Conclusie
Astarte heeft NN vervolgens in rechte betrokken. Astarte heeft gevorderd dat de rechtbank NN veroordeelt tot betaling van ruim drie miljoen euro aan Astarte en NN gebiedt registraties met betrekking tot Astarte in het interne incidentregister van NN en in externe registers te verwijderen. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen omdat Astarte volgens de rechtbank in strijd met art. 7:928 lid 1 BW Pro (mededelingsplicht van een verzekeringnemer bij het aangaan van een verzekering) zou hebben verzwegen dat [betrokkene 1] in de acht jaren voorafgaand aan het sluiten van de verzekeringen in aanraking is geweest met politie of justitie, terwijl NN destijds hierover wel een vraag aan Astarte had gesteld (“
Is er sprake geweest van aanraking met politie/justitie terzake van (verdenking van) het plegen van een misdrijf”?). De rechtbank heeft – na de inhoud van art. 7:928 lid 5 BW Pro voorop te hebben gesteld – geoordeeld dat NN in haar vraag over het strafrechtelijk verleden in niet voor misverstand vatbare termen en in voldoende exacte bewoordingen heeft aangegeven welke feiten en omstandigheden omtrent het strafrechtelijk verleden voor haar relevant zijn, en dat hiermee buiten twijfel is gesteld dat Astarte moest begrijpen dat informatie over feiten en omstandigheden waaruit kan worden opgemaakt dat de verzekeringnemer in de genoemde periode verdacht werd van het plegen van een misdrijf voor NN van belang was.
Astarte heeft daarna hoger beroep ingesteld. Het hof heeft,
ten eerste, in het kader van art. 7:928 lid 5 BW Pro geoordeeld dat de vraag van NN over het strafrechtelijk verleden ruim en algemeen geformuleerd is en onder omstandigheden tot misverstanden kan leiden. Desondanks heeft het hof,
ten tweede, geoordeeld dat sprake is geweest van verzwijging in de zin van art. 7:928 lid 1 BW Pro van feiten omtrent het strafrechtelijk verleden en dat de vordering van Astarte daarom moet worden afgewezen op grond van art. 7:930 lid 4 BW Pro (geen uitkering als verzekeraar bij kennis van ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten). Ook als (mogelijk) sprake is van een vraag in voor misverstand vatbare termen, kan art. 7:928 lid 1 BW Pro dus volgens het hof in beeld komen.
In cassatie valt Astarte het tweede oordeel en NN het eerste oordeel aan.
1.Feiten
nee” beantwoord. Voorafgaand aan de vraag staat vermeld:
nee” beantwoord. [4]
opzettelijk een bij de Belastingdienst voorziene aangifte onjuist doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd”, zulks in de periode van 1 februari 1991 tot en met november 1992, tot een gevangenisstraf van veertien maanden (waarvan 140 dagen voorwaardelijk). [betrokkene 1] heeft de gevangenisstraf ter zake deze veroordeling uitgezeten van september 1999 tot april 2000. Verder is [betrokkene 1] vervolgd in verband met verdenking van fiscale fraude met omzetbelasting in de jaren 2000 tot en met 2004. Uit de stukken blijkt ter zake de volgende gang van zaken:
- verhoren in mei 2007;
- sluiting proces-verbaal O/OPV/O1 op 10 september 2007;
- sluiting proces-verbaal 1/OPV/O1 op 14 september 2007;
- dagvaarding voor de meervoudige kamer; 9 maart 2010.
2.Procesverloop
Eerste aanleg
Is er sprake geweest van aanraking met politie/justitie terzake van (verdenking van) het plegen van een misdrijf” voldoet aan het wettelijk criterium ‘
in niet voor misverstand vatbare termen’ van art. 7:928 lid 5 BW Pro. De grieven II en III sluiten hierop aan, en bevatten de klachten dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat Astarte rechtens had moeten begrijpen dat NN met deze vraag bedoelde dat zij geïnformeerd wilde worden:
Het hof zal deze grieven gezamenlijk bespreken.”
A-G] den verzekeraar bedoelt te bieden, haar grond vindt in het bijzondere karakter van de verzekeringsovereenkomst welke meebrengt dat de verzekeraar, alvorens tot de verzekering van een bepaalden post te besluiten, moet kunnen beschikken over de gegevens welke hem in staat stellen de voor hem aan de verzekering verbonden kansen zo goed mogelijk te beoordelen;
juisteinschatting van het morele risico wordt én kan worden gemaakt, en dat daaraan vervolgens gerechtvaardigde gevolgtrekkingen worden verbonden.
