ECLI:NL:PHR:2023:1194

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 december 2023
Publicatiedatum
19 december 2023
Zaaknummer
23/00438
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:9 BWArt. 2:16 BWArt. 81 ROArt. 2:10a BWArt. 2:101 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg en rechtsgevolgen van decharge aan bestuurders bij vaststelling jaarrekening 2003

Deze zaak betreft een vervolg op een eerder arrest van de Hoge Raad uit 2019 over niet-behoorlijke taakvervulling van voormalige bestuurders van Pluvezo B.V. De vennootschap stelde haar voormalige bestuurders aansprakelijk wegens het verstrekken van leningen zonder zekerheden. Het hof oordeelde aanvankelijk dat het beroep op verjaring slaagde, maar de Hoge Raad vernietigde dit oordeel vanwege onvoldoende motivering over een stuitingshandeling.

Na verwijzing liet het hof de verjaring in het midden en oordeelde dat de bestuurders decharge hadden gekregen bij de vaststelling van de jaarrekening 2003. De Hoge Raad bevestigt dat het dechargebesluit, genomen tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders op 15 februari 2005, ook betrekking heeft op het beleid dat in de jaarrekening is verantwoord, inclusief de ongesecureerde leningen aan [verweerster 2] Oirlo B.V.

De conclusie benadrukt dat besluiten van organen van rechtspersonen naar objectieve maatstaven moeten worden uitgelegd, waarbij de inhoud van het besluit en de context bepalend zijn. Niet-openbare informatie of individuele verwachtingen mogen de uitleg niet beïnvloeden. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de bestuurders niet aansprakelijk kunnen worden gesteld wegens de verleende decharge.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de verleende decharge de bestuurders vrijwaart van aansprakelijkheid.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/00438
Zitting1 december 2023
CONCLUSIE
W.L. Valk
In de zaak
Pluvezo B.V.
tegen
1. [verweerster 1] B.V.
2. [verweerster 2].
Partijen worden hierna verkort aangeduid als Pluvezo respectievelijk [verweersters] Verweerster in cassatie sub 1 afzonderlijk wordt hierna aangeduid als [verweerster 1] en verweerder in cassatie sub 2 als [verweerster 2].

1.Inleiding en samenvatting

1.1
Deze zaak is een vervolg op HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1489.
1.2
De vennootschap Pluvezo spreekt haar voormalige (indirecte) bestuurders [verweersters] aan op grond van niet-behoorlijke taakvervulling (art. 2:9 BW Pro). Het verwijt dat aan [verweersters] wordt gemaakt is dat namens Pluvezo leningen zijn verstrekt zonder dat voor de terugbetaling daarvan zekerheden zijn bedongen. [verweersters] hebben diverse verweren gevoerd.
1.3
Het hof vóór verwijzing oordeelde dat het beroep van [verweersters] op verjaring slaagde. De in het eerste cassatieberoep tegen dit oordeel gerichte klachten troffen doel. Kort gezegd, heeft uw Raad beslist dat het oordeel van het hof vóór verwijzing over het karakter van een brief van 11 september 2008 (volgens Pluvezo een geldige stuitingshandeling) onvoldoende was gemotiveerd.
1.4
Het hof na verwijzing heeft in het midden gelaten of het vorderingsrecht van Pluvezo verjaard is en heeft een ander verweer van [verweersters] gegrond geoordeeld, namelijk het beroep van [verweersters] op een bij gelegenheid van de goedkeuring van de jaarrekening van 2003 aan het bestuur verleende decharge. Tegen dit oordeel richten zich de klachten in dit tweede cassatieberoep.
1.5
Mijns inziens slaagt geen van de klachten van het cassatiemiddel. Ik stel voor dat uw Raad de zaak met toepassing van art. 81 RO Pro afdoet.
2.
Feiten en procesverloop [1]
2.1
Welke de feiten zijn die het hof na verwijzing, het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, tot uitgangspunt heeft genomen, blijkt gedeeltelijk uit wat het in zijn arrest van 8 november 2022 onder 2.1 tot en met 2.3 als de kern van de zaak vermeldt: [2]
(i) [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) heeft in 1982 de vennootschap [A] B.V. opgericht. [verweerster 1] is een holding waarvan [verweerster 2] bestuurder en enig aandeelhouder was. In 1994/1995 werd [betrokkene 1] geconfronteerd met een inval van de FIOD bij zijn pluimveebedrijf en met fiscale claims. [A] B.V. was een grote klant van [verweerster 1]. [betrokkene 1] en [verweerster 2] hebben een constructie bedacht waardoor de fiscus geen beslag zou kunnen leggen op de onderneming van [betrokkene 1] . [betrokkene 1] heeft hiertoe de activa van zijn onderneming verkocht aan een vennootschap van [verweerster 2] met de bedoeling de aandelen van die vennootschap, en daarmee de activa, zo snel mogelijk terug te kopen nadat de problemen met de fiscus waren geregeld. In dat kader heeft [verweerster 2] Pluvezo (een inactieve vennootschap van een van de zonen van [verweerster 2]) gekocht, waarin vervolgens de activa zijn ondergebracht. Op 22 juni 1995 is daartoe een koopovereenkomst gesloten. Bestuurder van Pluvezo werd [verweerster 1]. Bij het opstellen van die koopovereenkomst is ook [betrokkene 2] , fiscalist van zowel [verweerster 2] als [betrokkene 1] , betrokken geweest. Pluvezo maakte geen deel uit van de vennootschappen die tot de [verweerster 2] Poultry Group behoorden.
