet concurreerde met MasterClass” is geen essentieel verweer ter zake dat het hof niet (zonder nadere motivering) mocht passeren. Zo’n enkele stelling is daarvoor te algemeen. Bovendien verwijst de klacht daarbij naar (vindplaatsen in) de memorie na enquête, tevens houdende het verzoek terug te komen van bindende eindbeslissingen zijdens [eiseres] , welke memorie dateert van ná het tussenarrest. En tref ik in de betreffende vindplaatsen (nrs. 6.4-6.5, 6.10, 7.2, 7.5) geen verwijzingen aan naar relevante stellingen van [eiseres] in feitelijke instanties voorafgaand aan het tussenarrest. Zie in dit verband voorts onder 3.67-3.67.1 hiervoor. Hierop stuit ook af de verwijzing in de klacht naar de stelling dat “zelfs met Euretco is gesproken over het regelen van de centrale betaling voor MasterClass”. Het is mij niet duidelijk wat [eiseres] bedoelt met de - verder niet toegelichte - opmerking dat zij zich erop heeft beroepen dat de franchisenemers geen lid hoefden te zijn van IMG om te kunnen deelnemen aan de organisatie van Euretco in verband met de centrale betaling. [68] Zij verwijst daarbij naar haar pleitnotities voor de comparitie van partijen bij het hof van 10 februari 2021, sub h. Maar ook op basis daarvan, voor zover al te volgen, begrijp ik niet wat [eiseres] bedoelt. Daar staat dat franchisenemers van MKB B.V. geen leden hoefden te zijn van IMG, dat het lidmaatschap van Euretco voor de franchisenemers nodig was om mee te doen aan de centrale betaling en dat dit lidmaatschap geen exclusief karakter had. Waarom het hof dit niet had mogen passeren in het kader van de beoordeling of MasterClass een met Euretco concurrerende organisatie betrof, want dat is waarover het hier gaat, komt niet aan het licht. [69] Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de klacht. [70]
3.69
Tot slot
klacht f.
3.69.1
Deze bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van klacht a t/m e, die alle falen. Zie onder 3.67-3.68.1 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.7
Subonderdeel 2.3.2valt onder meer verspreide oordelen in het eindarrest aan met een lap tekst (op p. 26-28 van de procesinleiding) met weer een reeks klachten. Ik vat samen.
a. Het hof heeft in rov. 2.33 ten onrechte overwogen dat [eiseres] (als lasthebber van Mondial Keukens B.V.) in verband met de gang van zaken rond de beëindiging van de franchiseformule ‘Superkeukens’ een beroep heeft gedaan op twee brieven van 31 oktober 2005, die [eiseres] echter eerder in het geding had moeten brengen. Evenzeer onbegrijpelijk is ’s hofs beslissing aldaar dat Euretco “daaromtrent” stellingen heeft ingenomen in de processtukken voor cassatie en verwijzing. Het processuele debat tussen partijen voor cassatie en verwijzing in het kader van de franchiseovereenkomst had geen betrekking op de vraag wat er precies is gebeurd rondom (het moment van) de beëindiging van de deelname van Mondial Keukens B.V. aan de franchiseformule ‘Superkeukens’ ten aanzien van het verzorgingsgebied Terneuzen en of het daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was dat Euretco aan het derdenbeding in art. 5.5 van de koopovereenkomst werd gehouden.
b. In zoverre is ook rov. 2.25 rechtens onjuist indien het hof daar anders heeft geoordeeld.
c. Ook de door het hof in rov. 2.26 en 2.32 genoemde omstandigheid dat [eiseres] kon verwachten dat het hof vragen zou gaan stellen over de commissarisvergoeding en in verband met de franchisevordering maakt dat niet anders. Het hof kon er gelet op het vorenstaande evenmin in rov. 2.31 (rechtens) van uitgaan dat het debat hierover voldoende was gevoerd.
d. Het vorenstaande brengt ook mee dat rov. 2.32 rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is. Nu het moment van opzegging pas relevant werd vanwege de beslissing van het hof in het tussenarrest, terwijl daarover voor dat moment geen debat tussen partijen had plaatsgevonden, kon van [eiseres] niet worden verwacht dat zij haar stellingen omtrent de datum van beëindiging eerder had aangevoerd.
e. Althans brengt het vorenstaande mee dat in rov. 3.21-3.22 van het tussenarrest sprake is van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing.
f. In het verlengde daarvan heeft het hof miskend dat Euretco “de gang van zaken voorafgaande aan de beëindiging (per 1 januari 2007)” van de franchiseovereenkomst tussen MKB B.V. en Mondial Keukens B.V. ook nergens in de processtukken heeft uiteengezet, laat staan uitvoerig. [71]
g. Tot slot: “Bovendien heeft het hof miskend dat nu de verstoorde verhoudingen in het kader van de niet nakoming van het derdenbeding in artikel 5.5 van de koopovereenkomst ter zake van de franchisevergoeding en de gang van zaken rondom de beëindiging van de franchiserelatie met Mondial Keukens B.V. voor verwijzing nog geen onderdeel van het debat tussen partijen waren. Daarom kon [ [eiseres] , A-G] (als lasthebber van Mondial Keukens B.V.) ook na verwijzing nog stellingen aanvoeren die daarop zagen als verweer tegen die eerst na verwijzing door Euretco opgebrachte punt, en in het bijzonder ook na het tussenarrest van het hof, gelet op de omstandigheid dat het hof daarin in rov. 3.21 en 3.22 betekenis heeft toegekend aan de gang van zaken rondom de beëindiging van de franchiseovereenkomst. Het hof had dus nog, anders dan het in rov. 2.34 van zijn eindarrest heeft beslist, moeten beslissen op het verweer van [ [eiseres] ] in verband met de opzegging en beëindiging van de franchiserelatie met Mondial Keukens B.V.”
Behandeling
3.71
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.72
Te beginnen met
klacht a.
3.72.1
Deze strandt in de eerste plaats omdat het hof in rov. 2.33 van het eindarrest, anders dan de klacht veronderstelt, niet oordeelt dat [eiseres] die brieven eerder in het geding had moeten brengen. Het hof respondeert juist op het verwijt van [eiseres] aan Euretco dat Euretco uit overwegingen van processtrategie ervoor zou hebben gekozen deze brieven niet in het geding te brengen. En constateert dan dat [eiseres] echter niet toelicht waarom zij deze brieven (die aan haar of aan haar verbonden vennootschappen waren gericht) dan niet zelf heeft overgelegd in deze procedure, die dan al ruim 11 jaar duurt. Het hof oordeelt daar niet dat [eiseres] die brieven zelf eerder in het geding had moeten brengen, laat staan dat het hof gevolgen verbindt aan het feit dat [eiseres] dat niet heeft gedaan.
3.72.2
De klacht strandt ook voor het overige, nu Euretco in haar conclusie van antwoord wel degelijk stellingen heeft betrokken over de in rov. 3.19 van het tussenarrest bedoelde beëindiging van de franchiseovereenkomst tussen MKB B.V. en Mondial Keukens B.V. en de gang van zaken in die periode, zoals bedoeld door het hof in het vervolg van rov. 2.33 (“Evenmin is juist de stelling van [eiseres] dat”, etc.). Illustratief zijn reeds de nrs. 31-36 en 117-123 van die conclusie, waaraan de klacht (die enkel wijst op dit nr. 31) voorbijziet. [72] Kort en goed: zo de klacht hier al uitgaat van een juiste lezing van het eindarrest, en in zoverre dus wel feitelijke grondslag heeft, loopt deze erop vast dat die uitleg door het hof van het procesdossier geenszins onbegrijpelijk is.
