Conclusie
1.Aanduiding partijen en korte inhoud zaak
De rechtbank heeft het verzoek afgewezen en het hof heeft het verzoek gedeeltelijk toegewezen.
In cassatie wordt in de kern geklaagd dat het hof art. 2:2 BW Pro heeft miskend door een voorlopig getuigenverhoor ten overstaan van de civiele rechter toe te wijzen voor een interne kerkelijke kwestie.
2.Feiten en procesverloop
[verweerder] heeft in een brief van 12 december 2018 op dat gesprek en op de melding gereageerd.
(...)
Bij decreet van 28 mei 2020 van de Congregatie is beslist dat [verweerder] geschorst blijft als priester en bij decreet van dezelfde datum heeft de Congregatie beslist dat [verweerder] het ambt van pastoor wordt ontnomen (hierna gezamenlijk ook wel te noemen: de Romeinse decreten). De Romeinse decreten zijn op 31 mei 2020 door paus Franciscus goedgekeurd. Latere verzoeken van [verweerder] en sympathisanten (‘getuigen’) om herziening van deze decreten en nader onderzoek, zijn afgewezen door de Congregatie.
De advocaten van partijen hebben het woord gevoerd aan de hand van overgelegde schriftelijke spreekaantekeningen.
- bevolen dat een voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden met betrekking tot de in de bestreden beschikking in rov. 3.4.2 onder 1, 2, 4, 6 en 7 vermelde vragen;
- bepaald dat als getuigen zullen worden gehoord: [de bisschop] , [de kardinaal] en [verweerder] en
- de zaak daartoe naar de rechtbank Noord-Holland verwezen.
Het hof heeft verder het meer of anders verzochte afgewezen.
3.Ontvankelijkheid cassatieberoep
4.Bespreking van het cassatiemiddel
In subonderdeel 1.1wordt, zakelijk en verkort weergegeven, geklaagd dat het hof ten onrechte heeft verzuimd art. 2:2 lid 2 BW Pro toe te passen, ambtshalve, dan wel op de voet van art. 25 Rv Pro, en met inachtneming van de devolutieve werking van het hoger beroep. Het hof heeft volgens de klacht nagelaten te beoordelen of met de voorgenomen vordering van [verweerder] een inhoudelijke beoordeling door de burgerlijke rechter in een civiele procedure gerechtvaardigd en geboden is. Subsidiair wordt geklaagd dat het hof art. 2:2 lid 2 BW Pro en het daaraan ten grondslag liggende beginsel van scheiding van kerk en staat heeft geschonden en met zijn oordeel blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door art. 186 in Pro verbinding met art. 166 Rv Pro toe te passen op het verzoek van [verweerder] .
Subonderdeel 1.2bevat een motiveringsklacht.
NGK/[…] [29] als volgt nader ingevuld:
NGK/[…] van geval tot geval moeten worden nagegaan. Het statuut in de zin van art. 2:2 lid 2 BW Pro is in ieder geval geen recht in de zin van art. 79 RO Pro; oordeel over en uitleg van het statuut zijn daarom van feitelijke aard. [41]
NGK/[…] beslist dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat onder ‘wet’ in dit verband moet worden verstaan: bepalingen van fundamentele aard of ‘sterk dwingend recht’ in de zin van ‘zeer zwaarwegende dwingendrechtelijke bepalingen’. [42]
Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid is de taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en een andere (bijzondere) rechter van belang. Indien de wet een bijzondere rechtsgang heeft aangewezen, dient de burgerlijke rechter degene die bij hem opkomt in beginsel niet-ontvankelijk te verklaren indien de voorgeschreven bijzondere rechtsgang met voldoende waarborgen is omkleed, aldus de Hoge Raad in het arrest
Universiteiten/SCAU. [47] Ontbreken deze voldoende waarborgen, dan verleent de burgerlijke rechter wel aanvullend rechtsbescherming. Aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter wordt ook verleend als voor de betrokkene geen enkele mogelijkheid heeft open gestaan om het geschil aan een andere rechter voor te leggen. [48]
Uit de bestreden beschikking blijkt nergens dat het hof de onder 4.21 omschreven beoordeling heeft toegepast, niettegenstaande het daarop betrekking hebbende betoog van [de bisschop] in eerste aanleg (het gaat om een interne kwestie, althans een schending van een norm naar canoniek recht die aan de competente Congregatie is voorbehouden, zodat [verweerder] niet ontvankelijk dient te worden verklaard [55] ) en in hoger beroep (het betreft een interne kerkelijk kwestie en een schending van canoniek recht waarvoor een procedure naar canoniek recht moet worden gevoerd [56] ).
burgerlijkerechter. Indien dat verhoor wordt verzocht om feiten te doen ophelderen of vaststellen ten behoeve van een procedure bij een andere rechter, is het verzoek niet toewijsbaar. [58]
onderdeel 3bouwt op onderdeel 1 voort voor zover wordt geklaagd dat het hof bovendien met schending van art. 2:2 lid 2 BW Pro heeft miskend dat de vraag wat deel uitmaakt van het dossier in de canoniek rechtelijke procedure wordt bepaald door het canonieke recht.
Het onderdeel gaat er daarnaast aan voorbij dat de brief aan [de kardinaal] en de rol daarvan in het kader van een mogelijk vervolg (de procedure smaad/laster) in zowel de processtukken [64] als tijdens de mondelinge behandeling aan de orde is geweest [65] . In zoverre heeft het hof niet buiten het procesdebat om en bij wijze van (ongeoorloofde) verrassing het verzoek toegewezen om [de kardinaal] te horen.