A-G] in beginsel niet van de aanvrager vergen dat deze spontaan overgaat tot opgaven omtrent dit [strafrechtelijk,
A-G] verleden, dat zijn persoonlijke levenssfeer diepgaand kan raken en waarvan de bekendheid bij derden zijn maatschappelijke positie ernstig kan schaden (…)”
privacyvan de verzekeringnemer en/of van die van bij een verzekering betrokken derden relevant. Het opvragen, raadplegen, verspreiden, vastleggen, afschermen en bewaren van gegevens betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon kwalificeren immers als verwerking van persoonsgegevens (art. 1 sub a en Pro b Wbp (oud) en art. 4 sub Pro 1) en 2) AVG). [25] In de regel zal een verzekeraar persoonsgegevens verwerken voor, bij en na het opvragen van informatie over iemands strafrechtelijk verleden. Denk met name aan het opvragen, raadplegen, intern verspreiden, vastleggen, afschermen en bewaren van aan de verzekeringnemer voorgelegde (en nadien ingevulde) formulieren die vragen over iemands strafrechtelijk verleden bevatten. In de Wbp (oud) en de AVG worden verschillende voorwaarden gesteld aan deze verwerkingen. [26] Belangrijk zijn bijvoorbeeld de verplichtingen dat persoonsgegevens op een behoorlijke manier worden verwerkt, dat persoonsgegevens voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doelen worden verzameld, en dat persoonsgegevens toereikend, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, moeten zijn. Bovendien is de verwerking van strafrechtelijke gegevens in beginsel verboden, maar hierop kan een uitzondering van toepassing zijn. Verzekeraars kunnen in dit verband gebruik maken van art. 33 Uitvoeringswet Pro AVG. Ik laat de Wbp (oud) en de AVG, en in het bijzonder de vraag of verzekeraars hieraan (altijd) voldoen, verder in het midden, omdat de onderhavige cassatieprocedure hier niet over gaat. Maar ik merk hier nog wel in algemene zin op dat het in strijd is met (in ieder geval) de geest van deze regelgeving om te veel in algemene zin te vragen naar informatie over iemands strafrechtelijk verleden. Immers: niet alle informatie daarover zal steeds relevant, laat staan noodzakelijk, zijn. Het opvragen en opslaan van deze informatie creëert tegelijkertijd wel privacyrisico’s voor betrokkenen.
positieveinformatie (en/of daarnaar zal vragen). Anders gezegd: een verzekeraar zal ook niet altijd alle voor verzekeringnemers positieve informatie ontvangen (en/of opvragen) en op basis daarvan in het voordeel van een verzekeringnemer de voorwaarden van een verzekering aanpassen. Hoewel het morele risico een glijdende schaal is, is het niet zo dat een verzekeraar (altijd) zal en/of zou moeten differentiëren tussen verzekeringnemers voor wie een (zeer) beperkt moreel risico geldt, nog los van de vraag of een verzekeraar realistisch gezien het precieze morele risico steeds juist kan inschatten. Dat dit voordelig kan uitpakken voor de (financiële) positie van een verzekeraar en (relatief) nadelig voor de (financiële) positie van sommige verzekeringnemers wordt in het licht van de risicospreidingsgedachte (de sociale functie van verzekeringen) terecht geaccepteerd. [29] Gelijke behandeling van een groep van (aspirant)verzekerden voor wie (mogelijk) niet een identiek moreel risico geldt, valt dus
tot op zekere hoogtete billijken.
in het algemeengevoelig is voor misverstanden en (dus) of deze daartoe aanleiding
kangeven (‘niet voor misverstand vatbare’), los van verdere feiten en omstandigheden van een concreet geval. Het gaat dus enkel om de formulering van de vraag als zodanig (in abstracto), niet om de vraag of een
concreteverzekeringnemer gezien alle feiten en omstandigheden van het concrete geval daaruit iets heeft kunnen of moeten afleiden. Dat komt pas aan de orde bij art. 7:928 lid 1 BW Pro. Ik zal dit in randnummers 3.16-3.34 hierna nader toelichten.
A-G): [38]
lid 5voorgestelde bepaling doet aan beide belangen recht wedervaren.
Blijkens de laatste zin van lid 6 behoeven ook de binnen de gestelde termijn vallende gegevens slechts te worden medegedeeld indien de verzekeraar er met zoveel woorden naar heeft gevraagd (vgl. H.R. 18 december 1981, N.J. 1982, 570).
Men zie het hierboven aangehaalde arrest H.R. 18 december 1981, N.J. 1982, 570, door welke uitspraak bovendien de laatste zin van lid 6 is ingegeven.”
In veel gevallen kan het voor een verzekeringnemer, aan wie daarover een vraag wordt gesteld, onduidelijk zijn wat onder het strafrechtelijk verleden moet worden verstaan. Dit kan er toe leiden dat een verzekeringnemer, hoe zeer te goeder trouw, tegengeworpen krijgt dat hij bepaalde feiten daaromtrent niet heeft medegedeeld. Het strafrechtelijk verleden is niet beperkt tot veroordelingen.Ook het opleggen van een maatregel, zoals ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van een motorrijtuig, valt daaronder. Volgens HR 23 [44] februari 1984, NJ 1984, 765 valt voorts ook een sepot onder het strafrechtelijk verleden. Of eventuele andere feiten of omstandigheden daartoe behoren, zoals een aanhouding door de politie wegens verdenking van een strafbaar feit of een vrijspraak of een ontslag van rechtsvervolging, zal voor veel verzekeringnemers onduidelijk zijn. Verder is denkbaar dat een verzekeringnemer bij bijvoorbeeld een inboedelverzekering er niet aan denkt een veroordeling wegens een snelheidsovertreding mede te delen.
