Conclusie
Inleiding
Het middel
De tenlastelegging in hoger beroep
et oordeel van het hof
Vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde
Het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep
nurse. Ik sprak haar aan met ‘mevrouw’. Ik weet niet meer of ik haar het sms-bericht van 16 maart 2014 heb gestuurd. Het is lang geleden. Ik weet niet meer of ik een sms heb gestuurd met de instructie dat [betrokkene 5] en [betrokkene 4] niet mochten zeggen dat ze voor mij kwamen werken. Als ik niet wilde dat zij dat zouden zeggen, had ik mijn naam niet genoemd.
De verdachte huilt.)
sir’, dat is heel gewoon in Singapore en Indonesië. Ik heb de komst van de aangeefsters geregeld met het geld van onze gezamenlijke rekening. Ik bepaalde alles en betaalde met zijn geld. [medeverdachte] heeft nooit contact gehad met de tussenpersonen in Indonesië. Ik regelde alles, en vertelde het dan pas tegen hem. Ik heb [medeverdachte] nooit tegen de aangeefsters horen zeggen dat zij nog een schuld zouden hebben.
I. Inleiding:
[verdachte] is aardig en ik beschouw haar als familie. Ik ben hier gekomen om te werken en geld te verdienen en voel mij eigenlijk niet benadeeld.” Kort daarvoor heeft [betrokkene 4] verklaard dat ze had afgesproken dat ze zou gaan werken van minimaal 07:00 uur tot 19:00 uur en dat 7 dagen in de week.
arm en dan nog praatjes ook. te erg’. En “
Die [betrokkene 1] is een gevangene zolang de schuld nog niet is afbetaald (…)”
Die [betrokkene 1] is een gevangene zolang de schuld nog niet is afbetaald (...)” en “
Daarom kan je maar beter dit slechte familie van je zo snel mogelijk helpen om haar schulden aan mij te betalen. Zodat ze snel uit mijn huis kan oprotten. Zo niet dan kan mijn huis steeds maar doorgeteisterd worden door het ongeluk door die duivelse vrouw.” En “
Hahaha wees er maar klaar voor dat jullie twee worden opgepakt ja ik heb al aangifte gedaan bij de politie omdat jullie spullen van anderen hebben geroofd. Typisch voor iemand uit [plaats] , vervloekt, dat ie snel dood mag gaan. Hoer.” En “
[betrokkene 13] de vader van die [betrokkene 1] is gek dat hij belde en met van alles bedreigt ja haha, hij denkt dat ik bang ben ja. Echt allemaal geestesziek bij die familie, arm en dan nog praatjes ook, te erg. (...) typisch een onrein gezin te erg moge honderd babies nakomelingen het moeilijk krijgen allemaal in armoede blijven van die familie van leugenaars en bedreigers. Laat ze doodgaan.”
(...) en wanneer er problemen zijn op het vliegveld dat zij niet zeggen dat ik hen heb uitgenodigd om voor [verdachte] te werken dat ze dat niet eerlijk zeggen.”
Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en bet economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.”
Gewezen wordt op A.06 088-090: betreffende de OVchipkaart aangeschaft voor aangeefster Z3 in de periode dat zij bij cliënten verbleef. Op welke manier strookt dat met haar uitspraak dat zij niet zelfstandig naar buiten mocht en niet zelf kon reizen? Voorts wordt gewezen op
A.06 096-099: betreffendeeen OV chipkaart aangeschaft voor aangeefster Z1 in de periode dat zij bij cliënten verbleef. De aangeefsters hadden de beschikking over allerlei communicatiemiddelen met internetverbindingen, zoals Iphones, Ipads, computergebruik en bleken, zoals uit het forensisch onderzoek ook blijkt een zeer sociaal internetleven op na te houden, o.a. zoals [betrokkene 1] (ZD1) door middel van SMS en Emailverkeer met haar ex op de zwarte Acer van cliënte. Aangeefster [betrokkene 2] (ZD3) bleek allerlei contacten te hebben met verschillende mannen in Nederland, Iran en ook afspraken te hebben daarmee. Zij bleek ook een eigen Tablet te hebben gekregen voor haar internetgebruik van cliënt.
