Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
1 juni 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor het besturen van een motorrijtuig terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het hof had geoordeeld dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was, mede op basis van de verzending van het besluit tot ongeldigverklaring per aangetekende brief, ontvangst van het rijbewijs door het CBR, en het alcoholgebruikonderzoek.
De Hoge Raad stelt vast dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat verdachte daadwerkelijk kennis had van de ongeldigverklaring. De enkele omstandigheid dat het besluit per aangetekende brief en gewone brief naar het juiste adres is verzonden, is onvoldoende bewijs. Ook het feit dat het CBR het rijbewijs van de politie heeft ontvangen en dat er een alcoholonderzoek heeft plaatsgevonden, inclusief een tweede door verdachte aangevraagd onderzoek, leidt niet tot de conclusie dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie (HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146) die bevestigt dat dergelijke omstandigheden niet automatisch kennis van de ongeldigverklaring bewijzen. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling van het beroep.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, en uitgesproken op 1 juni 2021.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.