3.73
Dan
klacht b t/m e.
3.73.1
Deze stranden - voor zover ze al voldoen aan de eisen van art. 407 lid Pro 2, aanhef en sub d Rv - in het voetspoor van klacht a, die dus faalt. Zie onder 3.72-3.72.2 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.74
Dan
klacht f.
3.74.1
Deze strandt in het voetspoor van klacht a t/m e, die dus falen. Zie onder 3.72-3.73.1 hiervoor. Daarbij zij opgemerkt dat het hof in rov. 2.33 van het eindarrest niet redeneert vanuit enige uitzetting door Euretco inzake “de gang van zaken voorafgaande aan de beëindiging (per 1 januari 2007)” van de franchiseovereenkomst tussen MKB B.V. en Mondial Keukens B.V. Iets anders is ‘s hofs onderkenning dat Euretco, mede in nr. 31 van de conclusie van antwoord, heeft uiteengezet - samengevat - dat haars inziens betrokkenheid van [betrokkene 1] bij een concurrerende organisatie zich niet verdraagt met betrokkenheid bij Euretco en haar leveranciers.
3.75
Tot slot
klacht g.
3.75.1
Deze strandt in het voetspoor van klacht a t/m f, die dus falen. Zie onder 3.72-3.74.1 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.76
Subonderdeel 2.3.3klaagt dat rov. 2.34 van het eindarrest rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is. Anders dan het hof heeft “beslist”, is geen sprake van napleiten of herhaling of precisering van hoe eerder ingenomen stellingen moeten worden geïnterpreteerd. Daarop volgt een toelichting die hierna aan bod komt, voor zover nodig.
Behandeling
3.77
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.77.1
De context van het subonderdeel bestaat uit bezwaren van [eiseres] tegen (in beginsel bindende) eindbeslissingen van het hof in het tussenarrest. In rov. 2.24 van het eindarrest geeft het hof een samenvatting van die bezwaren, Euretco’s betwisting en ’s hofs oordeel. In rov. 2.25 formuleert het hof het juridische kader ter zake. [73] Dit is in cassatie niet bestreden.
3.77.2
In de toelichting wordt opgemerkt dat [eiseres] vanwege rov. 3.21-3.22 van het tussenarrest “stellingen” heeft ingenomen over de wijze waarop de beëindiging van de franchiserelatie met Mondial Keukens B.V. heeft plaatsgevonden (door middel van een non-verlengingsverklaring), alsmede wat en wanneer in dit kader is gebeurd. In de toelichting wordt ook opgemerkt dat, anders dan het hof heeft aangenomen in rov. 2.34 van het eindarrest, [eiseres] “daarin” tevens heeft uiteengezet: [74]
“waarom het hof (i) niet kon uitgaan van een datum van beëindiging van die franchiserelatie per 1 april 2006, alsmede (ii) dat die beëindiging was gebaseerd op aan [betrokkene 1] gemaakte verwijten waarvan op dat moment niet vaststond dat die juist waren omdat dit in een arbitrageprocedure nog moest worden vastgesteld en (iii) omdat die grond onjuist was omdat geen risico bestond op schending van bedrijfsvertrouwelijke keukeninformatie nu MasterClass zich wilde gaan toeleggen op de inkoop van meubels.”
3.77.3
Volgens de toelichting had het hof “die stellingen” [75] in zijn beoordeling moeten betrekken. Dit “mede omdat die stellingen konden meebrengen” dat rov. 3.21-3.22 “mogelijk onjuist was” als MasterClass geen met Euretco concurrerende organisatie was “en dus, anders dan het hof rov. 2.34 heeft beslist, [betrokkene 1] dus ook heeft uiteengezet waarom reden bestond om terug te komen op de eerdere beslissing” in het tussenarrest. Hier ziet het subonderdeel vooreerst eraan voorbij dat het hof “die stellingen”, gezien ook de daarbij door de klacht vermelde vindplaatsen, [76] wel degelijk in zijn beoordeling betrekt: in het bijzonder in rov. 2.33 van het eindarrest. [77] Dat de daartegen gerichte klachten falen, volgt in het bijzonder uit 3.70-3.75.1 hiervoor. ’s Hofs vooropstelling in rov. 2.24 dekt al af wat het subonderdeel hier verder nog noemt aan vindplaatsen. [78] Bovendien ziet het subonderdeel eraan voorbij dat het hof in rov. 2.34 geenszins aanneemt of beslist dat [eiseres] níet, met “die stellingen”, heeft uiteengezet waarom reden bestond terug te komen van de eerdere beslissing in het tussenarrest. Kortom, in zoverre strandt het subonderdeel reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindarrest. Overigens valt ook niet in te zien - mede gelet op 3.77.1 hiervoor - dat wat het hof overweegt in rov. 2.34 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, een onbegrijpelijke uitleg van het procesdossier of een ontoereikend gemotiveerd oordeel.
3.77.4
Het vervolg van het subonderdeel baat [eiseres] evenmin. Voor zover daarin wordt uitgegaan van de situatie dat MasterClass “geen met Euretco concurrerende organisatie was”, loopt het subonderdeel erop vast dat deze situatie volgens het hof in het tussenarrest en het eindarrest dus juist niet aan de orde is en dit in cassatie niet (met vrucht) wordt bestreden. Voor zover daarin - in een separaat, ingesprongen tekstblok - nog wordt verondersteld dat het hof in rov. 3.21 als omstandigheid noemt “dat [betrokkene 1] na de opzegging per 1 april 2006 naar de concurrent is overgestapt”, strandt het subonderdeel op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het tussenarrest. Dit doet het hof daar immers niet, noch ten aanzien van [betrokkene 1] noch ten aanzien van [eiseres] . Voor zover de slotzin - in dit tekstblok, onder verwijzing naar de subonderdelen 2.1.8 en 2.1.9 - nog een zelfstandig bedoelde klacht zou bevatten, geldt dat deze hoe dan ook mislukt wegens het niet voldoen aan de eisen van art. 407 lid Pro 2, aanhef en sub d Rv. Overigens falen de subonderdelen 2.1.8 en 2.1.9 dus ook. Zie onder 3.25-3.28.1 hiervoor.
3.78
Daarmee is gegeven dat onderdeel 2.3 faalt.
Onderdeel 2.4(“Fatale termijn in verband met commissarisvergoeding”)
3.79
Onderdeel 2.4 bestaat uit de subonderdelen 2.4.1 t/m 2.4.3 en is gericht tegen rov. 2.28-2.29 van het eindarrest inzake vordering 2.
3.8
Subonderdeel 2.4.1klaagt dat onbegrijpelijk is ‘s hofs “beslissing” in rov. 2.28 van het eindarrest dat Euretco de stelling van [eiseres] dat de verplichting in de koopovereenkomst om [betrokkene 1] tot commissaris te benoemen een fatale termijn inhoudt (te weten 1 januari 2005), heeft weersproken. Nr. 91 van haar conclusie van antwoord bevat zo’n verweer niet, nu enkel is aangevoerd dat wordt betwist dat [eiseres] Euretco heeft gesommeerd [betrokkene 1] tot commissaris te benoemen.
Behandeling
3.81
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.81.1
Het subonderdeel kan reeds bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Wat het hof in rov. 3.13 van het tussenarrest oordeelt, zoals door [eiseres] vruchteloos bestreden in (voornamelijk) de subonderdelen 2.1.1 t/m 2.1.6, is zelfstandig dragend voor de afwijzing van vordering 2. Rov. 2.28 van het eindarrest kan daaraan niet afdoen.