(ii) In 1997 hebben [betrokkene 1] en [verweerster 2] besloten de aandelen van Pluvezo te verkopen aan de Belgische vennootschap [B] bvba (hierna: [B] ). [betrokkene 1] was enig aandeelhouder van [B] . De verkoop heeft eind 1997 plaatsgevonden, waarbij [verweerster 1] onverminderd bestuurder van Pluvezo bleef. Vervolgens is [B] bvba, mede om fiscale redenen, omgevormd tot een naamloze vennootschap. [verweerster 1] is op 30 april 2004 afgetreden als bestuurder van Pluvezo. Vanaf 1 mei 2004 is [B] bestuurder van Pluvezo geworden. Met ingang van 16 februari 2004 is [betrokkene 1] aangetreden als voorzitter van de Raad van bestuur van [B] en vanaf 26 april 2004 werd [betrokkene 1] gedelegeerd bestuurder van [B] en werden (eerst) [C] bvba vertegenwoordigd door [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) en (later ook) [D] bvba, vertegenwoordigd door [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ) bestuurder van [B] . De accountant van Pluvezo, [E] B.V. (hierna: [betrokkene 5] ), heeft bij brief van 8 juni 2004 aan [B] (ter attentie van [betrokkene 4] ) een conceptbesluit voorgelegd strekkende tot het verlenen van decharge aan [verweerster 1] wegens het door [verweerster 1] als bestuurder van Pluvezo gedurende de gehele bestuursperiode gevoerde beleid.
(iii) Tot de [verweerster 2] Poultry Groep behoorde [verweerster 2] Oirlo B.V. (hierna: [verweerster 2] Oirlo), die geen vennootschappelijke band had met Pluvezo. Aan [verweerster 2] Oirlo zijn in 2003 door Pluvezo niet gesecureerde leningen verstrekt, waarvan achteraf één overeenkomst van geldlening is opgemaakt, gedateerd op 31 december 2003. Al deze leningen dateren van na de overdracht van de aandelen van Pluvezo door [verweerster 1] aan [B] . Op 16 oktober 2007 is [verweerster 2] Oirlo in staat van faillissement gesteld. Op dat moment was van de lening van € 1.000.000 aan [verweerster 2] Oirlo een bedrag van € 500.000, alsmede rente over 2005 en 2006 terugbetaald.
2.2
De overwegingen van het hof na verwijzing onder 3 (‘Het oordeel van het hof’) van hetzelfde arrest bevatten onder 3.9 en 3.10 nog enkele nadere vaststellingen van feiten, als volgt:
(iv) In de jaarstukken 2003 van Pluvezo is opgenomen dat door Pluvezo aan [verweerster 2] Oirlo een lening is verstrekt onder vermelding dat geen zekerheden zijn gesteld. In de jaarstukken 2003 is immers onder ‘leningen’ opgenomen dat aan [verweerster 2] Oirlo B.V. € 1.000.000 is geleend en daarbij is vermeld: ‘Terzake van de lening zijn geen zekerheden gesteld. Een aflossingsschema is niet overeengekomen. Rente over het jaar 2003 is 5.25%.’ Deze jaarstukken zijn rechtsgeldig door [betrokkene 4] namens [B] ondertekend. De jaarstukken 2003 zijn op 15 december 2004 samengesteld en getekend, en vielen daarmee in de periode waarin [B] het bestuur van [verweerster 1] had overgenomen.
(v) In de notulen van de AVA van 15 februari 2005 is als eerste agendapunt het vaststellen van de jaarrekening 2003 opgenomen. Vermeld is dat de op 15 december 2004 opgemaakte jaarrekening 2003 ongewijzigd wordt vastgesteld. Agendapunt 3 betreft de decharge aan de directie. Vermeld is: ‘Aan de directie wordt voor het boekjaar 2003 décharge verleend’. De notulen zijn namens [B] rechtsgeldig door [betrokkene 4] als voorzitter en [betrokkene 3] als notulist ondertekend.
2.3
Voor het procesverloop tot en met het arrest van uw Raad van 4 oktober 2019 [3] verwijs ik naar dat arrest.