Om deze onduidelijkheden weg te nemen is in het vernieuwde vijfde lid tevens tot uitdrukking gebracht dat de verzekeringnemer alleen verplicht is omtrent het strafrechtelijk verleden feiten mede te delen voor zover de verzekeraar omtrent dat verleden een vraag heeft gesteldin niet voor misverstand vatbare termen. Dit betekent dat de verzekeraar in exacte bewoording moet aangeven welke feiten en omstandigheden omtrent dit verleden voor hem van belang zijn, en alleen met betrekking tot die feiten behoeft de verzekeringnemer mededelingen te doen. Dit betekent dat de verzekeraar in zijn vraag zal moeten aangeven in welke strafbare feiten hij geïnteresseerd is, en of hij daarbij alleen geïnteresseerd is in strafrechtelijke veroordelingen, of wellicht ook in een vrijspraak, een schikking, een maatregel etc.. Aldus wordt bereikt dat indien de daarover gestelde vragen juist zijn beantwoord de verzekeraar die feiten worden medegedeeld die voor zijn beslissing van belang zijn, en de verzekeringnemer niet later tegengeworpen krijgt dat hij bepaalde feiten omtrent het strafrechtelijk verleden niet heeft medegedeeld.”
A-G): [45]
Met de huidige redactie van lid 5 behoeft naar mijn mening ook niet gevreesd te worden dat de verzekeraar naar meer strafrechtelijke gegevens vraagt dan voor een bepaalde verzekering relevant is. De verzekeraar moet immers te kennen geven welke feiten omtrent het strafrechtelijk verleden hij ter beoordeling van het morele risico bij de (…) te sluiten verzekering relevant vindt. Dit brengt mee dat de verzekeraar moet aangeven in welke strafrechtelijke feiten hij geïnteresseerd is, en of hij daarbij alleen geïnteresseerd is in strafrechtelijke veroordelingen, of ook in bijvoorbeeld een schikking of een maatregel. De toelichting is enigszins aangepast om dit scherper tot uitdrukking te brengen. [46] De Raad merkt hierover nog op dat de voorgestelde regeling ertoe kan leiden dat de verzekeraar een zo volledig mogelijke opsomming geeft van de elementen die tot een strafrechtelijk verleden (kunnen) behoren. Dit is op zichzelf juist, maar
in het huidige recht, alsook naar de oorspronkelijke redactie van lid 5, kan de verzekeraar volstaan met een algemene vraag naar feiten omtrent het strafrechtelijk verleden. Indien zich feiten hebben voorgedaan dient de verzekeringnemer een volledige opsomming te geven, met het risico dat hij te goeder trouw bepaalde feiten verzwijgt. In die zin is de nieuwe redactie van lid 5 een duidelijke beperking ten opzichte van het huidige recht en de oorspronkelijke redactie.Bovendien is mijns inziens aannemelijk dat tegen een verzekeraar die duidelijk te ver gaat met vragen omtrent het strafrechtelijk verleden met succes een klacht kan worden ingediend bij de Raad van Toezicht op het Verzekeringsbedrijf wegens schending van de goede naam van het verzekeringsbedrijf.
A-G): [49]
Toch is toepasselijkheid van het oude recht hier op zijn plaats omdat van een volledige anticipatie op artikel 7.17.1.4 geen sprake is. Men denke bijvoorbeeld aan vragen omtrent het strafrechtelijk verleden.”