3.81.2
Ook overigens slaagt het subonderdeel niet. In nr. 91 van haar conclusie weerspreekt Euretco wat [eiseres] heeft aangevoerd in nr. 3.11 van de inleidende dagvaarding. [79] Daarvan abstraheert het subonderdeel ten onrechte. Want het is in het licht van dat nr. 3.11 niet onbegrijpelijk dat het hof in dat nr. 91 leest dat Euretco de stelling van [eiseres] dat het om zo’n fatale termijn zou gaan, heeft weersproken.
3.82
Subonderdeel 2.4.2klaagt dat de “beslissing” van het hof in rov. 2.28 van het eindarrest dat de brief van 31 augustus 2005 geen aanknopingspunt biedt om aan te nemen dat sprake is van een fatale termijn en dat die is overschreden, rechtens onjuist is. Het hof heeft miskend dat bij de uitleg van de koopovereenkomst en beantwoording van de vraag of art. 5.4 een fatale termijn bevat, latere omstandigheden - zoals de brief van 31 augustus 2005 - weliswaar een rol kunnen spelen, maar het primair aankomt op wat partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst op basis van elkaars verklaringen en gedragingen over en weer redelijkerwijs mochten begrijpen. Nu [eiseres] klaarblijkelijk volgens het hof heeft gesteld dat een fatale termijn is beoogd en dit door Euretco, gelet op subonderdeel 2.4.1, niet is weersproken, had dit voor het hof uitgangspunt moeten zijn. Dat in een latere brief namens [eiseres] nog een termijn voor nakoming is genoemd, zoals het hof in rov. 2.28 heeft overwogen, maakt dat niet (zonder meer) anders. Het hof heeft kennelijk zelf uit de gedingstukken afgeleid dat daarom geen fatale termijn is beoogd. Daarmee heeft het Euretco’s verweer ten onrechte aangevuld en is het zijn taak op grond van art. 24 Rv Pro te buiten gegaan.
Behandeling
3.83
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.83.1
Het subonderdeel kan reeds bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Hier geldt overeenkomstig wat ik schreef onder 3.81.1 hiervoor.
3.83.2
Bovendien bouwt het subonderdeel voort op subonderdeel 2.4.1, dat faalt. Zie onder 3.80-3.81.2 hiervoor.
3.83.3
Overigens heeft Euretco in nrs. 92 en 98 van haar conclusie van antwoord ook gewezen op de brief van 31 augustus 2005 van (de advocaat van) [eiseres] en het daarin vervatte verzoek aan (de advocaat van) Euretco, waarop het hof doelt in rov. 2.28 van het eindarrest.
3.83.4
En kon het hof bij deze stand van het processuele debat, gelijk het doet in rov. 2.28, die brief betrekken en uiteenzetten dat deze niet strookt met de in deze procedure door [eiseres] betrokken stelling dat art. 5.4 van de koopovereenkomst een fatale termijn inhoudt (te weten 1 januari 2005). [80]
3.84
Subonderdeel 2.4.3klaagt dat de subonderdelen 2.4.1 en 2.4.2 bij gegrondbevinding van een of meerdere ervan ook vitiëren rov. 2.29 van het eindarrest.
Behandeling
3.85
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.85.1
Het subonderdeel bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de subonderdelen 2.4.1 en 2.4.2, die beide falen. Zie onder 3.80-3.83.4 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.86
Daarmee is gegeven dat onderdeel 2.4 faalt.
Onderdeel 2.5(“Datum betrokkenheid concurrerende organisatie Masterclass Meubel”)
3.87
Onderdeel 2.5 bestaat uit subonderdeel 2.5.1 en is gericht tegen rov. 3.13, 3.18 en 3.21-3.22 van het tussenarrest.
3.88
Subonderdeel 2.5.1klaagt dat indien het hof daar in het tussenarrest tot uitgangspunt heeft genomen dat [betrokkene 1] al voor 31 maart 2005 bij MasterClass betrokken is geraakt, zijn beslissing rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is. Euretco heeft immers als vroegste datum voor die betrokkenheid 31 maart 2005 genoemd. Het hof heeft in dat geval het verweer van Euretco ten onrechte aangevuld. Althans valt in het licht van deze stelling van Euretco niet (zonder meer) in te zien waarom het hof heeft beslist dat [betrokkene 1] al voor die datum bij MasterClass betrokken is geraakt. Het vorenstaande geldt te meer nu het hof in rov. 2.26 van het eindarrest heeft aangenomen dat het onderlinge wantrouwen eerst vanaf 2005 bestond.
Behandeling
3.89
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.89.1
Naar reeds volgt uit 3.15.1-3.15.2 en 3.15.5 hiervoor heeft Euretco, naar ’s hofs niet onbegrijpelijk oordeel in het tussenarrest en het eindarrest, niet 31 maart 2005 gemarkeerd als “het eerste moment (…) voor de betrokkenheid van [betrokkene 1] bij de inkooporganisatie (MasterClass)”. [81] Volgens Euretco, en die lijn volgt het hof dus, dateert die betrokkenheid al van daarvoor.
3.89.2
De verwijzing in het subonderdeel naar rov. 2.26 van het eindarrest biedt [eiseres] evenmin soelaas. Daar wordt niet door het hof “aangenomen” dat het onderlinge wantrouwen “eerst vanaf 2005 bestond”. Ten eerste staat zoiets daar niet. Ten tweede volgt al uit rov. 3.18 van het tussenarrest, waarvan het hof niet terugkomt in het eindarrest:
“Uit de stukken is gebleken, wat ook door partijen is bevestigd ter zitting bij het hof, dat de verhoudingen tussen partijen reeds in 2004 ernstig verstoord zijn geraakt.”
3.9
Daarmee is gegeven dat onderdeel 2.5 faalt.
Onderdeel 2.6(“Bewijslevering in het kader van de oprichtersfee”)
3.91
Onderdeel 2.6 bestaat uit de subonderdelen 2.6.1 t/m 2.6.4 en is gericht tegen rov. 3.7 van het tussenarrest alsook rov. 2.3-2.4, 2.9, 2.15-2.16 en 2.22-2.23 van het eindarrest. Subonderdeel 2.6.1 bevat geen klachten, enkel een inleiding.
3.92
Subonderdeel 2.6.2heeft betrekking op de wijze waarop het hof de bewijsopdracht van het Bossche hof heeft uitgelegd. ‘s Hofs overwegingen in rov. 3.7 van het tussenarrest en rov. 2.3-2.4, 2.16 en 2.22 van het eindarrest zijn rechtens onjuist althans onbegrijpelijk indien het hof heeft overwogen dat de bewijsopdracht aan [eiseres] , zoals die door het Bossche hof was geformuleerd, inhield dat [eiseres] diende te bewijzen dat betaling van de functievergoeding niet afhankelijk was van het voortbestaan van Mondial GmbH en van de ontvangst van een functievergoeding door Euretco van de bij Mondial GmbH aangesloten leveranciers. Het Bossche hof heeft immers ten bewijze opgedragen dat de functievergoeding van art. 5.3 van de koopovereenkomst niet alleen zag op de situatie zoals die bestond ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst in 2004, maar ook op de situatie zoals die was nadat Mondial GmbH was geliquideerd. Het Bossche hof heeft daarbij weliswaar - naar het hof in rov. 2.3 van het eindarrest ook heeft onderkend - tot (feitelijk) uitgangspunt genomen dat de functievergoeding ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst alleen van Mondial GmbH afkomstig was, en afhankelijk was van de ontvangst van een functievergoeding door Euretco van de bij Mondial GmbH aangesloten leveranciers, maar had dit niet als bewijsopdracht aan [eiseres] gegeven.