2.4
Bij arrest van 8 november 2022 [4] heeft het hof na verwijzing het in eerste aanleg gewezen vonnis van de rechtbank Limburg [5] bekrachtigd met verbetering van gronden. De dragende overwegingen van dit arrest laten zich als volgt samenvatten:
a. Het beroep van [verweerster 1] op het dechargebesluit slaagt. Hierdoor komt het hof niet toe aan de overige weren van [verweersters] (onder 2.7)
b. Het hof stelt voorop dat een decharge zich niet uitstrekt tot informatie waarover een individuele aandeelhouder uit anderen hoofde – buiten het verband van de algemene vergadering van aandeelhouders – de beschikking heeft gekregen, of tot gegevens die niet uit de jaarrekening blijken of niet anderszins aan de algemene vergadering van aandeelhouders zijn bekend gemaakt voordat deze de jaarrekening vaststelde (HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243). (onder 3.8)
c. In de jaarstukken 2003 van Pluvezo, welke rechtsgeldig door [betrokkene 4] namens [B] zijn ondertekend, is opgenomen dat door Pluvezo aan [verweerster 2] Oirlo een lening is verstrekt zonder dat daarvoor zekerheden zijn gesteld. (onder 3.9)
d. In de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders (hierna ook: de AVA) van 15 februari 2005 is vermeld dat de jaarrekening van 2003 ongewijzigd is vastgesteld en dat decharge aan de directie over het boekjaar 2003 wordt verleend. De notulen zijn namens [B] rechtsgeldig door [betrokkene 4] als voorzitter en [betrokkene 3] als notulist ondertekend. (onder 3.10)
e. Het door LTB adviseurs en accountants (rechtsvoorganger van [betrokkene 5] ) op 8 juni 2004 verzonden conceptbesluit tot dechargeverlening van [verweerster 1] is door [betrokkene 2] niet ondertekend retour ontvangen. Pluvezo heeft onvoldoende onderbouwd waarom die omstandigheid met zich zou brengen dat de dechargeverlening van 15 februari 2005 geen of beperkt effect zou sorteren. Voorts is in dat verband onvoldoende toegelicht waarom Pluvezo in 2012 eerst [betrokkene 5] , als adviseur, in rechte heeft betrokken op grond van het geven van onjuist advies met betrekking tot de dechargeverlening, terwijl zij in april 2008 reeds aan [verweerster 2] schreef dat zij schadeloos gesteld wilde worden voor de aan [verweerster 2] Oirlo verstrekte leningen. (onder 3.11-3.12)
f. Pluvezo heeft niet aangetoond waarom de decharge van 15 februari 2005, terwijl de ongesecureerde lening uit de jaarstukken bleek, redelijkerwijs een ander rechtsgevolg zou moeten hebben dan uit de notulen blijkt. (onder 3.13)
g. Op 15 februari 2005 is door de AVA voor het boekjaar 2003 decharge verleend aan [verweerster 1]. Alle aan de AVA bekende bestuurshandelingen, waaronder het verstrekken van de ongesecureerde leningen aan [verweerster 2] Oirlo, vallen onder de decharge. Hierdoor kan [verweerster 1] niet door Pluvezo worden aangesproken wegens een onbehoorlijke vervulling van haar taak. Daarmee strandt eveneens de vordering jegens [verweerster 2]. (onder 3.14)
h. Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Pluvezo. (onder 3.15)
2.5
Bij procesinleiding van 7 februari 2023 heeft Pluvezo tijdig cassatieberoep ingesteld. [verweersters] hebben een verweerschrift ingediend dat strekt tot verwerping van het cassatieberoep. [verweersters] hebben vervolgens hun standpunten schriftelijk doen toelichten. [6]

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
De klachten van het middel richten zich alle tegen rechtsoverwegingen 2.7 en 3.1 tot en met 3.14, hiervoor 2.4 samengevat. Het middel bestaat uit één onderdeel, dat uiteenvalt in twee subonderdelen.
3.2
Subonderdeel 1.1gaat uit van de opvatting dat besluiten van organen van rechtspersonen, en dus ook het dechargebesluit, naar objectieve maatstaven moeten worden uitgelegd en wel aan de hand van de cao-norm. Volgens Pluvezo heeft hof miskend dat het dechargebesluit moet worden uitgelegd aan de hand van de bewoordingen van het besluit, de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen en de redelijkheid van de uitkomst van de desbetreffende interpretatie. [7]
3.3
Voor de opvatting dat besluiten van organen van rechtspersonen naar objectieve maatstaven moeten worden uitgelegd, is veel te zeggen. Besluiten werken tegenover een ieder die bij de rechtspersoon zijn betrokken, waaronder ook tegen toekomstige aandeelhouders en bestuurders. Dat dit verder gaat dan de werking die een obligatoire overeenkomst heeft tegenover een bijvoorbeeld krachtens derdenbeding bij de overeenkomst betrokken derde [8] respectievelijk tegenover een partij aan wie een aan de overeenkomst ontleend vorderingsrecht is gecedeerd, [9] blijkt uit art. 2:16 lid 1 BW Pro. [10] Volgens die bepaling is de onherroepelijke uitspraak die de nietigheid van een besluit van een rechtspersoon vaststelt of zulk een besluit vernietigt,
bindend voor een iederindien de rechtspersoon partij in het geding is geweest, behoudens herroeping of derdenverzet. Slechts voor besluiten met externe werking bevat het tweede lid van art. 2:16 BW Pro een uitzondering op dit uitgangspunt ten behoeve van wederpartijen van de rechtspersoon te goeder trouw. De werking
erga omnesvan een rechterlijke uitspraak die de nietigheid van een besluit vaststelt of dit besluit vernietigt, veronderstelt spiegelbeeldig dat geldige besluiten eveneens
erga omneswerken jegens allen die krachtens wet of statuten bij de rechtspersoon zijn betrokken. Anders gezegd, besluiten van een orgaan van een rechtspersoon maken deel uit van de interne rechtsorde van die rechtspersoon. [11] Uiteraard is dat een krachtig argument voor uitleg volgens objectieve maatstaven.
