Conclusie
Nummer21/02671 P
Inleiding
De hoofdzaak
Het eerste middel
De procesgang bij het hof
“Opbrengst
Het beoordelingskader
De bespreking van het eerste middel
welke vermoedelijk besmeurd waren met inkt”. Uit forensisch onderzoek aan een selectie van deze bankbiljetten is gebleken dat dertien bankbiljetten DNA-markers bevatten die gerelateerd konden worden aan een kraak op een ING-geldautomaat binnen onderzoek ‘[…]’ (het onderzoek naar onder meer de kraken die aan de betrokkene in de strafzaak zijn ten laste gelegd). Hieruit heeft het hof afgeleid dat medeverdachte [betrokkene 1] het doel had om de besmeurde bankbiljetten afkomstig van een kraak daadwerkelijk uit te geven als een wettig betaalmiddel.
Het tweede middel
de factovoor rekening van de betrokkene moeten komen, aldus de steller van het middel. De maatregelen hebben het contact met familie en vrienden beperkt, zo niet grotendeels onmogelijk gemaakt, waarmee het afwachten van de einduitspraak enkel zwaarder is geworden.
De procesgang bij het hof
Het hof overweegt dat er sprake is van een complexe zaak met veel verdachten en veel feiten, waarin ook nog in hoger beroep onder meer op verzoek van verschillende raadslieden nader onderzoek heeft plaatsgevonden. Gelet op de samenhang van de zaken kon de zaak van verdachte niet apart van de zaken van de medeverdachten behandeld worden. Bij de planning van de inhoudelijke behandeling hebben zowel de omstandigheden verband houdende met Covid-19 als de beschikbaarheid van de raadslieden - uiteraard naast de agenda ’s van het hof en het openbaar ministerie - invloed gehad op het feit dat de zaak uiteindelijk in april 2021 inhoudelijk behandeld kon worden.