Behandeling
3.93
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.93.1
Vooropgesteld: de uitleg van de bewijsopdracht van het Bossche hof aan [eiseres] was aan het hof als feitenrechter en die uitleg kan in cassatie alleen op begrijpelijkheid worden getoetst.
3.93.2
Onder 2.7-2.8 hiervoor citeerde ik uit rov. 3.9.2 en het dictum van het tussenarrest van 4 april 2017 van het Bossche hof met betrekking tot de bewijsopdracht aan [eiseres] . Daarnaar verwijs ik kortheidshalve.
3.93.3
Rov. 3.7 van het tussenarrest eindigt met ’s hofs conclusie:
“dat, overeenkomstig het hof ’s-Hertogenbosch reeds heeft beslist, [eiseres] in de gelegenheid zal worden gesteld te bewijzen wat door dat hof onder 3.9.2 (zie onder 3.1) en het dictum van het arrest van 4 april 2017 is bepaald.”
3.93.4
In die rov. 3.1 herhaalt het hof al wat die bewijsopdracht van het Bossche hof aan [eiseres] inhoudt:
“Het hof 's-Hertogenbosch heeft met betrekking tot vordering 1) [eiseres] toegelaten te bewijzen dat artikel 5.3 van de koopovereenkomst zo dient te worden uitgelegd dat Euretco verplicht is om over de via haar (Euretco) lopende omzet van Superkeukens aan [eiseres] 0.5% te betalen van de inkoopwaarde, ongeacht of die keukens van Mondial GmbH of van andere leveranciers of fabrikanten worden afgenomen.”
3.93.5
In lijn daarmee staat in het dictum van het tussenarrest onder meer:
“Het hof, recht doende in hoger beroep na verwijzing:
(…)
laat [eiseres] toe te bewijzen dat artikel 5.3. van de koopovereenkomst zo dient te worden uitgelegd dat Euretco verplicht is om over de via haar (Euretco) lopende omzet van Superkeukens aan [betrokkene 1] 0.5% te betalen van de inkoopwaarde van de bewuste keukens, ongeacht of die keukens van Mondial [het hof bedoelt dus Mondial GmbH, A-G] of van andere leveranciers/fabrikanten worden afgenomen;”
3.93.6
Daarbij sluit het hof ook aan in rov. 2.3-2.4, 2.16 en 2.22 van het eindarrest, voor zover daarin die bewijsopdracht aan [eiseres] aan de orde komt.
3.93.7
Aan de aldus door het hof in het tussenarrest en het eindarrest gegeven uitleg van de bewijsopdracht van het Bossche hof aan [eiseres] is niets rechtens onjuist en/of onbegrijpelijk. Kort en goed: dit strookt met elkaar.
3.94
Subonderdeel 2.6.3klaagt dat indien het hof het in subonderdeel 2.6.2 betoogde niet heeft miskend, het hof in rov. 2.4 en 2.9 van het eindarrest heeft “miskend” dat “feitelijk onjuist is gebleken” het uitgangspunt van het Bossche hof dat de functievergoeding in de situatie ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst alleen afhankelijk was van de ontvangst van een functievergoeding door Euretco van de bij Mondial GmbH aangesloten leveranciers. Daarop volgt in het subonderdeel een toelichting. Wezenlijk daarvan is het betoog dat uit rov. 2.12 en de daar door het hof weergegeven verklaring van de getuigen [betrokkene 4] en [betrokkene 5] volgt dat “ook al voor de liquidatie van Mondial GmbH (en dus in de situatie ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst)” andere leveranciers/fabrikanten een functievergoeding betaalden
.Klaarblijkelijk zag genoemde functievergoeding volgens die getuigenverklaring ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst en de periode daarna ook op (0,5% van) deze door andere (Nederlandse) fabrikanten betaalde functievergoedingen. Daarom is rechtens onjuist althans onbegrijpelijk dat het hof desondanks in rov. 2.23 de gehele vordering van [eiseres] in verband met de functievergoeding heeft afgewezen. Het hof kon die conclusie niet (zonder meer) trekken, nu het Bossche hof zijn bewijsopdracht had gebaseerd op een - naar uit de bewijslevering door getuigen is gebleken - onjuist feitelijk uitgangspunt. [82]
Behandeling
3.95
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.95.1
Blijkens rov. 2.10 van het eindarrest onderkent het hof dat door [eiseres] onder meer het volgende is aangevoerd:
“Volgens [eiseres] blijkt ook uit de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] dat Euretco met alle Superkeukensfabrikanten/leveranciers, zowel Duitse als Nederlandse, contracten afsloot inzake de uitvoering van de CB. Ook zou uit deze verklaringen volgens [eiseres] volgen, dat de totstandkoming en voortzetting van de CB-contracten tussen Euretco en de leveranciers van Superkeukens niets van doen heeft met het feit dat de Duitse keukenleveranciers samenwerkten met de Duitse inkooporganisatie Mondial GmbH. Volgens [eiseres] zijn de CB-contracten met de Duitse keukenleveranciers gewoon van kracht gebleven sinds Euretco in het najaar van 2007 is gaan samenwerken met de Duitse inkoopvereniging EMV.”
3.95.2
Blijkens rov. 2.11 onderkent het hof dat dit een en ander door Euretco gemotiveerd is betwist:
“Euretco heeft de stellingen van [eiseres] gemotiveerd betwist. (…) Euretco benadrukt verder dat er geen voortzetting is geweest van overeenkomsten met Duitse leveranciers en dat de oprichtersfee van het begin af aan gekoppeld is geweest met de samenwerking met Mondial GmbH. Euretco stelt dat de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 1] juist zijn voor zover zij hebben verklaard dat enkele Nederlandse leveranciers ook na de liquidatie van Mondial GmbH een (vergelijkbare) functievergoeding betaalden. Die kwam evenwel aan MKB B.V. toe en niet aan Euretco.”
3.95.3
Blijkens rov. 2.13 gaat het hof voorbij aan deze stellingen van [eiseres] , kort gezegd omdat deze ondanks die betwisting door Euretco niet nader zijn onderbouwd en ook miskennen dat de getuigen (onder wie dus [betrokkene 4] en [betrokkene 5] ) hierover niet voldoende concreet hebben verklaard. Dit is, mede gezien ’s hofs weergave in rov. 2.12 van de getuigenverhoren (waaronder die van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] ), [83] onjuist noch onbegrijpelijk.