3.4
Veel literatuur neemt inderdaad tot uitgangspunt dat besluiten van organen van rechtspersonen naar objectieve maatstaven moeten worden uitgelegd. Er zijn echter ook schrijvers die aandacht vragen voor nuances. Die nuances houden verband met de grote variëteit van besluiten. Een besluit tot toelating of royement van een individueel lid van een vereniging is in theorie niet minder bindend voor allen die binnen de interne verhoudingen van die vereniging figureren, dan enig ander besluit van die rechtspersoon, maar dat is inderdaad vooral
theorie. In gewone gevallen zullen bij een zodanig besluit de belangen van anderen niet of nauwelijks betrokken zijn. Aan de andere zijde van het spectrum bevinden zich besluiten die een groot aantal personen aangaan en die alleen kunnen worden vastgesteld met instemming van meerdere organen van de rechtspersoon en waarvoor eventueel ook bijzondere publicatie-eisen gelden. Vergelijk een conclusie van mijn voormalige collega A-G Timmerman, die de uitlegmaatstaf voor de uitleg van statuten (volgens hem de cao-norm [12] ) als volgt vergelijkt met die van
bepaaldebesluiten: [13]
‘De overwegingen die pleiten voor een objectieve uitleg van statuten gelden m.i. eveneens voor de uitleg van een besluit tot delegatie van de uitgiftebevoegdheid, tot uitgifte van aandelen en tot verlening van een optie. Ook deze besluiten zijn bindend voor een groot aantal personen en worden dikwijls niet vastgesteld met instemming van de meeste bij de vennootschap betrokkenen; zo werkt bijvoorbeeld de emissiemachtiging (art. 2:96 lid Pro 1) in beginsel privatief en heeft daarom gevolgen voor de positie van toekomstige aandeelhouders. De besluiten zijn bovendien van belang voor derden zoals crediteuren: immers, het eigen vermogen wordt beïnvloed door de uitgifte van aandelen. Voor wat betreft uitgifte en verlening van een optie geldt bovendien dat de volledige tekst van het besluit bij de Kamer van Koophandel voor eenieder ter inzage wordt gelegd (art. 2:96 lid 5 jo Pro. lid 3). Ik meen daarom dat ook een besluit tot (emissie)machtiging en tot het verlenen van een optie moet worden uitgelegd aan de hand van de tekst van het besluit en niet (tevens) aan de hand van de notulen van de vergadering of andere geschriften die de vennootschap heeft opgemaakt; daarbij kan inspiratie worden geput uit de CAO-norm.’
3.5
In verband met de grote variëteit van besluiten dunkt het mij weinig verstandig om ons vast te leggen op de cao-norm of een vergelijkbare (in beginsel) strikt-objectieve uitlegmaatstaf voor álle besluiten van rechtspersonen. Het citaat van A-G Timmerman laat ook zien dat ook in de gevallen waarin uitleg naar objectieve maatstaven zonder meer geïndiceerd is, dit niet steeds op dezelfde wijze uitwerkt. Geldt een publicatievereiste, dan ligt voor de hand dat bij de uitleg van het besluit alleen de inhoud van de (verplicht) gepubliceerde stukken in aanmerking komt. In andere gevallen zullen ook andere documenten bij de uitleg van het besluit mogen worden betrokken, zo vaak als die documenten voor relevante in de rechtspersoon betrokkenen kenbaar waren.
