Conclusie
NJ2019/454, m.nt. Vellinga heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen ten aanzien van de wetenschap van de verdachte omtrent de (on)geldigheid van zijn rijbewijs:
NJ2019/454, m.nt. Vellinga. In aansluiting daarop wijs ik nog op HR 10 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:393. Het hof had bewezenverklaard dat de verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Daartoe had het van belang geacht dat het besluit tot ongeldigverklaring per aangetekende post aan het toenmalige adres van de verdachte was verzonden en de verdachte voorafgaand aan het tenlastegelegde feit tweemaal door meerdere verbalisanten, in het kader van verhoren die op andere zaken dan het in die zaak tenlastegelegde feit betrekking hadden, was medegedeeld dat zijn rijbewijs niet geldig was. Een door het hof als bewijsmiddel gebezigd proces-verbaal hield in:
echterook kan worden afgeleid uit
andereomstandigheden (mijn cursiveringen, A-G). Die andere omstandigheden zijn dan volgens het hof dat (i) de verdachte al eerder, te weten op 22 januari 2018, door de politierechter in de rechtbank Den Haag, kennelijk op tegenspraak, is veroordeeld voor het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs en (ii) het rijbewijs van de verdachte reeds op 28 november 2008 ongeldig is verklaard en de verdachte, zoals hij heeft verklaard, op 10 mei 2019 zijn rijbewijs nog steeds niet terug had gekregen.
ongeldigwas verklaard, te minder indien daarbij in aanmerking wordt genomen dat de verdachte op de terechtzitting van het hof ook heeft verklaard dat hij zijn rijbewijs had teruggekregen (wat daarvan verder van zij). Naar het mij voorkomt kan die wetenschap ook niet worden afgeleid uit de door het hof redengevend geachte omstandigheden wanneer deze in onderlinge samenhang worden bezien.