Conclusie
state of the artwas. Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de stelplicht ten aanzien van deze vraag op [eiser] rust en over de het oordeel van het hof dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld. Mijns inziens slaagt het cassatiemiddel niet.
1.Feiten en procesverloop
state of the artwas (rov. 3.6), (ii) dat [eiser] tegenover de gemotiveerde betwisting van Radboudumc onvoldoende heeft gesteld om te kunnen oordelen dat de Miragelplombe in juli 1992 niet (langer)
state of the artwas bij gebruik als extrascleraal implantaat en (iii) dat Radboudumc destijds handelde als een redelijk handelend en bekwaam oogarts bij de keuze voor een hydrogel plombe (rov. 3.7-3.14). Het hof ‘s-Hertogenbosch heeft geoordeeld dat de grieven in het principaal appel van [eiser] niet slagen, dat de vonnissen van de rechtbank moeten worden bekrachtigd en dat het incidentele appel geen behandeling behoeft (rov. 3.26).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Klacht 1betreft met name over het oordeel over de stelplicht ten aanzien van de vraag of de Miragelplombe in juli 1992
state of the artwast.
Klachten 2 en 3komen op tegen de overwegingen die ten grondslag liggen aan het oordeel dat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.
Het verwijzingshof is niet gebonden aan beslissingen van het hof die in cassatie met succes zijn bestreden of die in cassatie zijn bestreden en door de Hoge Raad onbehandeld zijn gelaten.
Het verwijzingshof is voorts niet gebonden aan beslissingen die voortbouwen op, of onverbrekelijk samenhangen met, vernietigde beslissingen. Het verwijzingshof moet door middel van uitleg van het vernietigde arrest en het verwijzingsarrest vaststellen in hoeverre hij gebonden is aan de beslissingen uit het vernietigde arrest.
Marin et al.in een internationaal, oogheelkundig tijdschrift de oogheelkundige wereld – en dus ook Radboudumc – op de hoogte had moeten (en kunnen) zijn van mogelijke complicaties met de Miragelplombe. Het hof overwoog daartoe in rov. 2.7:
Marin et al.– geoordeeld, kort gezegd, dat:
(i) op 6 juli 1992 (de dag van de operatie van [eiser] ) geen enkel vermoeden bestond van de nu bekende lange termijn complicaties van de Miragelplombe;
(ii) de oogheelkundige wereld pas met deze complicaties bekend is geraakt toen in 1997 een eerste casus in een artikel van Hwang e.a. is gerapporteerd; en
(iii) de keuze van de oogarts om een Miragelplombe te plaatsen met de kennis van toen een goede keuze was, en dat een redelijk handelend patiënt destijds gekozen zou hebben voor de Miragelplombe.
Verder heeft het hof Arnhem-Leeuwarden zich in rov. 2.7 aangesloten bij de rov. 2.6-2.9 en 2.11-2.13 van het eindvonnis van de rechtbank, waarin de rechtbank onder meer:
(iv) het standpunt van [eiser] heeft verworpen dat vanwege dezelfde chemische samenstelling van de MAI-plombe en Miragelplombe het artikel van
Marin et al.in alle opzichten van toepassing was op de Miragelplombe, en heeft overwogen dat volgens de deskundige een wezenlijk verschil is dat Marin e.a. een
intrascleraalgeplaatste MAI-plombe beschrijven, terwijl bij [eiser] een Miragelplombe
episcleraalwas geplaatst (rov. 2.8);
(v) heeft geoordeeld dat wordt uitgegaan van de juistheid van het deskundigenbericht en dat de medische oogheelkundige wereld vanwege het artikel van
Marin et al.in 1992 niet bekend was en kon zijn met de eigenschappen van de Miragelplombe zoals die zich bij [eiser] hebben gemanifesteerd (rov. 2.9);
(vi) heeft overwogen dat het artikel van
Marin et al.een
case studybetreft en niet een grootschalig onderzoek met uitkomsten die
evidence basedzijn, en niet het standpunt heeft gevolgd dat Radboudumc naar aanleiding van dit artikel onderzoek had moeten doen naar de gevaren van de Miragelplombe (rov. 2.9); en
(vii) heeft overwogen dat als [eiser] al geïnformeerd had moeten worden over de te gebruiken materialen, het voor de hand ligt dat de behandelaar de Miragelplombe zou hebben geadviseerd, en dat [eiser] heeft verklaard dat hij een dergelijk advies zou hebben gevolgd (rov. 2.12).