Overigens acht de rechtbank naast een aantal dwangmiddelen in ieder geval de gedragingen waarin sprake was van huiselijk geweld, maar niettemin ziet de rechtbank in die zaak geen causaliteit tussen het (blijven) werken in de prostitutie en de dwangmiddelen. De rechtbank legt weliswaar de relatie tussen de ongelijkwaardigheid en het huiselijk geweld maar acht niet aannemelijk dat verdachte van de kwetsbare positie van het slachtoffer misbruik heeft gemaakt. De rechtbank benoemt de kwetsbaarheid van het slachtoffer maar ziet kennelijk in het feit dat zij voordat zij verdachte kende al in de prostitutie zat aanleiding om haar te zien als 'mondige Nederlandse prostituee en spreekt verdachte vrij van mensenhandel huisvesting en vervoeren bewezen, maar acht de intentie om er financieel beter van te worden niet aanwezig en spreekt ook van sub 1 vrij.
Het juridisch kader
NJ2010/598, m.nt. Buruma (in het bijzonder randnummers 32-48). [11] Daarin neemt hij, onder verwijzing naar de totstandkomingsgeschiedenis van art. 273a (oud) Sr, dat nadien is vernummerd tot het tegenwoordige art. 273f Sr, evenals het daaraan ten grondslag liggende ‘Palermo protocol’ inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, het standpunt in dat arbeidsuitbuiting nadrukkelijk ook onder de reikwijdte van de strafbepaling van art. 273f Sr valt. Daaronder kunnen niet enkel “excessen”, maar ook minder ernstige vormen van uitbuiting worden gebracht, aldus Knigge. Hij vindt daarvoor onder meer steun in de memorie van toelichting bij de wetswijziging van art. 273a (oud) Sr in 2005, waarin de wetgever als voorbeeld van uitbuiting “een extreem lange werkweek tegen onevenredig lage betaling onder slechte werkomstandigheden” beschrijft en ook erkent dat de strafbaar gestelde gedragingen niet alleen in aard, maar ook in ernst van elkaar kunnen verschillen. [12] Knigge concludeert tegen die achtergrond dat bij de vraag of sprake is van “vergelijkbare praktijken” niet alleen gekeken moeten worden naar “excessen”, oftewel naar zaken waarin het slachtoffer zich in een situatie bevindt die even “erg” is als in het geval van dwangarbeid, slavernij of dienstbaarheid. Als het wel enkel om “excessen” ging, zou een groot deel van uitbuiting buiten beeld blijven, hetgeen naar mijn inzicht, gezien de doeleinden die met de strafbaarstelling van mensenhandel worden beoogd en de belangen die deze bepaling tracht te beschermen [13] , allerminst wenselijk is.
smokkelen de ratio achter de strafbaarstelling willen duiden en niet een aanvullende maatstaf geformuleerd waaraan de rechter dient te toetsen. [15] Ook in het licht van de onderliggende internationaalrechtelijke verplichting tot strafbaarstelling van mensenhandel menen zij dat terughoudend dient te worden omgegaan met het stellen van extra eisen. [16]
NJ2019/207, m.nt. Reijntjes, aan op een weging van indicaties en contra-indicaties. Ik citeer hem (met weglating van de voetnoten):
De bespreking van het middel
gevangenezolang de schuld nog niet is afbetaald (…)” (cursivering door mij, AG). Alles overziend laten de vastgestelde omstandigheden waaronder de aangeefsters tewerkgesteld werden en de kwetsbare en afhankelijke positie waarin zij in dat kader verkeerden zich mijns inziens niet wel verenigen met het oordeel dat de beperkingen die daaruit voortvloeiden niet van een dusdanige aard waren dat sprake was van het oogmerk van uitbuiting of een uitbuitingssituatie.
Slotsom