Conclusie
1.Inleiding
2.De procesgang
3.Het eerste middel
eerste deelklachthoudt in dat het oordeel van het hof “louter lijkt te rusten op de door de verdediging in eerdere procesfase gedane afstand van deze getuige”, terwijl “niet of niet zonder meer gesteld kan worden dat deze afstand of waiver zich ook uitstrekt tot de procesfase na terugwijzing door de Hoge Raad”. [2]
tweede deelklacht(inhoudende dat na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad sprake is “van de door Keulen genoemde situatie dat er een ander licht is geworpen op de feiten en omstandigheden (…) bij het begin van de berechting – in casu de eerste procedure in hoger beroep – [zo]dat verdachte en diens raadsman niet aan die eerdere afstandsverklaring kunnen worden gehouden”) [13] , geen bespreking meer behoeft. Datzelfde geldt voor het
tweede cassatiemiddelwaarin wordt geklaagd over het oordeel van het hof met betrekking tot de schending van de redelijke termijn in de feitelijke instanties. Mocht de Hoge Raad hierover anders denken, dan ben ik bereid aanvullend te concluderen.