Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
22 maart 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 4 december 2014, waarin hij werd veroordeeld voor opzet op wederrechtelijke vrijheidsberoving en bedreiging zoals bedoeld in art. 242 Sr Pro.
Het beroep in cassatie werd ingesteld door de verdachte, vertegenwoordigd door advocaat P.H.L.M. Souren. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De raadsman van verdachte heeft hier schriftelijk op gereageerd.
De Hoge Raad oordeelt dat de middelen van cassatie niet tot cassatie kunnen leiden en dat nadere motivering niet nodig is, omdat de middelen geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.
Daarom wordt het beroep verworpen en blijft het arrest van het Gerechtshof Amsterdam in stand. Het arrest is gewezen door de vice-president van de Hoge Raad als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken in openbare terechtzitting op 22 maart 2016.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam wordt bevestigd.