3.95.4
Aan dit een en ander ziet het subonderdeel voorbij. Daarmee valt reeds het doek. [84]
3.96
Subonderdeel 2.6.4klaagt dat het hof in rov. 2.15 van het eindarrest heeft overwogen dat het bij de functievergoeding ging om via Mondial GmbH in de markt gezette keukens, maar dat geen grondslag vindt in wat daarvoor door het hof is overwogen als het hof daarin een verdere beperking van art. 5.3 van de koopovereenkomst heeft gelezen dan tot fabrikanten die een functievergoeding betaalden (en dus een beperking tot alleen Mondial GmbH). Het hof heeft in dat geval geen inzicht geboden in zijn gedachtegang waarop die beperking is gebaseerd. Daarop volgt een toelichting, erop neerkomend dat zo’n beperking tot Mondial GmbH evenmin zou stroken met de (in rov. 2.15 vastgestelde) verwijzing in het besprekingsverslag van mr. De Groot naar een delcrederevergoeding van de fabrikanten aan Euretco, en met het betoog van [eiseres] dat Euretco’s verdienmodel was dat zij de facturen van leveranciers aangesloten bij de franchiseorganisatie centraal betaalde. Indien het hof zo’n beperking tot Mondial GmbH heeft gebaseerd op wat getuige [betrokkene 6] heeft verklaard (“te weten dat [betrokkene 1] oprichter is van Mondial”), dan is dat onbegrijpelijk omdat [betrokkene 6] met “Mondial” evident doelde op MKB B.V.
Behandeling
3.97
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.97.1
Het subonderdeel strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindarrest. Rov. 2.15 heeft onder de streep geen andere strekking dan dat ook hetgeen het hof daar behandelt, niet maakt dat [eiseres] is geslaagd in het bewijs dat de betaling van de oprichtersfee niet afhankelijk was van het voortbestaan van Mondial GmbH en van de ontvangst van een functievergoeding door Euretco van bij Mondial GmbH aangesloten leveranciers. Anders gezegd: de door het subonderdeel veronderstelde beperking van art. 5.3 van de koopovereenkomst tot alleen Mondial GmbH brengt het hof in werkelijkheid niet aan in rov. 2.15 (noch elders overigens).
3.97.2
Dit vindt ook bevestiging in rov. 2.23, waar het hof overweegt naar aanleiding van rov. 2.1-2.22 inzake vordering 1:
“De conclusie van het voorgaande is dat [eiseres] niet is geslaagd in het leveren van bewijs van de door haar voorgestane uitleg van artikel 5.3 van de koopovereenkomst. Dit betekent dat vordering 1 inzake de oprichtersfee van [eiseres] alsnog zal worden afgewezen.”
Wat aansluit op rov. 2.1, waar het hof ter zake onder meer vooropstelt:
“(…) Dit betekent dat het door het hof ’s-Hertogenbosch geformuleerde probandum in stand is gebleven. Het hof heeft dit probandum in het tussenarrest opnieuw weergegeven onder 4 en luidt:
Laat [eiseres] toe te bewijzen dat artikel 5.3. van de koopovereenkomst zo dient te worden uitgelegd dat Euretco verplicht is om over de via haar (Euretco) lopende omzet van Superkeukens aan [betrokkene 1] 0,5% te betalen van de inkoopwaarde van de bewuste keukens, ongeacht of die keukens van Mondial of van andere leveranciers/fabrikanten worden afgenomen.”
Wat weer aansluit op het tussenarrest, waarover onder 3.93.2-3.93.5 hiervoor.
3.98
Daarmee is gegeven dat onderdeel 2.6 faalt.
Onderdeel 2.7(“Restklacht”)
3.99
Onderdeel 2.7 bestaat uit de subonderdelen 2.7.1 en 2.7.2 en is gericht tegen rov. 2.37 en 3-4 van het eindarrest.
3.99.1
Subonderdeel 2.7.1klaagt dat de onderdelen 2.2, 2.3 en 2.6 bij gegrondbevinding van een of meerdere ervan ook vitiëren rov. 3.27.
3.99.2
Subonderdeel 2.7.2klaagt dat de onderdelen 2.1 t/m 2.6 bij gegrondbevinding van een of meerdere ervan ook vitiëren rov. 3-4.
Behandeling
3.100 De subonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling en falen, gelet op het volgende.
3.100 De subonderdelen bouwen voort op en delen daarmee in het lot van de onderdelen 2.1 t/m 2.6, die alle falen. Zie onder 3.3-3.98 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.100 Daarmee is gegeven dat ook onderdeel 2.7 faalt.
Slotsom
3.102 Het cassatieberoep van [eiseres] is derhalve vergeefs voorgesteld.
3.102 Ik geef toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro in overweging.

4.Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep

4.1
Euretco heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld van het tussenarrest en het eindarrest onder de voorwaarde dat één of meer van de door haar in het verweerschrift aangewezen klachten van het principale cassatieberoep slagen. Die voorwaarde is gelet op het voorgaande niet ingetreden, zodat het incidentele cassatieberoep van Euretco geen behandeling behoeft.

5.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie HR 16 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2112,
2.Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat na cassatie en verwijzing heeft geoordeeld, is in rov. 2 van het tussenarrest van 18 mei 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:4704) uitgegaan van de weergave van de feiten door de Hoge Raad in HR 16 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2112,
3.Zie A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2018:749) voor HR 16 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2112,
4.Zie HR 16 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2112,
5.Zie nr. 2.3 van haar nadere conclusie, tevens houdende vermindering van eis van 28 november 2012.
6.Zie Rb. Zeeland-West-Brabant 4 september 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:9519.
7.Dat Mondial Keukens B.V. een dochtervennootschap van [eiseres] is (althans destijds was), is al in eerste aanleg vastgesteld. Zie Rb. Zeeland-West-Brabant 3 oktober 2012, zaaknr. 235395 / HA ZA 11-883, rov. 3.1 sub u.
8.Zie Hof ’s-Hertogenbosch 4 april 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1463.
9.Zie Hof ’s-Hertogenbosch 4 april 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1463, rov. 3.113.22.
10.Zie Hof ’s-Hertogenbosch 16 mei 2017, zaaknr. 200.138.824/01, rov. 7-8.
11.Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 18 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4704, rov. 3.3.
12.Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 18 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4704.
13.Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 11 oktober 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8658.
14.De procesinleiding beslaat in totaal 33 pagina’s. Het middel vangt aan bovenaan p. 3.
15.Ik bedoel hier het “rechtens onjuist” aan het eind van p. 7 van de procesinleiding én de passage verderop op p. 8, waar ook een passage te vinden is met de strekking dat ’s hofs oordeel in rov. 3.13 rechtens onjuist is in het licht van hypothetisch vaststaande feiten en omstandigheden. Het gaat naar mijn begrip niet om afzonderlijke klachten; het tweede is een uitwerking van het eerste.
16.“Er is niet zoiets als een hypothetische juridische grondslag waarop eiser tot cassatie zich kan verlaten”, aldus A.E.H. van der Voort Maarschalk,
17.Het hof zou immers moeten vaststellen wat in de gegeven feiten en omstandigheden (mede gelet op art. 6:2 en Pro 6:248 BW) van Euretco kon worden verlangd, althans waarvan zij zich in die context moest onthouden, en deze norm moeten vergelijken met de sub (i) t/m (iii) hiervoor bedoelde stellingen. Zo’n oordeel is bij uitstek gemengd.
18.De Hoge Raad pleegt bij de cassatietoetsing niet zelf een gemengd oordeel te geven, zeker niet als het een oordeel betreft naar aanleiding van een betoog waarop de feitenrechter niet is ingegaan. Dat zal alleen denkbaar zijn in gevallen die zich, kort gezegd, laten karakteriseren als ‘1 + 1 = 2’. Zo’n geval is hier niet aan de orde. Zie over de grenzen van de cassatietoetsing in dit verband o.a. Van der Voort Maarschalk 2019, nrs. 76-78.
19.Te weten:
20.Zie ook het proces-verbaal van de comparitie van partijen bij het hof van 10 februari 2021, p. 9, waar de voorzitter van het hof erop wijst - kort gezegd - dat het gaat om de periode 2004-2005.