Het hof ’s-Hertogenbosch diende als verwijzingshof daarom uit te gaan van de hiervoor in 2.5.2-2.5.3 bedoelde oordelen van het hof Arnhem-Leeuwarden. Ik merk op dat rov. 2.7 van het eindarrest van het hof Arnhem-Leeuwarden geen beslissingen bevat die voortbouwen op of onverbrekelijk samenhangen met de rov. 2.17 e.v. van zijn arrest, waartegen – zoals hierna zal blijken − Radboudumc in de eerste cassatieprocedure met succes is opgekomen.
state of the art” was en waarvan later gebreken blijken die destijds bij de behandelende artsen niet bekend waren.
Indien bij een geneeskundige behandeling een zaak in het lichaam van de patiënt wordt aangebracht die ten tijde van de behandeling “state of the art” is, brengt het enkele feit dat de zaak op grond van naderhand opgekomen medische inzichten naar haar aard niet langer geschikt wordt bevonden voor de desbetreffende behandeling, niet mee dat het gebruik van die zaak als een tekortkoming moet worden aangemerkt.Aan toepassing van art. 6:77 BW Pro wordt in dat geval dus niet toegekomen. Een andere opvatting verdraagt zich niet met de aard van de medische behandelingsovereenkomst en de daarbij door de hulpverlener in acht te nemen zorg (art. 7:453 BW Pro). Dit strookt ermee dat evenmin een tekortkoming bestaat indien een arts een behandeling toepast die op dat moment naar gangbare medische inzichten de juiste is, maar die nadien als gevolg van nieuw opgekomen medische inzichten niet langer als
state of the artwordt beoordeeld. Er bestaat geen grond op dit punt verschillend te oordelen al naar gelang het gaat om een bij de behandeling gebruikte zaak of om de behandeling als zodanig.
state of the artwas en, zo niet, of de daarin gelegen tekortkoming aan Radboudumc zou kunnen worden toegerekend.
state of the artwas:
state of the artwas.
Marin et al.Het hof ’s-Hertogenbosch verwijst naar het deskundigenbericht van prof. [deskundige 1] , overweegt dat de rechtbank en het hof Arnhem-Leeuwarden de bezwaren van [eiser] tegen het deskundigenbericht hebben verworpen, dat het hof Arnhem-Leeuwarden de oordelen van de rechtbank tot de zijne maakte en dat de cassatieklachten tegen dat oordeel zijn verworpen (zie hiervoor in 2.5.1-2.5.4).
state of the artwas, maar de plombe zelf niet. Het hof verwerpt dit betoog:
We have used MIRAgel as an episcleral implant in a large number of patients since 1986 and have not observed such complications.” Het artikel is daarom onvoldoende om te oordelen dat de Miragel plombe in juli 1992 niet langer “state ofthe art” was bij gebruik als extrascleraal implantaat.
state of the artwas.
state of the artwas en de vraag of de Miragelplombe zelf
state of the artwas.
In de eerste plaats moeten beide vragen worden beoordeeld naar de ten tijde van de behandeling heersende medische inzichten.