3.6
Kortom, hoewel er argumenten zijn voor een uitgangspunt volgens welke de uitleg van besluiten van organen van een rechtspersoon
in beginselnaar objectieve maatstaven dient plaats te vinden, wordt de invulling van dat uitgangspunt mijns inziens nader door de aard van het besluit bepaald. Dat geldt ook voor de ruimte die er is om toch ook niet-objectieve uitlegargumenten in de afweging te betrekken. Betreft een besluit in praktische zin slechts een of meer individuele betrokkenen, dan dunkt mij niet op voorhand onjuist een uitleg die mede (of zelfs vooral) let op de betekenis die een zodanige individuele betrokkene aan het besluit redelijkerwijs heeft mogen toekennen en in dat verband redelijkerwijs heeft mogen verwachten. [14]
3.7
Ik merk nog op dat mijns inziens de kwestie van uitleg van besluiten niet geheel vergelijkbaar is met die van de uitleg van statuten. Er wordt wel gezegd dat behalve de statuten van een rechtspersoon ook de besluiten van haar organen een ‘objectiefrechtelijk karakter’ dragen. [15] Hoewel juist is dat besluiten deel uitmaken van de interne rechtsorde van de rechtspersoon (hiervoor 3.3), is enige relativering mijns inziens op zijn plaats. [16]
3.8
Evenals de wet, normeren de statuten het handelen van de organen van de rechtspersoon en andere bij de rechtspersoon betrokkenen
voor een onbepaald aantal gevallen.Uitleg van een bepaling in de statuten raakt daarmee naar zijn aard ook toekomstige gevallen (tot het moment van een formele statutenwijziging). Dat is een goede reden voor de rechter om voorzichtig te zijn om de uitleg van statuten toe te snijden op de belangen van de betrokkenen in een bepaald geschil. Om die reden bepleitte ik eerder [17] dat statuten (strikt) objectief moeten worden uitgelegd en dat een uitkomst die in verband met individuele omstandigheden wenselijk is, op andere wijze dan door uitleg behoort te worden bereikt, namelijk aan de hand van de inhoud van een (stilzwijgende) aandeelhoudersovereenkomst of de werking van redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW Pro (volgens het procedé van differentiëren en combineren [18] ).
3.9
Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon deelt weliswaar met statuten dat het alle bij de rechtspersoon betrokkenen bindt (de hiervoor 3.3 benoemde werking
erga omnes), maar die binding ziet enkel op het besluit zelf en niet ook op toekomstige gevallen. Als de algemene vergadering van aandeelhouders van een vennootschap op 5 december 2023 besluit tot het uitkeren van een dividend van 7%, raakt de uitleg van dat besluit allen die in de rechtspersoon op een of andere wijze zijn betrokken, maar die uitleg bepaalt niet de inhoud van toekomstige besluiten over het al dan niet toekennen van een volgende dividenduitkering. Binnen de grenzen van wet, statuten en redelijkheid en billijkheid kan een besluit zelfs met een nieuw besluit geheel of gedeeltelijk terzijde worden gesteld.
3.1
Kortom, voor een objectieve uitlegmaatstaf bij de uitleg van statuten bestaan (ten minste) twee argumenten: werking
erga omnesen werking
erga omnia. [19] Voor objectieve uitleg van besluiten geldt alleen het eerste argument en niet het tweede. Niettemin zal bijvoorbeeld bij de uitleg van een dividendbesluit of een besluit tot inkoop van aandelen van een NV alle nadruk moeten liggen op objectieve uitlegargumenten, zodat alle aandeelhouders uniform worden behandeld en ook geen ongelijk speelveld ontstaat tussen hen die kennis hebben van wat in achterkamertjes aan het besluit voorafging ten opzichte van hen die zulke kennis missen. [20] Wat een
individueleaandeelhouder meer of anders heeft begrepen, gedacht of verwacht dan uit openbare stukken kan worden afgeleid, komt bij een zodanig besluit redelijkerwijs dus niet in aanmerking. Daarentegen geldt bij de uitleg van een besluit van het bestuur van de plaatselijke postduivenvereniging tot toelating of royement van een individueel lid, dat mee mag wegen wat dit individuele lid redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen en mogen verwachten. Sterker, mij dunkt dat dit laatste perspectief in gewone gevallen doorslaggevend behoort te zijn.
3.11
Ik keer terug naar de klachten van het subonderdeel.
3.12
Uit het voorgaande volgt dat mijns inziens niet vanzelfsprekend juist is dat besluiten van organen van rechtsperspersonen steeds aan de hand van de cao-norm moeten worden uitgelegd. Zou dit al wél juist zijn, dan treft het subonderdeel mijns inziens nog steeds geen doel.
3.13
Een besluit tot het verlenen van decharge komt neer op afstand door de rechtspersoon van de rechtsvordering [21] uit hoofde van niet-behoorlijke taakvervulling jegens een bestuurder (of commissaris). [22] Het tot een zodanig besluit bevoegde orgaan is de algemene vergadering van aandeelhouders.
3.14
Ten behoeve van de lezer citeer ik de notulen en het daarin opgenomen besluit zoals dat in deze zaak voorligt:
‘Vaststellen jaarrekening 2003:
De door de directie op 15 december 2004 opgemaakte jaarrekening, zoals uitgebracht in het rapport van LTB Adviseurs en Accountants, wordt ongewijzigd vastgesteld;
Resultaat 2003:
De winst ad € 572.273 wordt toegevoegd aan de algemene reserve.