21.Zie o.a. haar conclusie van antwoord, nrs. 30, 32, 92, 106, 108, 112, 119 en antwoordmemorie na verwijzing, nrs. 12-27 (in het verlengde van, oftewel voortbouwend op, die eerdere stellingen). Daarin is onder meer te lezen - zie nrs. 21, 23, 25 - dat [betrokkene 1] “initiatiefnemer en mede-oprichter van MasterClass was” en “[k]ort na het aangaan van de koopovereenkomst (…) actief [werd] voor Masterclass” (“de loyaliteit van [betrokkene 1] [lag] begin 2005 niet meer bij IMG/MKB”). En - zie nr. 27 - dat “[v]anwege deze (kort) ná het sluiten van de koopovereenkomst opgekomen en aan [betrokkene 1] toerekenbare/verwijtbare omstandigheden, waarvan Euretco en IMG/MKB medio 2005 kennis kregen, van Euretco in redelijkheid niet [kon] worden verwacht om te bewerkstelligen dat [betrokkene 1] commissaris van MKB zou worden (…).” Daarbij heeft Euretco niet - laat staan ondubbelzinnig - aangevoerd, evenmin in eerste aanleg, dat die betrokkenheid van [betrokkene 1] eerst begon op 31 maart 2005 (toen een op de oprichting van MasterClass gerichte vergadering van betrokkenen plaatsvond, onder wie [betrokkene 1] ).
22.Zie ook de schriftelijke toelichting zijdens Euretco, nrs. 1.3.1-1.3.2, 2.1.8-2.1.11, 2.2.4, 2.2.21, 2.6.2-2.6.4.
23.Daarin wordt evenmin voorzien door de verwijzingen zijdens [eiseres] naar HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4907,
24.Zie noot 21 hiervoor.
25.Overigens lijkt [eiseres] in subonderdeel 2.1.9 die verstoorde verhoudingen en aan haar gemaakte verwijten als bedoeld door het hof te relateren aan “de discussie over de hoogte van de koopsom voor de (door IMG overgenomen) aandelen” en het door Euretco beschuldigen van [eiseres] “van het schenden van de balansgarantie” (en dientengevolge tekortschieten in de nakoming van de koopovereenkomst).
26.[eiseres] schrijft daarachter: “(MasterClass Meubel, waarbij een organisatie betrokken is waarmee voorheen werd deelgenomen (op basis van een (duur)overeenkomst) aan een samenwerkingsverband).”
27.Ten overvloede: op de voet van art. 2:250 lid 2 BW Pro dient de commissaris van een B.V. zich bij zijn taakvervulling te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Deze gedragsnorm was ook rechtens in 2004-2005. Zie verder o.a. HR 1 april 1949, ECLI:NL:HR:1949:126,
28.Zie bijv. ook HR 19 mei 1967, ECLI:NL:HR:1967:AC4745,
29.Zie o.a. A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2021:1194) voor HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:731,
30.Of anders gezegd: dat uitgangspunt is dat Euretco voor cassatie en verwijzing in dit verband geen beroep heeft gedaan op omstandigheden, althans niet heeft aangevoerd, dat het beroep op art. 5.5 van de koopovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
31.Het subonderdeel tekent daarbij aan dat het hof dit laatste in rov. 3.4 van het tussenarrest nog wel onderkent. In een separaat, ingesprongen tekstblok wordt nog vermeld: “Ook de door het hof in rov. 2.26 en 2.32 van zijn eindarrest genoemde omstandigheid dat [betrokkene 1] kon verwachten dat het hof vragen zou gaan stellen in verband met de franchisevordering, maakt dat niet anders. Anders dan het hof in rov. 2.31 van zijn eindarrest heeft overwogen, kon het er daarom (rechtens) ook niet van uit gaan dat het debat over dit verweer voldoende was gevoerd.”
32.Zie o.a. HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1781,
33.Zie o.a. Winters/Kingma 2024, art. 424 Rv Pro, aant. 1 sub d, 5; Asser Procesrecht/F.B. Bakels, A. Hammerstein & E.M. Wesseling-van Gent,
34.Zie o.a. Dempsey & Van der Voort Maarschalk 2019, nr. 402 en Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 2015, nr. 334.
35.Zoals door het wijzen op dwarsverbanden in de (vaststaande) feiten en omstandigheden.
36.Zie o.a. HR 1 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2185,
37.Zie ook noot 33 hiervoor. Indien dit niet zou worden toegelaten, zou dat procespartijen prikkelen alle (meer) subsidiaire, etc. grondslagen en verweren ten aanzien van alle geschilpunten zo vroeg en volledig mogelijk te onderbouwen (dat wil zeggen: voor een mogelijk cassabele (tussen)uitspraak). Dat is ongewenst, want ondoelmatig, en ook lastig verenigbaar met de begrenzing van de omvang van processtukken (althans in hoger beroep).
38.Zie ook Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 2022, nr. 261.
39.In nr. 30 van de conclusie van antwoord heeft Euretco betoogd dat zij destijds, in 2005, in verband met de samenwerking door [betrokkene 1] met MasterClass niet langer aan art. 5.4 van de koopovereenkomst (benoeming tot commissaris) kon worden gehouden. Dat betoog mocht het hof van invloed laten zijn op zijn uitleg van wat daarop onmiddellijk volgt in nrs. 31-33 en verderop in nr. 118 van die conclusie met betrekking tot art. 5.5 van de koopovereenkomst (franchiserechten), waar het óók gaat over die betrokkenheid van [betrokkene 1] bij MasterClass. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof daarin leest dat Euretco meende niet aan het derdenbeding in dat art. 5.5 te kunnen worden gehouden in verband met genoemde betrokkenheid. Het draait steeds om de vraag wat destijds van Euretco kon worden verlangd, zoals ook rov. 3.13 illustreert (inzake dat art. 5.4, waarbij het hof Euretco’s verweer ook begrijpt als een beroep op art. 6:248 lid 2 BW Pro).
40.Ik bedoel hier het “rechtens onjuist” halverwege p. 14 van de procesinleiding én de passage verderop aan het eind van p. 14, waar ook een passage te vinden is met de strekking dat ’s hofs oordeel in rov. 3.21 rechtens onjuist is in het licht van hypothetisch vaststaande feiten en omstandigheden. Het gaat naar mijn begrip niet om afzonderlijke klachten; het tweede is een uitwerking van het eerste.
41.Te weten:
42.[eiseres] schrijft daarachter: “(MasterClass Meubel, waarbij een organisatie betrokken is waarmee voorheen werd deelgenomen (op basis van een (duur)overeenkomst) aan een samenwerkingsverband).”
43.[eiseres] schrijft daarachter: “( [A] ( [plaats] ) B.V. is per 1 januari 2006 overgestapt van IMG naar MasterClass vanwege de in onderdeel 2.1.9 bedoelde opzegging van haar IMG-lidmaatschap per 20 juli 2005).”
44.In een separaat, ingesprongen tekstblok wordt nog vermeld: “In dat verband valt, gelet op hetgeen hierna in het kader van onderdeel 2.2.2 wordt betoogd, niet, althans niet zonder meer, in te zien waarom de enkele omstandigheid dat de franchise overeenkomst op enig moment is geëindigd door opzegging (naar [betrokkene 1] heeft gesteld en het hof in rov. 2.32 van zijn eindarrest in het midden heeft gelaten: op 1 januari 2007), een dergelijke andere omstandigheid kan zijn. Bovendien hing die opzegging, naar het hof in rov. 3.20 van zijn tussenarrest heeft onderkend, samen met de betrokkenheid van [betrokkene 1] bij een inkooporganisatie (Masterclass Meubel).”