In de tweede plaats geldt dat de vragen elkaar in dit geval in grote mate overlappen, omdat de beantwoording ervan goeddeels berust op de discussie over de betekenis van het artikel van
Marin et al. [5] In de derde plaats geldt dat de maatstaf voor de beoordeling van de vraag of de Miragelplombe in juli 1992
state of the artwas door het hof is ingevuld aan de hand van de vraag of Radboudumc bij de keuze voor plombe heeft gehandeld als een redelijk bekwaam en redelijk handelend oogarts (rov. 3.11). Deze maatstaf wordt als zodanig in cassatie niet ter discussie gesteld (zie hierna in 2.14).
state of the artwas.
state of the artwas. Ik ontkom er echter niet aan om soms te verwijzen naar de in 2.5.2-2.5.3 weergegeven oordelen van het hof Arnhem-Leeuwarden. In dit verband merk ik alvast het volgende op.
nrs. 1.18-1.21), was het hof ’s-Hertogenbosch wel gebonden aan het in cassatie vergeefs bestreden oordeel van het hof Arnhem-Leeuwarden in rov. 2.7 van diens eindarrest. Daaraan doet niet af dat de vraag of is gehandeld als een redelijk handelend en bekwaam oogarts een juridisch oordeel is (zie procesinleiding
nr. 1.18). Verder vormde deze rov. 2.7 geen onderbouwing van het, door de Hoge Raad vernietigde, oordeel in rov. 2.17 van het eindarrest van het hof Arnhem-Leeuwarden (zie procesinleiding
nr. 1.21); maar zelfs als dat wel het geval zou zijn, zou rov. 3.7 niet worden getroffen door de vernietiging van rov. 2.17, omdat rov. 2.7 niet voortbouwt op of onverbrekelijk samenhangt met rov. 2.17.
nrs. 1.19-1.20) wordt voorts betoogd dat de door de deskundige beantwoorde vraag naar heersende inzichten in juli 1992 wezenlijk verschilt van de vraag of uit het artikel van
Marin et al. al dan niet een vermoeden kon worden ontleend van mogelijke toekomstige complicaties van de Miragelplombe. Dit betoog gaat niet op, omdat de deskundige bij haar beantwoording van genoemde vraag mede heeft betrokken dat ten tijde van de behandeling van [eiser] geen enkel vermoeden bestond van de nu bekende lange termijn complicaties van de Miragelplombe, het hof Arnhem-Leeuwarden zich in rov. 2.7 van zijn eindarrest bij deze overweging van de deskundige heeft aangesloten en de Hoge Raad de tegen deze rechtsoverweging gerichte cassatieklachten heeft verworpen (zie hiervoor in 2.5.1-2.5.4).
onderdeel 1.Amet klachten in de
subonderdelen 1.A.1 tot en met 1.A.5en
onderdeel 1.Bmet klachten in de
subonderdelen 1.B.6 tot en met 1.B.8. Verder bevat de procesinleiding in de
nrs. 1.1-1.46een toelichting op de beide onderdelen en enige aanvullende klachten.
state of the artvoor dit geschil inhoudt en hoe [eiser] voorafgaand aan de verwijzingsprocedure of het bestreden arrest met de door het hof aan te leggen norm bekend had kunnen zijn. Daarom is niet kenbaar aan welke norm het verwijzingshof heeft getoetst, en kon dit hof [eiser] niet met recht verwijten dat hij niet aan diens (veronderstelde) stelplicht heeft gedaan, op basis waarvan het hof [eiser] ten onrechte de toegang tot bewijslevering heeft onthouden.
Het hof ’s-Hertogenbosch verwijst in rov. 3.5 (en ook in rov. 3.11) naar het oordeel in rov. 3.2.2 van het arrest van de Hoge Raad in de eerste cassatieprocedure in deze zaak. Het verwijzingshof heeft dus het oog op de medische inzichten ten tijde van de behandeling en de overweging van de Hoge Raad dat er geen grond bestaat op dit punt verschillend te oordelen al naar gelang het gaat om een bij de behandeling gebruikte zaak of om de behandeling als zodanig (zie hiervoor in 2.6.2).
