Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
4.Beslissing
26 september 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene was in voorlopige hechtenis in verband met een gelijktijdig behandelde strafzaak. Het hof had geoordeeld dat de redelijke termijn van twee jaar voor afronding van het hoger beroep was overschreden, maar volstond met een enkele constatering daarvan en legde een betalingsverplichting van € 53.326 op.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte niet uitging van een kortere redelijke termijn van zestien maanden, passend bij de voorlopige hechtenis van de betrokkene. De redelijke termijn is zowel in hoger beroep als in cassatie overschreden. De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van het hofarrest dat de hoogte van de betalingsverplichting betreft en vermindert het bedrag met € 5.000 tot € 48.326.
De overige klachten van de betrokkene worden verworpen. De Hoge Raad doet zelf uitspraak en benadrukt dat in ontnemingszaken waarbij de betrokkene in voorlopige hechtenis verkeert, een termijn van zestien maanden passend is. De beslissing onderstreept het belang van tijdige rechtsgang en redelijke termijnen in strafrechtelijke ontnemingsprocedures.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot € 48.326 wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en cassatie.