ECLI:NL:HR:2002:AD7805

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03590/00 P
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 338 SvArt. 339 SvArt. 340 SvArt. 341 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping beroep cassatie tegen ontnemingsvordering wegens strijd met art. 6 EVRM

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem waarin aan betrokkene een ontnemingsvordering werd opgelegd tot betaling van ƒ193.745, subsidiair 570 dagen hechtenis. Betrokkene stelde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de bewijsvoering in de ontnemingsprocedure in strijd zou zijn met artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

De Hoge Raad overwoog dat artikel 6 EVRM Pro vereist dat bewijsvoering voldoet aan de regels van het betreffende rechtsstelsel, maar dat de bijzondere regeling voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, waarbij de bewijsmiddelen uit artikel 338 tot Pro en met 344a van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing zijn, niet in strijd is met artikel 6 EVRM Pro.

Daarnaast wees de Hoge Raad het verweer af dat het oordeel van de rechter over het bestaan van voldoende aanwijzingen voor soortgelijke feiten slechts op wettige bewijsmiddelen mag berusten, zoals voorgeschreven in artikel 511f Sv voor de schatting van het bedrag. Omdat het middel faalde en er geen ambtshalve vernietigingsgrond was, werd het beroep verworpen.

Het arrest werd uitgesproken door de strafkamer van de Hoge Raad op 26 maart 2002, waarbij de president en vier raadsheren betrokken waren.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de ontnemingsvordering van ƒ193.745 of subsidiair 570 dagen hechtenis wordt bevestigd.

Uitspraak

26 maart 2002
Strafkamer
nr. 03590/00 P
AS/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 14 juli 2000 op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 2 april 1999 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van ƒ 193.745,--, subsidiair 570 dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel komt op tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvan- kelijk dient te worden verklaard in zijn ontnemingsvordering omdat de onderhavige ontnemingsprocedure in strijd is met art. 6 EVRM Pro, in het bijzonder art. 6, tweede lid, EVRM.
3.2. Het in het middel bedoelde verweer is in de bestreden uitspraak als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsman heeft ter zitting van het hof betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging van veroordeelde behoort te worden verklaard omdat de bewijsvoering in de onderhavige ontnemingsprocedure in strijd is met het bepaalde in artikel 6 EVRM Pro.
Het Hof verwerpt dit verweer.
Genoemde verdragsbepaling houdt voor wat betreft de bewijsvoering in dat deze moet voldoen aan de dienaangaande in de betreffende staat bestaande regelen. De enkele omstandigheid dat in het verband van de regeling met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de in art. 338 tot Pro en met 344a Sv vervatte bewijsmiddelen daarop niet van toepassing zijn, brengt niet mee dat toepassing van die regeling onverenigbaar is met artikel 6 EVRM Pro."
3.3. Het middel faalt, reeds omdat het miskent dat - anders dan ingevolge art. 511f Sv ten aanzien van de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel het geval is - geen wetsbepaling voorschrijft dat het oordeel van de rechter dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene soortgelijke feiten heeft begaan (in de zin van art. 36e, tweede lid, Sr) slechts kan worden ontleend aan dan wel dient te berusten op de inhoud van wettige bewijsmiddelen.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 26 maart 2002.