In verband hiermee refereert het verwijzingshof in rov. 3.11 aan de uit de rechtspraak van de Hoge Raad bekende norm van een redelijk bekwaam en redelijk handelend (oog)arts. Door [eiser] wordt dit uitgangspunt overigens onderschreven. [6] Hieruit volgt voldoende duidelijk aan welke maatstaf het verwijzingshof het handelen van Radboudumc heeft getoetst [7] en kon het hof de stellingen van [eiser] beoordelen in het licht van deze maatstaf.
state of the artwas, geen deel uitmaakt van de door [eiser] te stellen tekortkoming, maar dat het gaat om een bevrijdend verweer van Radboudumc, waarvoor zij de stelplicht en bewijslast draagt. Het middel stelt zich op het standpunt dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat gebruikmaking van de Miragelplombe in beginsel een tekortkoming oplevert indien deze naar zijn aard niet geschikt was, tenzij de hulpverlener aantoont dat de plombe ten tijde van de behandeling
state of the artwas. Het middel betoogt dat het redelijk is dat de gelaedeerde ter onderbouwing van zijn betoog dat de hulpverlener is tekortgeschoten, gebruik kan maken van naderhand opgekomen medische inzichten (procesinleiding
nrs. 1.23-1.30).
state of the artwas. [9]
naar de medische inzichten van destijdsstate of the artwas” [onderstreping toegevoegd].
in beginseleen tekortkoming oplevert, tenzij de hulpverlener aantoont dat het implantaat desondanks op dat moment
state of the artis. Dit betekent dat het allereerst aan de patiënt is om aan te tonen dat sprake is van een implantaat met een verhoogde kans op scheuren of lekken (en dus in dat opzicht van minderwaardige kwaliteit is vergeleken met destijds beschikbare alternatieven). [10] Als wordt aangetoond dat het gebruikte implantaat een verhoogde kans op scheuren en lekken had, is het vervolgens aan de hulpverlener om aan te tonen dat het implantaat destijds toch
state of the artwas, zodat het gebruik daarvan geen tekortkoming oplevert.
Onder deze omstandigheden is dan sprake van een vermoeden van het bestaan van een tekortkoming, [11] waartegen de hulpverlener tegenbewijs dient te leveren. Voor tegenbewijs is hier vereist dat de hulpverlener aantoont dat het gebruik van de zaak toch
state of the artwas. Dan kan men denken aan gevallen waarin, naar de medische inzichten ten tijde van de toepassing van het implantaat, het gebruik van het implantaat in het betreffende geval verantwoord was in verband met
andereeigenschappen van het implantaat, die in voldoende mate opwegen tegen de negatieve eigenschap die in beginsel het vermoeden van het bestaan van een tekortkoming rechtvaardigt.
op enig moment,dat wil zeggen ook na het moment van de toepassing ervan, naar de heersende medische inzichten als ongeschikt moet worden aangemerkt, en dat vervolgens op de hulpverlener stelplicht en bewijslast rusten van een bevrijdend verweer dat de gebruikte zaak
op het moment van de toepassing ervannaar de heersende medische inzichten wel
state of the artwas.
subonderdeel 1.A.3had het verwijzingshof moeten onderzoeken of de Miragelplombe om welke reden ook ongeschikt is voor het beoogde doel en had hij zich in rov. 3.6 niet moeten beperken tot de vraag of de Miragelplombe vergeleken met andere plombes een grotere kans op zwellen of andere complicaties heeft.
subonderdelen 1.A.4 en 1.A.5berusten mijns inziens op het hiervoor (in 2.21) onjuist bevonden uitgangspunt. Deze subonderdelen beogen op die manier de relevantie aan te tonen van de in deze subonderdelen bedoelde (vast)stellingen in deze procedure, voor de verdeling van de stelplicht als bedoeld in rov. 2.8.4 van de prejudiciële beslissing in de zaak van de PIP-implantaten. Zo beschouwd, dienen deze subonderdelen te falen. Ik bespreek ze ten overvloede.