de verzekeraar in exacte bewoording moet aangeven welke feiten en omstandigheden omtrent dit verleden voor hem van belang zijn, en alleen met betrekking tot die feiten behoeft de verzekeringnemer mededelingen te doen”, wat erop neerkomt dat “
de verzekeraar in zijn vraag zal moeten aangeven in welke strafbare feiten hij geïnteresseerd is, en of hij daarbij alleen geïnteresseerd is in strafrechtelijke veroordelingen, of wellicht ook in een vrijspraak, een schikking, een maatregel etc.” [50] Uit deze passages (waarbij de tweede passage een verscherping is van een eerdere tekstversie van deze passage), in verbinding met de tekst van art. 7:928 lid 5 BW Pro, volgt verder dat een verzekeringnemer in het geheel niet verplicht is mededeling te doen van feiten omtrent het strafrechtelijk verleden voor zover de vragen van de verzekeraar daarnaar niet duidelijk genoeg zijn. Wil de verzekeraar dus een vraag stellen over het strafrechtelijk verleden van de verzekeringnemer (of bij een verzekering betrokken derden) dan moet hij dat uitdrukkelijk doen en in niet voor misverstand vatbare termen. In dat verband verlangt de wetsgeschiedenis dat de verzekeraar de strafbare feiten en het type gegevens met betrekking tot deze strafbare feiten (de van belang zijnde feiten en omstandigheden) specificeert. Gebeurt dat niet (voldoende) dan, zo volgt uit de wetsgeschiedenis, is de vraag naar het strafrechtelijk verleden niet gesteld in niet voor misverstand vatbare termen, zodat aan lid 5 niet is voldaan. Bepalend is of de formulering (‘termen’) van een vraag
in het algemeengevoelig is voor misverstanden en (dus) of deze daartoe aanleiding
kangeven (‘niet voor misverstand vatbare’), los van verdere feiten en omstandigheden van een concreet geval (zie randnummer 3.13 hiervoor). Het gaat dus enkel om de formulering van de vraag als zodanig (in abstracto), niet om de vraag of een
concreteverzekeringnemer gezien alle feiten en omstandigheden van het concrete geval daaruit iets heeft kunnen of moeten afleiden. Ook als de wetsgeschiedenis zou worden weggedacht en men slechts zou kunnen afgaan op ‘in niet voor misverstand vatbare termen’, stelt dit wettelijk criterium algemene eisen aan de formulering van een vraag: die formulering moet voldoende duidelijk zijn, waarbij het, in zoverre verrast de invulling in de wetsgeschiedenis natuurlijk niet, voor de hand ligt dat wordt verlangd dat de vraag specificeert wat moet worden medegedeeld (volstaan, al dan niet in de toelichting op een vraag, met algemene termen als ‘feiten’, ‘verdenking’, ‘aanraking met politie/justitie’ en ‘misdrijven’ is daarvoor onvoldoende). Als aan de invulling van het vereiste door de wetsgeschiedenis (dus: meer objectief) niet is voldaan, moet mijns inziens worden aangenomen dat de formulering van de vraag tot misverstanden kan leiden (in het algemeen). Is wel aan art. 7:928 lid 5 BW Pro voldaan, en heeft de verzekeraar dus op voldoende duidelijke wijze naar het strafrechtelijke verleden gevraagd, dan komt art. 7:928 lid 1 BW Pro ook voor feiten omtrent het strafrechtelijk verleden in beeld. Bij art. 7:928 lid 1 BW Pro is wél relevant wat een concrete verzekeringnemer in het licht van alle omstandigheden van het geval had moeten kennen en begrijpen, en daarbij moet worden uitgegaan van een behoorlijk en zorgvuldig verzekeringnemer (zie randnummer 3.12 hiervoor).
op zichverzekeringnemers (toch) beschermt doordat verzekeringnemers later niet wordt tegengeworpen dat zij feiten omtrent het strafrechtelijk verleden hebben verzwegen wanneer aan dit vereiste niet is voldaan. Ook dít volgt uit de wetsgeschiedenis. Een belangrijk onderdeel van de achtergrond van deze bepaling is blijkens de wetsgeschiedenis verder nog de bescherming van de verzekeringnemer tegen het stellen van vragen door een verzekeraar over méér strafrechtelijke gegevens dan relevant en gepast is. Tegen deze achtergrond is te verklaren dat de wetgeschiedenis het hier besproken vereiste aldus invult dat de verzekeraar in (de toelichting op) zijn vraag de strafbare feiten en het type gegevens met betrekking tot deze strafbare feiten specificeert. Tegen diezelfde achtergrond lijkt voorts een ruime interpretatie van het begrip ‘feiten omtrent het strafrechtelijk verleden’ uit art. 7:928 lid 5 BW Pro aangewezen (denk aan sepots, vrijspraken, etc.). Een ruime(re) interpretatie van het begrip ‘feiten omtrent het strafrechtelijk verleden’ brengt immers meer feiten binnen de werkingssfeer (en daarmee de beperkingen) van art. 7:928 lid 5 BW Pro. [51] Aldus kunnen misverstanden en (te) algemene vragen over mede te delen feiten omtrent het strafrechtelijk verleden in het algemeen worden voorkomen.
eerstelid van art. 7:928 BW Pro dus, wel relevant of een verzekeringnemer naar aanleiding van de vraag van de verzekeraar in het concrete voorliggende geval moest begrijpen dat hij een feit omtrent het strafrechtelijk verleden moest melden. [53] Het ‘in niet voor misverstand vatbare termen’-criterium van art. 7:928 lid 5 BW Pro stelt dus eisen aan de formulering van de vraag van een verzekeraar. Deze vraag moet – los van het concrete voorliggende geval – voldoende specifiek zijn. In het algemeen mag ook worden aangenomen dat verzekeraars niet een vraag formuleren voor een
specifiekeverzekeringnemer, nu een verzekeraar bij het stellen van de vraag nog geen of weinig zicht zal hebben op (concrete) omstandigheden die gelden voor een specifieke verzekeringnemer: een vraag van een verzekeraar zal doorgaans voor algemeen gebruik bestemd zijn. Het verhoudt zich goed met dit gegeven dat art. 7:928 lid 5 BW Pro
algemene– los van het concrete voorliggende geval – eisen stelt aan de formulering van een vraag van een verzekeraar.