45.Zie bijv. ook het proces-verbaal van de comparitie van partijen bij het hof van 10 februari 2021, p. 10, waaronder de vraag en opmerking van de voorzitter richting [betrokkene 1] : “Mijn vraag is: hoe stelde u het zich voor dat het [de door Mondial Keukens B.V. verzochte toewijzing aan haar van twee verzorgingsgebieden voor de franchiseformule ‘Superkeukens’, onder verwijzing naar art. 5.5 van de koopovereenkomst, A-G] zou kunnen gaan werken? Ik begrijp nu dat het een reactie was op de opzegging van Terneuzen [de in rov. 3.19 bedoelde opzegging door MKB B.V. bij brief van 31 oktober 2005].”
46.Met inbegrip van ’s hofs slotsom dat vaststaat dat Mondial Keukens B.V. ingaande 1 april 2006 geen franchisenemer meer was van MKB B.V. en dat MKB B.V. Mondial Keukens B.V. niet meer als franchisenemer wilde.
47.Ik citeer: “Ook de volgens [eiseres] onjuiste vaststelling dat Mondial Keukens B.V. met ingang van 1 april 2006 geen franchisenemer meer was van MKB B.V. maar eerst per 1 januari 2007, is geen aanleiding om terug te komen op het oordeel over vordering 3. Nog daargelaten dat ook deze datum niet dragend dan wel doorslaggevend is voor het oordeel van het hof, betreft het bovendien een stelling die [eiseres] al eerder had kunnen aanvoeren.” Zie voor die stelling van [eiseres] bijv. haar akte inzake art. 170 Rv Pro, tevens memorie houdende het verzoek terug te komen van bindende eindbeslissingen, nrs. 4.7, 6.14, waaronder: “Juridisch heeft te gelden dat deze franchiseverhouding per ultimo 2006 vanwege de (subsidiaire) non-verlenging tot een einde is gekomen waardoor Mondial Keukens per 1 januari 2007 geen franchisenemer Superkeukens was voor het verzorgingsgebied Terneuzen.”
48.Zie de vorige noot.
49.Ik citeer: “No[g] daargelaten dat niet uit de stukken is af te leiden dat [eiseres] namens Mondial Keukens B.V (of Mondial Keukens B.V. zelf) Euretco heeft gewezen op het onrechtmatig handelen door Euretco vanwege schending van het derdenbeding jegens Mondial Keukens B.V. ( [eiseres] heeft zich voor het eerst in het incidentele hoger beroep als lasthebber van Mondial Keukens B.V. gepresenteerd), (…).”
50.Wel zou de omstandigheid dat dat niet heeft plaatsgevonden een factor kunnen zijn die van belang is voor de beoordeling. Ik hoef daarover niet al te zeer uit te weiden, maar het doet er in deze zaak allicht toe
51.Zie o.a. haar conclusie van antwoord, nrs. 30-32, 106, 112, 118-119 en haar antwoordmemorie na verwijzing, nrs. 15-22. Zie ook noot 21 hiervoor.
52.Zie voor beide de antwoordmemorie na verwijzing zijdens Euretco, nr. 15.
53.Zie daarover ook de schriftelijke toelichting zijdens Euretco, nr. 2.2.33.
54.Zie ook nr. 3.4 van haar repliek, waar zonder verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties een en ander aan nieuws wordt aangevoerd. Dat moet m.i. buiten beschouwing blijven.
55.Zie o.a. HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5381,
56.De vage zinsnede “mede gelet op hetgeen in de onderdelen 2.1.9 en 2.1.10 is betoogd”, welke subonderdelen zijn vervat in p. 12-17 van de procesinleiding, is daartoe ontoereikend. Overigens lees ik in die subonderdelen ook niet over zo’n stelling, laat staan met vindplaats. Net zo min in de memorie na enquête, tevens houdende het verzoek terug te komen van bindende eindbeslissingen zijdens [eiseres] , nr. 4.4. Dit is de enige vindplaats die de klacht noemt, via een onduidelijke verwijzing (“Zie ook”, etc.) bij de opmerking dat nu Mondial Keukens B.V. handelde in keukens, bij haar in beginsel geen concurrentiegevoelige gegevens over de inkoop van meubels bekend waren. Op die vindplaats gaat het ook niet om de
57.Voor zover daarin is beslist dat [eiseres] ’s hofs oordeel in rov. 3.21-3.22 van het tussenarrest miskent.
58.Met inbegrip dus van ’s hofs slotsom dat vaststaat dat Mondial Keukens B.V. ingaande 1 april 2006 geen franchisenemer meer was van MKB B.V. en dat MKB B.V. Mondial Keukens B.V. niet meer als franchisenemer wilde.
59.De vage zinsnede “gelet op hetgeen in de onderdelen 2.1.7-2.1.11 is betoogd”, welke subonderdelen zijn vervat in p. 11-17 van de procesinleiding, is daartoe ontoereikend. Overigens lees ik in die subonderdelen ook niet over zo’n stelling, laat staan met vindplaats.
60.In een separaat, ingesprongen tekstblok wordt nog toegevoegd: “In dat verband moet bovendien worden bedacht dat [betrokkene 1] (als lasthebber van Mondial Keukens B.V.) geen schadevergoeding heeft gevorderd in verband met de opzegging van de franchiserelatie voor het verzorgingsgebied Terneuzen. Dat brengt echter niet, althans niet zonder meer, mee, dat zij (of Mondial Keukens B.V.) daarmee ook in het niet toekennen van de twee andere verzorgingsgebieden waarop Mondial Keukens B.V. op grond van artikel 5.5 van de koopovereenkomst aanspraak kon maken, heeft berust.”
61.Zie ook (i) de daar in noot 66 genoemde vindplaats (de conclusie van antwoord zijdens Euretco, nr. 33), waar staat dat [betrokkene 1] bij brief van 2 november 2005 bezwaar heeft gemaakt tegen de in rov. 3.19 van het tussenarrest bedoelde opzegging door MKB B.V. bij brief van 31 oktober 2005 als zodanig (zie onder 3.53.1 hiervoor aan het slot). En (ii) dat separate, ingesprongen tekstblok geciteerd onder 3.51 sub b hiervoor, waarin wordt benadrukt dat [eiseres] (als lasthebber van Mondial Keukens B.V.) niet ook heeft berust in het niet toekennen van de twee andere verzorgingsgebieden waarop Mondial Keukens B.V. op grond van art. 5.5 van de koopovereenkomst aanspraak kon maken.
62.Het hof onderkent dit ook blijkens rov. 3.19, tweede zin, 3.20, laatste zin en 3.21, eerste alinea.