subonderdeel 1.A.4aanvoert, behoefde het verwijzingshof niet uit te gaan van de vaststelling in rov. 2.26 van het eindvonnis van de rechtbank – die overigens de periode
najuli 1992 betreft − dat de plombe ongeschikt was omdat was gebleken dat bij 10% van de patiënten complicaties optreden doordat bij een deel van die patiënten de plombe verandert van chemische samenstelling, zwelt en fragmenteert. Deze overweging van de rechtbank is in hoger beroep door Radboudumc bestreden. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft zich in rov. 2.17 van zijn eindarrest bij deze overweging van de rechtbank aangesloten. In het door Radboudumc ingestelde cassatieberoep heeft de Hoge Raad de tegen deze overweging van het Hof Arnhem-Leeuwarden gerichte klacht gegrond bevonden (zie hiervoor in 2.6.1-2.6.3). Het verwijzingshof na cassatie en verwijzing daarom niet aan deze vaststelling gebonden.
onder a-cgenoemde overwegingen van de rechtbank en stellingen van [eiser] .
Onder averwijst de klacht naar de bekrachtiging door het hof ’s-Hertogenbosch in rov 4.2 van wat de rechtbank in het eindvonnis heeft beslist. Ter toelichting bevat de procesinleiding in
nrs. 1.6-1.14een verhandeling over de vraag of het verwijzingshof, gelet op het door Radboudumc ingestelde voorwaardelijk incidenteel appel, moest uitgaan van de feitelijke vaststelling in rov. 2.10 van het eindvonnis van de rechtbank dat de medische wereld op enig moment in de jaren negentig ermee bekend raakte dat de Miragelplombe na verloop van een aantal jaren de eigenschap had te zwellen en te fragmenteren. Het antwoord op die vraag kan m.i. in het midden worden gelaten, omdat het feit dat de medische wereld op enig moment in de jaren negentig bekend raakte met de genoemde eigenschap, nog niets zegt over de vraag of Radboudumc daarmee ten tijde van de behandeling van [eiser] bekend was of behoorde te zijn. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft in rov. 4.7 van zijn eindarrest, in cassatie vergeefs bestreden, geoordeeld dat op 6 juli 1992 (de dag van de operatie van [eiser] ) geen enkel vermoeden bestond van de nu bekende lange termijn complicaties van de Miragelplombe en het hof ‘s-Hertogenbosch diende dit oordeel na cassatie en verwijzing tot uitgangspunt te nemen (zie hiervoor in 2.5.1-2.5.4). Voor het overige wordt in de procesinleiding niet toegelicht op welke oordelen in het eindvonnis het subonderdeel verder nog het oog heeft en waarom het oordeel van het hof in het licht van die oordelen onvoldoende gemotiveerd zou zijn, zodat het subonderdeel in zoverre niet voldoet aan de eisen van artikel 407 lid 2 Rv Pro.
Marin et al.niet meer
state of the artwas, anders dan Radboudumc stelde.
Het middel maakt niet duidelijk waarom het verwijzingshof deze stellingen, die door [eiser] zijn aangevoerd in het kader van kort gezegd het betoog over het begrip
state of the art(memorie na verwijzing nr. 40 e.v.) en niet in het kader van diens betoog over de verdeling van de stelplicht (memorie na verwijzing nrs. 28-39), had moeten betrekken bij zijn oordeel over de stelplicht. Daarop stuit de klacht reeds af.
dat niet is gestelddat de Miragelplombe, vergeleken met andere beschikbare hydrogel plombes, een grotere kans heeft op zwellen of op andere complicaties.
nr. 1.36) poneert.