voor een deelovereenkomt met de modeltekst die het Verbond van Verzekeraars (kennelijk) in 1999 heeft aanbevolen: [58]
Keuzemogelijkheid 1 (vragen naar misdrijf)
Of met deze laatste aanscherping van de vraagstelling in 1999 de maatschappelijk gewenste duidelijkheid wordt geboden, is zeer de vraag. In ieder geval voldoet zij in beide varianten – zeker in de ruime variant – niet aan de twee (beperkende) criteria die de Minister van Justitie aan de vraagstelling naar een strafrechtelijk verleden heeft gesteld in de nota van wijziging van 21 juni 2000 ter zake van titel 7.17 NBW”. [59] In 1997 beval het Verbond van Verzekeraars nog een andere algemene standaardvraag aan (“
Zijn feiten te melden omtrent een eventueel strafrechtelijk verleden die binnen de afgelopen acht jaar zijn voorgevallen en betrekking hebben op[verschillende personen die bij de verzekering betrokken zijn,
A-G]”). [60]
in een geval van (opzettelijke) misleidingde rechtsgevolgen van een schending van de mededelingsplicht van art. 7:928 lid 1 BW Pro (die zijn vermeld in art. 7:930 BW Pro) niet kunnen intreden als niet is voldaan aan art. 7:928 lid 5 BW Pro, in het midden, omdat het hof heeft geoordeeld – onbestreden in cassatie – dat (opzettelijke) misleiding niet is komen vast te staan (rov. 12.-13.). [63]
privacyvan betrokkenen. Verder bestaat er een maatschappelijk belang bij het waarborgen van voldoende mogelijkheden voor een verzekeringnemer om schade te verzekeren: het moeten verstrekken van te veel en/of te oude informatie over het strafrechtelijk verleden kan met dit belang op gespannen voet staan.
4.Bespreking van het principaal cassatieberoep
Inleiding
misdrijven” in het algemeen – en vermeldt dus geenszins welke feiten en omstandigheden (waaronder typen strafvorderlijke en strafrechtelijke beslissingen) ten aanzien van strafbare feiten onder de vraag over het strafrechtelijk verleden vallen, zoals art. 7:928 lid 5 BW Pro wel vereist. Dat de vraag van NN de woorden “
verdenking” en “
aanraking met politie/justitie”, en de toelichting daarop het woord “
feiten” bevat (zie randnummer 1.6 hiervoor), maakt niet voldoende duidelijk welke feiten en omstandigheden moeten worden medegedeeld, omdat een vraag in exacte bewoordingen moet vermelden welke feiten en omstandigheden, zoals een vrijspraak of een schikking (ten aanzien van een verdenking), moeten worden medegedeeld. Het wettelijk criterium ‘in niet voor misverstand vatbare termen’ eist, gezien zijn bewoordingen, dat de formulering van de vraag voldoende duidelijk is (ook als de hiervoor genoemde parlementaire geschiedenis zou worden weggedacht en slechts zou moeten worden afgegaan op ‘in niet voor misverstand vatbare termen’); nodig is dat voldoende specifiek wordt aangegeven wát een verzekeringnemer moet mededelen, zodat daarover geen (althans: minder) misverstanden kunnen ontstaan. In zoverre verrast de invulling in de wetsgeschiedenis wat mij betreft niet. Zie wederom randnummers 3.16-3.34 hiervoor. Het hof lijkt het voorgaande op zich te hebben onderkend (rov. 6.). Maar anders dan het hof in rov. 7. lijkt te hebben overwogen, brengt het voorgaande en dus art. 7:928 lid 1 en Pro 5 BW wél mee – in de woorden van het hof: de sanctie – dat Astarte in het geheel niet verplicht is om op de betreffende vraag over feiten omtrent het strafrechtelijk verleden te antwoorden. Immers: aan de voorwaarde van art. 7:928 lid 5 BW Pro is niet voldaan. Met de nuancering van art. 7:928 lid 5 BW Pro door het hof komt ook de vraag op wat nu eigenlijk de toegevoegde waarde is van deze bepaling ten opzichte van art. 7:928 lid 1 BW Pro: ik sluit niet uit dat met de enkele toepassing van art. 7:928 lid 1 BW Pro – dus: het criterium ‘in niet voor misverstand vatbare termen’ van art. 7:928 lid 5 BW Pro weggedacht – het hof op dezelfde uitkomst zou zijn gekomen als de uitkomst in het bestreden arrest van 25 september 2018. [67] Het hof heeft overigens ook niet uitgelegd waarop zijn nuancering van art. 7:928 lid 5 BW Pro in rov. 7. is gebaseerd. [68]
diendete melden (rov. 7.), maar of iets