Décharge directie:
Aan de directie wordt voor het boekjaar 2003 décharge verleend.’ [23]
3.15
Het hof heeft in rechtsoverweging 3.8 onder verwijzing naar het arrest van uw Raad van 10 januari 1997 [24] onder meer tot uitgangspunt gekozen dat niet-openbare informatie waarover een individuele aandeelhouder beschikt, niet de inhoud van een dechargebesluit bepaalt. Dat past zeer goed bij een uitleg van het besluit naar objectieve maatstaven. In rechtsoverweging 3.9 onderzoekt het hof de inhoud van de jaarstukken 2003 aan de hand van de bewoordingen daarvan en kent het waarde toe aan de tijdstippen van de bestuurswisseling ( [B] was vanaf 1 mei 2004 bestuurder van Pluvezo) respectievelijk de samenstelling en ondertekening van de jaarstukken (op 15 december 2004). Ook dat past geheel en al bij een objectieve uitleg van het naar aanleiding van de jaarstukken genomen besluit tot decharge. In rechtsoverweging 3.10 onderzoekt het hof vervolgens de inhoud van het dechargebesluit aan de hand van de tekst van de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders van 15 februari 2005 en stelt het vast door wie de notulen zijn ondertekend, alsook dat de rechtsgeldigheid van die ondertekening niet ter discussie staat. Ook dat zijn gegevens van objectieve aard.
3.16
Voor het eerst in rechtsoverwegingen 3.11 en 3.12 onderzoekt het hof omstandigheden die niet een objectief karakter dragen. Dit doet het hof echter in reactie op hetgeen
van de zijde van Pluvezowas aangevoerd. Pluvezo had zich namelijk beroepen op de inhoud van een brief van de fiscalist of accountant van partijen, namelijk [betrokkene 2] van [betrokkene 5] , (langdurige) gesprekken tussen haar en [betrokkene 5] , en de beweerde veronderstelling bij de bestuurders die de notulen hebben getekend dat die notulen een ‘standaard stuk’ waren dat ‘nu eenmaal getekend’ moest worden. Het hof acht een en ander volgens rechtsoverweging 3.11 niet overtuigend en voegt daar in rechtsoverweging 3.12 aan toe dat (daar komt het op neer) uit het gedrag van Pluvezo lijkt te volgen dat zij ook zelf lange tijd het dechargebesluit aldus heeft uitgelegd dat ten opzichte van [verweersters] afstand was gedaan ter zake van het in de jaarrekening 2003 verantwoorde beleid, waaronder het verstrekken van leningen aan [verweerster 2] Oirlo B.V tegen 5,25%
zonder zekerheden.Onder 3.13 komt het hof dan tot de slotsom dat het betoog van Pluvezo niet tot iets anders leidt dan de uitleg die het hof naar aanleiding van de eerder bedoelde objectieve gegevens aanvaardt, namelijk dat het dechargebesluit mede ziet op het handelen van [verweersters] met betrekking tot de ongesecureerde leningen.
3.17
Kortom, voor zover het hof voor de uitleg van het dechargebesluit niet-objectieve gegevens heeft onderzocht, draagt dit zijn beslissing niet. Nog wat anders gezegd: uiteraard heeft Pluvezo er geen belang bij zich erover te beklagen dat door haarzelf aangevoerde uitlegargumenten van niet-objectieve aard door het hof serieus zijn onderzocht.
3.18
Dat het hof wel degelijk ervan is uitgegaan dat het dechargebesluit moet worden uitgelegd aan de hand van onder meer de bewoordingen van het besluit, is evident. Ik zie ook geen reden voor de lezing volgens welke het hof niet zou hebben gelet op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene dan wel andere interpretatie. Mij dunkt dat dit juist hetgeen is waarnaar het hof klaarblijkelijk in zijn overwegingen op zoek is geweest en wel aan de hand van de hiervoor bedoelde objectieve gegevens.
3.19
De steller van het middel spreekt nog van ‘de redelijkheid van de uitkomst van de desbetreffende interpretatie’ als gezichtspunt. Uit het vervolg van het subonderdeel [25] blijkt dat hij het oog heeft op diverse omstandigheden die niet uit de notulen of andere objectieve gegevens blijken, waaronder de bedoeling van [betrokkene 1] persoonlijk en hetgeen [verweersters] daaromtrent hadden moeten begrijpen. Dat is uiteraard strijdig met zijn pleidooi voor objectieve uitleg.
3.2
Het subonderdeel vervolgt met motiveringsklachten, nog steeds uitgaande van de opvatting dat uitleg van het dechargebesluit aan de hand van objectieve maatstaven dient plaats te vinden.
