Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
17 maart 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en mensenhandel. Het hof sprak verdachte vrij van enkele feiten en veroordeelde hem tot 38 maanden gevangenisstraf voor de overige feiten.
De verdediging had aangevoerd dat de redelijke termijn voor berechting was overschreden, hetgeen het hof erkende en meenam in de strafoplegging. Echter, het hof vermeldde niet expliciet in welke mate de straf was verlaagd vanwege deze termijnoverschrijding, terwijl dit volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad verplicht is.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof het arrest moet vernietigen voor zover het de strafoplegging betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. De overige klachten van de verdachte worden verworpen. De uitspraak benadrukt het belang van transparantie bij strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn, conform artikel 6 lid 1 EVRM Pro.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor wat betreft de strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.