diendete worden gemeld, hangt juist af – kennelijk ook volgens het hof – van het antwoord op de vraag of voldaan is aan de voorwaarde van art. 7:928 lid 5 BW Pro (rov. 4.-5.). Voor zover aan de voorwaarde van art. 7:928 lid 5 BW Pro niet is voldaan, kon en mocht Astarte er alleen daarom al van uitgaan dat zij in zoverre geen feiten over het strafrechtelijk verleden
diendemede te delen. Voor zover het hof in rov. 7. heeft bedoeld te overwegen dat moet worden beoordeeld of er bij de verzekeringnemer redelijkerwijs enig misverstand over kon bestaan of de verzekeraar een bepaald strafbaar feit
wenstete kennen, [69] merk ik op dat de gedachte dat een verzekeringnemer naar aanleiding van een (te) algemene vraag over feiten omtrent het strafrechtelijk verleden zélf moet bedenken welke strafbare feiten de verzekeraar
wenstte kennen strijdig is met (de gedachte van) art. 7:928 lid 5 BW Pro: een verzekeringnemer moet volgens deze bepaling juist kunnen afgaan op een uitdrukkelijke en in niet voor misverstand vatbare termen geformuleerde vraag van de verzekeraar. Zie randnummers 3.16-3.34 hiervoor waar duidelijk in beeld komt dat het niet voor misverstand vatbare niet wordt betrokken op de concrete (aspirant)verzekeringnemer, maar juist in objectieve zin (in het algemeen) wordt beoordeeld.
in het algemeen(en dus: in veel gevallen) te
voorkomendat bij verzekeringnemers misverstanden (kunnen) ontstaan over de vraag welke feiten omtrent het strafrechtelijk verleden zij moeten mededelen aan de verzekeraar. Zie randnummers 3.26-3.34 hiervoor en rov. 5. Over de vraag of sprake is geweest van een misverstand bestaat in de onderhavige zaak discussie. [70] Zie mijn bespreking van klachten I.4-I.6 hierna. De beantwoording door het hof van de vraag (en de motivering daarvan) of sprake is geweest van een (redelijk) misverstand in het onderhavige geval illustreert mijns inziens wat art. 7:928 lid 5 BW Pro tracht en ook (eerder dan met de interpretatie van het hof) kan voorkomen (rov. 7.-9.).
bewustervoor heeft gekozen om het voorstel voor art. 7:928 lid 5 BW Pro uit 1986 in het voordeel van verzekeringnemers aan te passen, juist met het oog op de hiervoor besproken strekking en achtergrond. Daarbij is even bewust de toelichting op het criterium van ‘in niet voor misverstand vatbare termen’ van art. 7:928 lid 5 BW Pro in de definitieve nota van wijziging verscherpt. Zie nogmaals randnummer 3.26 hiervoor. Bij de interpretatie en toepassing van art. 7:928 lid 5 BW Pro moet met het voorgaande rekening worden gehouden.
ten aanzien van feiten omtrent het strafrechtelijk verleden waarnaar niet of op een (te) onduidelijke wijze is gevraagd, en ook niet
ten aanzien van feiten omtrent het strafrechtelijk verleden die niet voldoen aan het ‘acht jaar’-criterium. Voor andere feiten geldt art. 7:928 lid 1 BW Pro zonder de beperking van art. 7:928 lid 5 BW Pro (zie ook randnummers 3.14 en 3.26 hiervoor). Wel is het natuurlijk zo dat als er in het voorliggende geval geen andere (voldoende concrete) vragen over het strafrechtelijk verleden zijn gesteld, geen verplichting bestaat om feiten omtrent het strafrechtelijk verleden mede te delen aan de verzekeraar. Dat volgt nu eenmaal uit art. 7:928 lid 5 BW Pro (zie randnummer 4.5 hiervoor). Het voorgaande laat overigens wel de werking van art. 6:2 lid Pro 2/6:248 lid 2 BW en 7:952 BW onverlet, maar deze bepalingen heeft het hof niet toegepast. Wat voor gevallen van (opzettelijke) misleiding geldt, laat ik in het midden. Zie randnummer 3.32 en voetnoot 62 hiervoor.
niet kan hebben geschonden. En zonder een schending van de mededelingsplicht van art. 7:928 lid 1 BW Pro komt art. 7:930 BW Pro niet in beeld. Art. 7:930 BW Pro veronderstelt immers een schending van de mededelingsplicht van art. 7:928 lid 1 BW Pro. [71] Zie randnummer 3.15 hiervoor. Het hof heeft daarom in het verlengde van zijn onjuiste en/of onbegrijpelijke oordeel dat Astarte (niettemin) naar aanleiding van de vraag verplicht kan zijn om feiten omtrent het strafrechtelijk verleden mede te delen ook ten onrechte en/of onbegrijpelijk toepassing gegeven aan art. 7:930 BW Pro (zie voor deze toepassing van art. 7:930 BW Pro: rov. 12.-17. en het dictum van het tussenarrest van 25 september 2018, rov. 1.-9. van het tussenarrest van 9 augustus 2022 en rov. 16. en het dictum van het eindarrest van 15 augustus 2023).