3.21
Diverse van de door de klachten vermelde stellingen passen niet bij uitleg naar objectieve maatstaven (vergelijk hiervoor). Verder geldt dat cassatie vanzelfsprekend geen derde feitelijke instantie is. Ik meen mij daarom in de bespreking van deze klachten te kunnen beperken. Mijns inziens slagen de bedoelde klachten geen van alle.
3.22
Het hof heeft vastgesteld dat de geldleningen in de jaarrekening 2003 zijn verantwoord en wel met de uitdrukkelijke vermelding dat geen zekerheden zijn gesteld. De tekst van de notulen houdt uitdrukkelijk in dat ‘aan de directie’ decharge wordt verleend ‘voor het boekjaar 2003’. Het hof heeft aan die verklaring de betekenis gegeven dat aan
[verweersters]decharge is verleend. Mede in het licht van de omstandigheden dat [verweersters] het gehele kalenderjaar 2003 (indirect) de directie van Pluvezo vormden, is dat mijns inziens een alleszins begrijpelijke uitleg. Het alternatief is een uitleg volgens welke de verklaring dat decharge werd verleend, op de per 1 mei 2004 aangetreden directie zag (namelijk [B] ). Die decharge zou dan echter uit de aard der zaak niet kunnen zien op het in de jaarrekening verantwoorde beleid, maar enkel op het opstellen van de jaarrekening als zodanig. Bij mijn weten is zoiets ongebruikelijk; een decharge zoals die bij gelegenheid van het vaststellen van een jaarrekening plaatsvindt, ziet op het in die jaarrekening verantwoorde beleid. [26] Los daarvan is het de vraag wat een decharge die alleen ziet op
het opstellen vande jaarrekening, aan vaststelling en dus goedkeuring van die jaarrekening zou kunnen toevoegen. Dat het hof een uitleg volgens welke de uitdrukkelijk verleende decharge in feite niets voorstelde, niet aannemelijk heeft geacht, dunkt mij alleszins begrijpelijk.
3.23
Mijns inziens had het allemaal genuanceerder gelegen als [verweersters]
in de loop van2003 als bestuurders waren gedefungeerd en door [B] vervangen. Dan zou een uitleg volgens welke alleen jegens het zittende en niet mede jegens het voormalige bestuur (‘directie’) afstand werd gedaan, belangrijk aan overtuigingskracht hebben kunnen winnen. [27]
3.24
Voor zover de steller van het middel meent dat beslissend is dat het dechargebesluit niet uitdrukkelijk vermeldt dat aan [verweersters] ook ter zake van het aangaan van de leningen decharge werd verleend, [28] vergist hij zich. Ook zonder een zodanige uitdrukkelijke vermelding is de uitleg mogelijk dat de decharge mede op de leningen zag. Die leningen en hun ongesecureerde karakter waren immers in de jaarrekening 2003 vermeld en dus aan de algemene vergadering van aandeelhouders vooraf bekendgemaakt. Mijns inziens behoeft eerder een decharge die slechts op een deel van het in de jaarrekening verantwoorde beleid ziet een uitdrukkelijke vermelding in die zin, dan andersom. Intussen behoort de vraag of een beperkte uitleg van het dechargebesluit in een gegeven geval aangewezen is, hoe dan ook tot het domein van de rechter die over de feiten oordeelt.
3.25
De steller van het middel voert aan dat Pluvezo bij het verlenen van decharge aan het oude bestuur met betrekking tot de leningen in 2003 geen belang had. [29] De plaatsen waarnaar de klacht verwijst, houden echter in dat
[betrokkene 1](niet Pluvezo) geen belang had. [30] De klacht mist dus feitelijke grondslag.
3.26
Ten overvloede nog het volgende. Juist lijkt mij dat de bedoelde decharge niet rechtstreeks een eigen belang van Pluvezo dient. Dat geldt voor dechargebesluiten echter in feite altijd. Niettemin wordt volop decharge verleend in het belang van de goede verhoudingen met bestuurders, voormalige bestuurders daaronder begrepen. Los daarvan geldt dat het ontbreken van belang bij Pluvezo niet meer dan een gezichtspunt is dat door het hof moest worden afgewogen tegen onder meer het gezichtspunt van de bewoordingen van het besluit en de betekenis die naar objectieve maatstaven aan die bewoordingen moeten worden gehecht, op welke betekenis betrokkenen moeten kunnen vertrouwen. De aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene dan wel een andere uitleg van een dechargebesluit wordt dus door (veel) meer bepaald dan alleen het belang van de vennootschap.
3.27
Subonderdeel 1.2voert aan dat bij toepassing van de
Haviltex-maatstaf het oordeel van het hof onjuist althans onbegrijpelijk is.