63.Zie het proces-verbaal van de comparitie van partijen bij het hof van 10 februari 2021, p. 9-12, waaronder:
64.Zie ook het separate, ingesprongen tekstblok in de klacht. Daarin wordt benadrukt dat in het door het hof in rov. 2.33 van het eindarrest bedoelde verweer van Euretco geen “zelfstandig verweer” is te lezen dat “de omstandigheid dat de franchiserelatie (op 1 april 2016) was beëindigd”, dus deze enkele omstandigheid (los van “de betrokkenheid bij MasterClass Meubel van [betrokkene 1] ”), “er toe leidt dat van Euretco in redelijkheid niet gevergd kan worden dat zij de twee verzorgingsgebieden als bedoeld in artikel 5.5 van de koopovereenkomst aan Mondial Keukens B.V. toekent.” [zonder verwijzing in het origineel, A-G]
65.Het hof doelt in die rov. 3.15, tweede alinea op HR 16 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2112,
66.Dááraan heeft, aldus de Hoge Raad in ’s hofs samenvatting in rov. 3.15, tweede alinea, het Bossche hof niet zonder nadere motivering voorbij kunnen gaan. Immers, aldus het hof aldaar: “Uit die stellingen, zo overweegt de Hoge Raad, kan, indien de juistheid daarvan komt vast te staan, (…) volgen dat [eiseres] (alsnog) voldoende duidelijk haar wens aan Euretco heeft kenbaar gemaakt dat MKB B.V. een franchiseovereenkomst met Mondial Keukens B.V. zou aangaan.”
67.In een separaat, ingesprongen tekstblok wijst [eiseres] nog op het volgende: “Daarnaast was uit een eerdere tussen [betrokkene 1] en IMG gevoerde procedure leidend tot het arrest van uw Raad van 2016 duidelijk dat de deelname aan MasterClass betrekking had op de inkoop van meubelen en, naar in onderdeel 2.1.9 is uiteengezet, dat de discussie over de koopprijs ten onrechte werd gebruikt om opzegging door IMG te rechtvaardigen (waarvan achteraf ook is komen vast te staan dat Euretco die discussie ten onrechte had opgerakeld). Uw Raad oordeelde in die procedure dat het hof niet zonder meer tot de beslissing had kunnen komen dat IMG met inachtneming van een termijn van een halfjaar had kunnen opzeggen.”
68.Ik lees daarover evenmin iets in de schriftelijke toelichting zijdens [eiseres] of in haar repliek.
69.Zie ook de schriftelijke toelichting zijdens Euretco, nr. 2.4.16.
70.Dit wordt niet anders door het citaat in noot 67 hiervoor, waarbij ook zij bedacht dat subonderdeel 2.1.9 eveneens faalt. Zie onder 3.27-3.28.1 hiervoor.
71.De klacht bevat een samenvatting van de conclusie van antwoord zijdens Euretco, nr. 31 en productie 8 daarbij, zoals genoemd door het hof in rov. 2.33, voorlaatste zin. En een “overigens”-opmerking over het voldoen aan de daar door Euretco bedoelde voorwaarde.
72.Het hof heeft daar, in rov. 2.33, duidelijk niet alleen het oog op dit nr. 31: “Evenmin is juist de stelling van [eiseres] dat het oordeel van het hof is gebaseerd op stellingen die Euretco niet in de processtukken heeft ingenomen. Euretco heeft in de conclusie van antwoord stellingen betrokken over de beëindiging van de franchiseovereenkomst en over de gang van zaken in die periode. Onder meer in randnummer 31 van de conclusie van antwoord, onder verwijzing naar een brief van 29 september 2005, heeft Euretco uiteengezet - samengevat - dat haars inziens een betrokkenheid van [betrokkene 1] bij een concurrerende organisatie zich niet verdraagt met betrokkenheid bij Euretco en haar leveranciers. [eiseres] heeft derhalve alle gelegenheid gehad daarop te reageren.”
73.Zie over de achtergrond van dit een en ander o.a. W.D.H. Asser, ‘Binding van de rechter aan zijn eigen eindbeslissing’, in:
74.Met “daarin” is kennelijk bedoeld: “de memorie na enquête na verwijzing” zijdens [eiseres] , waarop het subonderdeel ook beroep doet voor genoemde “stellingen”. Het gaat om nrs. 4.4 en 6.2 van die memorie, te weten de akte inzake art. 170 Rv Pro, tevens memorie houdende het verzoek terug te komen van bindende eindbeslissingen zijdens [eiseres] .
75.Waarmee kennelijk wordt bedoeld: de onder 3.77.2 hiervoor bedoelde “stellingen” en uiteenzetting sub (i) t/m (iii).
76.Zie noot 74 hiervoor.
77.In de akte inzake art. 170 Rv Pro, tevens memorie houdende het verzoek terug te komen van bindende eindbeslissingen zijdens [eiseres] , nr. 4.4 draait het om de twee brieven van 31 oktober 2005. In nr. 6.2 van die akte/memorie draait het om de vraag wat Euretco in haar conclusie van antwoord heeft beschreven over het door [betrokkene 1] betrokken raken bij de oprichting van MasterClass, een met Euretco concurrerende organisatie.
78.Zie de akte inzake art. 170 Rv Pro, tevens memorie houdende het verzoek terug te komen van bindende eindbeslissingen zijdens [eiseres] , nrs. 6.11, 7.6.
79.Waaronder: “Ondanks mondelinge en schriftelijke sommatie heeft Euretco volhard bij haar weigering [betrokkene 1] , en daarmee indirect [betrokkene 1] , te benoemen tot commissaris van MKB voor een periode van tenminste vier jaar. De gehoudenheid van Euretco om direct na overdracht van de aandelen tot benoeming over te gaan, houdt een fatale termijn in die Euretco, ondanks waarschuwingen zijdens [betrokkene 1] , heeft laten verstrijken waardoor Euretco vanaf 1 januari 2005 in verzuim is gekomen. (…).” Overigens gaat art. 5.4 van de koopovereenkomst uit van benoeming van [betrokkene 1] , niet [eiseres] , tot commissaris van MKB B.V. Dat moet ook wel, want blijkens art. 2:250 lid 1 BW Pro kan de raad van commissarissen van een B.V. alleen bestaan uit een of meer
80.Zie bijv. ook A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2022:1025) voor HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:315,
81.Iets anders staat ook niet in de enige vindplaats zijdens Euretco die het subonderdeel noemt, te weten de antwoordmemorie na verwijzing zijdens Euretco, nr. 15. Het onderdeel wijst verder (“Zie ook”, etc.) op de memorie na enquête, tevens houdende het verzoek terug te komen van bindende eindbeslissingen zijdens [eiseres] , nrs. 7.1-7.4. Dit baat het subonderdeel evenmin. Daar valt niet te lezen dat volgens [eiseres] Euretco 31 maart 2005 heeft gemarkeerd als het eerste moment voor de betrokkenheid van [betrokkene 1] bij MasterClass. Wel - zie nr. 7.4 - dat volgens [eiseres]
82.In een separaat, ingesprongen tekstblok wijst [eiseres] aan het slot nog op het volgende: “Het vorenstaande geldt temeer nu, naar het hof in rov. 2.14 en 2.15 van zijn eindarrest heeft vastgesteld, (op grond van de kluisovereenkomst) uitgangspunt was dat de situatie zoals die gold bij het sluiten van de koopovereenkomst zou worden gehandhaafd en daarin werd gesproken van de fabrikant en niet van Mondial GmbH (die overigens geen fabrikant maar een inkooporganisatie was).” [zonder verwijzingen in het origineel, A-G]
83.Overigens stelt het hof daarbij voorop dat de in rov. 2.10 weergegeven standpunten van [eiseres] voortbouwen op de niet door het hof gevolgde stelling dat art. 5.3 van de koopovereenkomst moet worden gelezen als een schijnformule (zie reeds rov. 2.7-2.9).
84.Zo kan ik daarlaten of [eiseres] hier niet in feite klachten herhaalt uit de onderdelen 1.1 en 1.2 in de procesinleiding uit 2017 die in rov. 4.1 van het verwijzingsarrest zijn verworpen, zodat het subonderdeel in zoverre afstuit op art. 424 Rv Pro.