politie/justitie”, ook een onderzoek van de FIOD moet worden begrepen, moet worden uitgegaan van het maatmancriterium van een ‘behoorlijk en zorgvuldig verzekeringnemer’. [73] Van een dergelijke gemiddelde verzekeringnemer, die een juridische leek is, kan, zo heeft Astarte gesteld, niet redelijkerwijs worden verwacht dat hij begrijpt dat een fiscaal onderzoek van de FIOD onder politie/justitie valt, met welk begrippenpaar commune strafdelicten worden gesuggereerd. [74]
Astarte (in de persoon van [betrokkene 1] )”),
wistdat onder “
politie/justitie” uit de vraagstelling van NN ook (een onderzoek van) de FIOD valt (rov. 9.). Het hof heeft niet geoordeeld dat Astarte of [betrokkene 1] dit
had moeten begrijpen, waarvan de klacht lijkt uit te gaan. Hierop stuit de klacht af.
politie/justitie” de FIOD valt en (ii) dat [betrokkene 1] op het moment van het invullen van de vragenlijst voor het ZCB-pakket ervan op de hoogte was dat hij (opnieuw) werd verdacht van fiscale fraude. Deze feitelijke vaststellingen heeft Astarte in cassatie als zodanig niet bestreden. En voor een (volledige) feitelijke herbeoordeling is in cassatie geen plaats. [76]
politie/justitie” moet worden geschaard, zodat hij ook had moeten begrijpen dat NN van het FIOD-onderzoek in 2007 op de hoogte wenste te worden gesteld, terwijl [betrokkene 1] in hoger beroep grotendeels is vrijgesproken en alleen een voorwaardelijke taakstraf opgelegd heeft gekregen.
had moeten begrijpendat de FIOD onder het begrip “
politie/justitie” moet worden geschaard. Het hof heeft – als zodanig onbestreden door Astarte – geoordeeld dat [betrokkene 1] , en in het verlengde Astarte (“
Astarte (in de persoon van [betrokkene 1] )”), dit
wist. Hierop stuit (een gedeelte van) de klacht af.
politie/justitie” zoals voorkomt in de door NN gehanteerde vraagstelling. FIOD-medewerkers verrichten hun werk ook niet in uniform. Fiscale aangelegenheden worden door de gemiddelde burger ook niet gelijkgesteld met politie- of justitieoptreden naar aanleiding van commune delicten. Als NN over de doorzoeking en het verhoor van de FIOD geïnformeerd had willen worden, had zij op daar op het aanvraagformulier expliciet naar moeten vragen, zodat duidelijk was dat tevens overtreding van belastingwetgeving als strafbaar feit had moeten worden genoemd. [81]
politie/justitie” in de zin van de vraagstelling van NN.
had moeten begrijpendat de FIOD onder het begrip “
politie/justitie” moet worden geschaard. Als gezegd heeft het hof als zodanig onbestreden door Astarte in cassatie geoordeeld dat [betrokkene 1] , en in het verlengde Astarte (“
Astarte (in de persoon van [betrokkene 1] )”), dit
wist. Ook heeft Astarte in cassatie als zodanig niet bestreden de oordelen van het hof in rov. 9. dat de doorzoeking door de FIOD en het verhoor van [betrokkene 1] nog niet lang vóór het invullen van de vragenlijst hadden plaatsgevonden en dat Astarte geen feiten of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan [betrokkene 1] er in september 2007 van mocht uitgaan dat de verdenking van fiscale fraude niet meer bestond. Op het voorgaande stuit de klacht af, althans een gedeelte van de klacht.
in het licht van de (beweerdelijke) feiten waarop klacht I.6 zich beroept, gezien alle onderdelen van de motivering van het hof in rov. 9. Ook in het licht van deze (beweerdelijke) feiten is op zich te volgen dat Astarte had moeten begrijpen dat NN met haar vraagstelling informatie over de doorzoeking van de FIOD en het verhoor van [betrokkene 1] in 2007 wenste te krijgen (zie naast rov. 9. ook randnummer 4.26 hiervoor). Voor een (volledige) feitelijke herbeoordeling is in cassatie overigens geen plaats.