3.28
Uit wat hiervoor 3.5 e.v. is gezegd, volgt dat ik niet op voorhand afwijzend sta tegenover een uitleg van besluiten van organen van rechtspersonen die mede let op gegevens met een niet-objectief karakter. Daarvoor zou hier kunnen pleiten dat het aantal betrokkenen bij de rechtspersoon van Pluvezo beperkt is. Dit betekent nog niet dat ik meen dat de klachten van het subonderdeel dienen te slagen. Volgens de eigen stellingen van Pluvezo is van de zijde van [verweersters] herhaaldelijk aangedrongen op het verlenen van decharge over het jaar 2003, maar heeft [betrokkene 1] dit steeds geweigerd in verband met het aangaan van de niet-gesecureerde geldleningen. [31] Allerminst onbegrijpelijk dunkt mij dat, volgens hetgeen in het oordeel van het hof besloten ligt, [verweersters] het dechargebesluit zo hebben begrepen en mochten begrijpen dat [betrokkene 4] en [betrokkene 3] , als bevoegde vertegenwoordigers van Pluvezo met hun herhaalde wens (alsnog) instemden. De suggestie van Pluvezo dat dit uitsluitend berustte op onjuiste, althans dubieuze voorlichting door [betrokkene 5] , heeft het hof in rechtsoverweging 3.11 onvoldoende onderbouwd geoordeeld, onder verwijzing naar onder meer de wetenschap van de ongesecureerde lening bij in ieder geval [betrokkene 4] , de deskundigheid van [betrokkene 4] en [betrokkene 3] beide en de ruime tijd van beraad voor hen tussen het opstellen van de jaarstukken (15 december 2004) en de vergadering waarin het dechargebesluit is genomen (15 februari 2005). Een en ander dunkt mij allerminst onbegrijpelijk.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Uw Raad heeft onder in het arrest 4 oktober 2019 onder 2.1 feiten opgesomd. Die opsomming is uiteraard toegespitst op het geschil zoals dit in het eerste cassatieberoep voorlag, dus met betrekking tot het beroep van [verweersters] op verjaring.
2.Hof Arnhem-Leeuwarden 8 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9509.
3.HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1489.
4.Hof Arnhem-Leeuwarden 8 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9509.
5.Rb Limburg 13 mei 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:3957.
6.Ik vermeld nog dat de door de cassatieadvocaten gefourneerde procesdossiers niet gelijk van inhoud zijn, als volgt.
7.Procesinleiding in cassatie onder 24.
8.Uitleg van derdenbedingen geschiedt in het algemeen aan de hand van de
9.Een cessionaris is voor de toepassing van het uitlegleerstuk niet te beschouwen als een derde, maar als rechtsopvolger van de cedent. Zie HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:148, NJ 2018/422 m.nt. H.J. Snijders (Dammer c.s./Lecc c.s.), onder 3.4.1. Vergelijk H.N. Schelhaas & W.L. Valk,
10.Het verband tussen de uitlegmaatstaf voor besluiten van de organen van rechtspersonen en art. 2:16 BW Pro wordt onder meer ook gelegd door
11.Conclusie A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2010:BN8533), onder 3.9, vóór HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8533.
12.Vergelijk met betrekking tot de maatstaf voor de uitleg van statuten onder meer
13.Conclusie A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2010:BM0976) vóór HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, onder 3.7.4.
14.In vergelijkbare zin K.A.M. van Vught,
16.Vergelijk eventueel ook het ‘objectiefrechtelijke karakter’ van (zelfs) een overeenkomst, naar luid van art. 1374 lid 1 BW Pro (oud): ‘Alle wettiglijk gemaakte overeenkomsten strekken dengenen die dezelve hebben aangegaan tot wet.’ Bij mijn weten is die bepaling nooit gebruikt als argument voor objectieve uitleg van overeenkomsten.
17.Conclusie A-G Valk (ECLI:NL:PHR:2019:768) onder 3.2 e.v. (samengevat onder 3.20), vóór ECLI:NL:HR:2019:1688, JOR 2020/25 m.nt. J.A.M. ten Berg.
18.H.N. Schelhaas & W.L. Valk,
19.Dat wil zeggen, werking in alle door de desbetreffende bepaling uit de statuten beheerste bestaande en toekomstige gevallen.
20.Vergelijk de dubbele bestaansgrond van de cao-norm volgens HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687, NJ 2017/114 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (
21.Niet: ‘vorderingsrecht’. Vergelijk C. Spierings,
22.Vergelijk bijvoorbeeld B.F. Assink & W.J. Slagter,
23.Inleidende dagvaarding, productie 4.
24.HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243, NJ 1997/360 m.nt. J.M.M. Maeijer.
25.Procesinleiding in cassatie onder 25 ad (iii), p. 8-9.
26.Bijvoorbeeld
27.Vergelijk in dit verband Asser/Kroeze 2-I 2021/565.
28.Vergelijk procesinleiding in cassatie onder 25 ad (i), p. 7.
29.Procesinleiding in cassatie onder 25 ad (i), p. 7-8.
30.Zie de citaten uit de conclusie van repliek en de memorie van grieven in voetnoot 27 van de procesinleiding in cassatie.
31.Inleidende dagvaarding onder 3.9 en 3.14.