In rov. 3.6 verwijst het verwijzingshof slechts naar het deskundigenbericht in verband met de vraag of zich een situatie voordoet als bedoeld in rov. 2.8.4 van de prejudiciële beslissing in de zaak van de PIP-implantaten. Daarop hebben de in het subonderdeel bedoelde stellingen geen betreking. Het betoog van [eiser] over de stelplicht is opgenomen in de memorie na verwijzing nrs. 28-39 en de in het subonderdeel bedoelde stellingen zijn ingenomen in het kader van de vraag wanneer de heersende medische inzichten zijn ontstaan dat de Miragelplombe naar haar aard niet langer geschikt was voor de desbetreffende behandeling (zie memorie na verwijzing nrs. 63 en 106 e.v.).
Voor zover de procesinleiding (in
nrs. 1.38-1.41) in de toelichting op
onderdeel 1.Been afzonderlijke klacht inhoudt dat het verwijzingshof had moeten nagaan of de Miragelplombe om welke reden dan ook ongeschikt is voor het beoogde doel, faalt deze klacht op dezelfde gronden als
subonderdeel 1.A.3.
onder a en bgenoemde omstandigheden onvoldoende gemotiveerd is, voor het geval dat het verwijzingshof bij zijn oordeel dat de situatie zoals bedoeld in de prejudiciële beslissing in de zaak van de PIP-implantaten zich hier voordoet, ervan is uitgegaan dat de plombe wel geschikt is voor het beoogde doel.
Marin et al., waaruit het verwijzingshof enige passages citeert (rov. 3.7), en geeft het verwijzingshof de stelling van [eiser] weer dat het gebruik van (d.w.z. de keuze voor) de plombe destijds
state of the artwas, maar de plombe zelf niet (rov. 3.10).
onder 1 tot en met 3komen erop neer dat het verwijzingshof niet alle relevante stellingen van [eiser] heeft benoemd en besproken en dat rov. 3.10 onvoldoende of onbegrijpelijk is gemotiveerd indien het verwijzingshof meent dat wel te hebben gedaan. In de procesinleiding wordt toegelicht (in
nr. 2.3) dat het belang van de bedoelde stellingen van [eiser] erop neerkomt dat deze stellingen zien op de waarde die Radboudumc aan het artikel van
Marin et al.had moeten toekennen en op de kritische benadering die constant van Radboudumc ten opzichte van de Miragelplombe kon worden verwacht. Daarmee wordt, aldus de toelichting in de procesinleiding (
nrs. 2.4-2.5), invulling gegeven aan de op Radboudumc rustende norm om te handelen als redelijk handelend en redelijk bekwaam oogarts.
onder 1 tot en met 3slagen niet. Het hof ’s-Hertogenbosch heeft in rov. 3.10 de stelling van [eiser] weergegeven dat in 1992 het gebruik van (d.w.z. de keuze voor) de plombe wel, maar de plombe zelf niet
state of the artwas, met vermelding van de gronden die [eiser] daarvoor had aangevoerd. Voor zover deze gronden het artikel van
Marin et al.betroffen, heeft het hof ’s-Hertogenbosch in rov. 3.12 overwogen dat dit artikel de eerste aanwijzing vormt dat de Miragelplombe mogelijk op langere termijn complicaties zou kunnen veroorzaken, maar niet meer dan dat. Naar het oordeel van het verwijzingshof was dit niet voldoende om te oordelen dat de Miragelplombe in juli 1992 niet (meer)
state of the artwas en dat Radboudumc de Miragelplombe niet had mogen toepassen bij [eiser] . Daarin ligt een verwerping van het andersluidende betoog van [eiser] besloten. Het verwijzingshof behoefde in het kader van die verwerping niet alle in de klachten genoemde stellingen van [eiser] afzonderlijk weer te geven en te bespreken. [12] Dit geldt te meer nu de stellingen in de kern zien op de vraag of de keuze voor de Miragelplombe in juli 1992 nog verantwoord was en dus afstuiten op hetgeen door het hof Arnhem-Leeuwarden is overwogen (zie hiervoor in 2.5.1-2.5.4).