5.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
Inleiding
vanaf welk momentcassatieberoep openstaat tegen een tussenarrest: in beginsel niet eerder dan het moment waarop cassatieberoep tegen het eindarrest kan worden ingesteld. [87] Art. 398, 401a, 402, 407, en 410 Rv bevatten verder geen uitdrukkelijke verplichting om aan te geven tegen welke uitspraak een cassatieberoep wordt ingesteld of welke uitspraken onderdeel zijn van het geding waarin een cassatieberoep wordt ingesteld. [88] Art. 407 lid 2 sub Pro d. en 410 lid 1 Rv bepalen wel dat een omschrijving moet worden gegeven van de middelen waarop een beroep in cassatie steunt.
heeft geoordeeld en/of ervan is uitgegaandat de vraag van NN (op zich) wél voldoet aan de voorwaarde van art. 7:928 lid 5 BW Pro (vergelijk nog de verwerping van grief I, al dan niet bij gebrek aan belang (rov. 3. en 7.)). Ik herhaal dat hierna niet per subonderdeel. Als het hof in rov. 6.-7.
in het midden heeft gelatenof de vraag van NN voldoet aan het criterium ‘in niet voor misverstand vatbare termen’ uit art. 7:928 lid 5 BW Pro, geldt voor de rechtsklachten in subonderdelen 1.1-1.3 en 2.1-2.3 dat zij feitelijke grondslag missen voor zover deze rechtsklachten ervan uitgaan dat het hof in rov. 6.-7. wél heeft beoordeeld of is voldaan aan het criterium ‘in niet voor misverstand vatbare termen’ uit art. 7:928 lid 5 BW Pro. Ook dit herhaal ik hierna niet per subonderdeel.
de vraagstelling voor iedere burger duidelijk moet zijn. Het hof heeft namelijk de volgende vaststelling gedaan: er is sprake van een ruime en algemeen geformuleerde vraagstelling, die bij een verzekeringnemer onder omstandigheden kan leiden tot misverstanden, nu de vraagstelling niet is beperkt tot bepaalde soorten misdrijven en evenmin duidelijk wordt wat wordt bedoeld met de term aanraking met politie of justitie, terwijl het onderscheid tussen misdrijven en overtredingen ook niet voor iedere burger duidelijk zal zijn. Voor zover het hof hiermee, met de eerste zin van rov. 6. en met rov. 7. (ook) heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan art. 7:928 lid 5 BW Pro, is dat niet onjuist of onbegrijpelijk. Zie randnummers 4.5 en 5.9 hiervoor.
misdrijf” in het algemeen), zoals het hof met rov. 6.-7. heeft vastgesteld. Ik verwijs naar randnummers 4.5 en 5.9 hiervoor om herhaling te voorkomen. Met een niet nader gespecificeerde verwijzing naar “
(verdenking van) het plegen van een misdrijf” en “
aanraking met politie/justitie” (en met “
feiten” in de toelichting op de vraag) – dus ook: géén specificatie van het type gegevens over misdrijven – is niet voldaan aan het criterium ‘in niet voor misverstand vatbare termen’ uit art. 7:928 lid 5 BW Pro. Dat uit de bewoordingen van de vraag blijkt dat niet uitdrukkelijk wordt gevraagd naar overtredingen maakt dit niet anders. Voor zover het subonderdeel een met het voorgaande strijdige rechtsopvatting verdedigt, doet het dat ten onrechte. Voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat een met het voorgaande strijdige rechtsopvatting ten grondslag ligt aan het (mogelijke) oordeel van het hof dat niet is voldaan aan het criterium ‘in niet voor misverstand vatbare termen’ uit art. 7:928 lid 5 BW Pro, mist het feitelijke grondslag. Dat het hof heeft overwogen dat de vraag onder omstandigheden tot misverstanden kan leiden en dat het onderscheid tussen misdrijven en overtredingen niet voor iedere burger duidelijk zal zijn, maakt het oordeel van het hof in rov. 6.-7. ten slotte niet onjuist of onbegrijpelijk. Zie nader randnummers 5.11 en 5.16 hiervoor.
in dit oordeel van het hofom dat niet duidelijk wordt
wat NN in het algemeen met de term aanraking met politie of justitie heeft bedoeld, wat slechts een onderdeel is van de motivering van het oordeel van het hof in rov. 6.-7. dat sprake is van een ruime en algemeen geformuleerde vraagstelling die bij een verzekeringnemer onder omstandigheden kan leiden tot misverstanden, en niet zozeer om de vraag wat voor een (gewone niet-juridisch geschoolde) burger voldoende duidelijk is (dit laatste komt in andere bewoordingen ook terug in de motivering van het hof in rov. 6.). Dat de (algemene) bedoeling van NN met de term aanraking met politie of justitie niet duidelijk wordt, heeft het hof (kennelijk) gebaseerd op de bewoordingen van de vraag van NN (rov. 6.-7.). Inderdaad specificeren deze bewoordingen niet wat onder de term aanraking met politie of justitie valt (bijvoorbeeld door aan te geven naar welke strafbare feiten en naar welk type gegevens over strafbare feiten wordt gevraagd). Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk. Dat NN gesteld zou hebben dat detentie een evidente (zelfs dagelijkse) aanraking met justitie betreft, maakt dit niet anders. Op het voorgaande stuit het subonderdeel af.