Conclusie
Nummer22/00729 P
Inleiding
De strafzaak
“opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”en 3.
“om een feit bedoeld in het vierde/vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”veroordeeld tot 26 weken gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de teruggave gelast van een in beslag genomen telefoon (Blackberry).
Het eerste middel
Omzet verdovende middelen € 393.990,24
De toelichting op het middel
het verkopen van informatie omtrent backdoors en exploits”. Daarmee heeft de betrokkene naar eigen zeggen € 70.000,- verdiend. Bij de door het hof opgelegde maatregel wordt de betrokkene – ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel – de verplichting opgelegd tot betaling van onder meer dit bedrag.
Vorenstaande volgt ook niet uit het dossier”, aldus de steller van het middel. Het had op de weg van het hof gelegen om te motiveren dat met deze verkoop sprake was van ‘andere strafbare feiten’. Nu het hof dit heeft nagelaten, is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd.
De bespreking van het eerste middel
verkopen van informatie omtrent backdoors en exploits” kan worden aangemerkt als ‘andere strafbare feiten’, zoals bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr, en met name waarom dat verkopen überhaupt strafbaar zou zijn.
backdoorsen
exploits’ [6] kan worden gerubriceerd onder ‘andere strafbare feiten’. Hieruit volgt dat het hof deze handelwijze (in algemene zin) aanmerkt als een strafbaar feit, begaan door de betrokkene.
3Sr. Met ingang van 1 juli 2011 openen zowel lid 2 als lid 3 van artikel 36e Sr met zoveel woorden de weg voor de ontneming van voordeel dat is verkregen uit ‘andere strafbare feiten’. Niettemin zijn de overwegingen van het hof vrij duidelijk toegesneden op uitsluitend lid 3. Het hof overweegt immers (onderstrepingen mijnerzijds):
dat de betrokkene in de strafzaak is veroordeeld wegens misdrijven die naar de wettelijke omschrijving worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, een en ander zoals vereist voor toepassing van artikel 36e,lid 3, Sr. Dat geldt zowel voor feit 2 als feit 3.” Vervolgens acht het hof “
aannemelijkdat zowel de misdrijven waarvoor de betrokkene is veroordeeld onder 2 en 3, als andere strafbare feiten (niet zijnde het witwasfeit, maar onder andere het verkopen van informatie omtrent backdoors en exploits)op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, als bedoeld in artikel 36e Sr.”
het verkopen van informatie omtrent backdoors en exploits” kan worden geschaard onder ‘andere strafbare feiten’, hangt niet af van de vraag of artikel 36e lid 2 Sr de rechter tot zo’n motivering dwingt, maar of artikel 36e lid 3 Sr dat doet.
Beoordelingskader
indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.” Een belangrijk verschil tussen de toepassing van enerzijds lid 2 en anderzijds lid 3 van artikel 36e Sr is dat de rechter bij toepassing van deze laatste bepaling niet hoeft te concretiseren welke andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft gekregen, noch wie daarvan de dader was. [8] Artikel 36e lid 3 Sr stelt dus niet de eis dat (wordt vastgesteld dat) die ‘andere strafbare feiten’ door de betrokkene zijn begaan. [9] Voordeelsontneming op de grondslag van artikel 36e lid 3 Sr gaat veelal samen met een meer abstracte wijze van voordeelberekening. Zij kan bijvoorbeeld toepassing vinden in gevallen waarin aannemelijk is dat een onder de betrokkene aangetroffen vermogensbestanddeel voordeel vertegenwoordigt dat wederrechtelijk is verkregen, zonder dat duidelijk is uit welke delicten precies en wie daarvan de dader is. Ook laat artikel 36e lid 3 toe dat uit de omstandigheden van het geval wordt afgeleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, bijvoorbeeld doordat hij – blijkens een zogeheten ‘kasopstelling’ – structureel meer geld uitgeeft dan kan worden verklaard uit legale bron. Kenmerkend voor deze methode is dat de rechter voordeel becijfert waarvan op basis van de omstandigheden van het geval wordt aangenomen dat het op enigerlei wijze wederrechtelijk is verkregen. Het voordeel staat daarbij voorop; de strafbare feiten blijven onscherp op de achtergrond.
in beginselbuiten beeld.
lastten gunste van de betrokkene besloten. De taak om het vermoeden van onschuld te weerleggen en om voor de beschuldiging bewijs aan te dragen, ligt bij de aanklager. De betrokkene is immers niet gehouden om zijn onschuld aan te tonen. [14]
(…) dat de bewijslast ter zake van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op redelijke en billijke wijze wordt verdeeld tussen het openbaar ministerie en de betrokkene.” [15]
Terug naar de zaak: de voortzetting van de bespreking van het eerste middel
het verkopen van informatie omtrent backdoors en exploits” (aan medebezoekers van internetfora). Deze feiten zijn naar het oordeel van het hof begaan door de betrokkene. Het hof heeft het zodoende verkregen voordeel vervolgens op transactiebasis berekend: het gaat om de som van 88 betalingen van afnemers van de door de betrokkene verschafte informatie, in totaal € 70.000.
hij die, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, 138b of 139c wordt gepleegd: een technisch hulpmiddel dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen is tot het plegen van een zodanig misdrijf, vervaardigt, verkoopt, verwerft, invoert, verspreidt of anderszins ter beschikking stelt of voorhanden heeft”.
Het verdienen van geld aan het verstrekken van informatie over backdoors en exploits duidt volgens het hofniet op een niet-criminele herkomst van dat geld. Het betreft immers informatie die bij uitstek geschikt is voor het plegen van strafbare feiten.Zo is het niet ondenkbaar dat een exploit kan worden aangemerkt als een technisch hulpmiddelals bedoeld in artikel 139d, tweede lid, onder a, Sr, waarvan het verspreiden strafbaar is.Voorts duidt het verkopen van deze informatie op het darkweb allerminst op een niet-crimineel karakterdaarvan; het darkweb wordt juist gebruikt voor activiteiten die het daglicht niet kunnen velen.”
exploitkan worden aangemerkt als ‘technisch hulpmiddel’ in de zin van deze strafbepaling. Dat is volgens het hof “
niet ondenkbaar”.
nietvastgesteld dat de betrokkene
exploitsheeft verkocht, maar alleen ‘
informatieomtrent
exploits’. Daarover merkt het hof op dat het verstrekken van dergelijke informatie “
niet duidt op een niet-criminele herkomst” van het (crypto)geld. Bovendien bevatten de overwegingen van het hof geen vaststellingen omtrent het oogmerk waarmee de betrokkene zou hebben gehandeld.