Marin et al.de eerste kennisbron is voor de ‘
serious flaw’ van de Miragelplombe. De klacht voert aan dat [eiser] op de in
nr. 2.1van de procesinleiding genoemde vindplaatsen heeft gesteld dat het materiaal waarvan de Miragelplombe was vervaardigd, althans een van de daarin gebruikte materialen, een ‘
serious flaw’ vertoonde en niet de plombe op zichzelf beschouwd. In dit verband verwijst
nr. 2.6van de procesinleiding ook nog naar nadere vindplaatsen uit de memorie na verwijzing.
Marin et al.de eerste aanwijzing is dat de Miragelplombe mogelijk op langere termijn complicaties zou kunnen veroorzaken door opzwelling van de plombe, maar niet meer dan dat. Het zwellen van de plombe door de verandering van de chemische samenstelling daarvan is ook het gebrek waarop [eiser] heeft gewezen op de in de klacht onder 4 genoemde vindplaatsen. Omdat het verwijzingshof het (mogelijke) gebrek in de Miragelplombe, dat het gevolg is van de door [eiser] bedoelde verandering van de chemische samenstelling van het gebruikte materiaal, aldus onder ogen heeft gezien, ontbreekt belang bij de klacht over de weergave van stellingen in rov. 3.10.
klacht 3is rov. 3.12 onjuist, dan wel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, om de in
nrs. 3.1-3.8van de procesinleiding genoemde redenen.
nr. 3.1) en dat het hof heeft nagelaten dit te bespreken, hoewel het hof daartoe op grond van artikel 24 Rv Pro gehouden was (
nr. 3.2).
Marin et al. uit februari 1992 weliswaar een aanwijzing was dat mogelijk sprake kon zijn van lange termijn complicaties, maar dit nog niet maakte dat de Miragelplombe niet meer verantwoord gebruikt kon worden. Het door de klacht bedoelde punt is dus door het verwijzingshof geadresseerd.
Anders dan de klacht in
nr. 3.3veronderstelt, heeft het verwijzingshof niet geoordeeld dat bedoelde stellingen van [eiser] “hem niets kunnen brengen”. De beoordeling van deze stellingen ligt besloten in rov. 3.12. Het verwijzingshof behoefde dit oordeel niet nader te motiveren.
Marin et al.uit februari 1992 niet meer is dan een eerste aanwijzing dat de Miragelplombe mogelijk op langere termijn complicaties zou kunnen veroorzaken door opzwelling van de plombe, wordt bestreden met de klachten in de
nrs. 3.4 en 3.5.
state of the artwas bij gebruik als extrascleraal implantaat. Voor het overige stuiten de klachten af op hetgeen door het hof Arnhem-Leeuwarden is overwogen (zie hiervoor in 2.5.1-2.5.4).
state of the artwas bij gebruik als extrascleraal implantaat. Aangevoerd wordt (i) dat het verwijzingshof bij de beoordeling van wat [deskundige 1] heeft verklaard en bij de interpretatie van het artikel, ten onrechte niet de kritiek daarop van [eiser] in de memorie na verwijzing heeft meegewogen (
nr. 3.6), (ii) dat het verwijzingshof op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep verplicht was om die kritiek van [eiser] te bespreken, omdat het verwijzingshof in rov. 3.10 klaarblijkelijk grief 4 van [eiser] gegrond heeft geacht, zodat het verwijzingshof verplicht was te beslissen op het daardoor opengevallen deel van het debat, dat voor cassatie en verwijzing door het hof Arnhem-Leeuwarden in rov. 2.7 van het eindarrest, was afgesloten (
nr. 3.7), en (iii) dat het oordeel van het verwijzingshof onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is voor zover het verwijzingshof heeft gemeend dat de in de
nrs. 3.6-3.7genoemde stellingen van [eiser] geen essentiële stellingen zijn (
nr. 3.8).