Conclusie
1.Het cassatieberoep
1. subsidiair: “poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”;
2. eerste en tweede alternatief: “eendaadse samenloop van: voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is”;
2. vierde alternatief: “voorbereiding van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met een terroristisch oogmerk als bedoeld in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht”;
2. vijfde alternatief: “eendaadse samenloop van handelen met het oogmerk tot voorbereiding van opzettelijk brandstichten/een ontploffing te weeg brengen met een terroristisch oogmerk, voorbereiding van doodslag met een terroristisch oogmerk en voorbereiding van moord met een terroristisch oogmerk”,
2.Het eerste middel
De zaak Primera
Overweging met betrekking tot het bewijs
1. Ten aanzien van feit 1
Niet ter discussie staat dat [slachtoffer 1] heeft geprobeerd [slachtoffer 2] , medewerkster van de Primera, te dwingen geld af te geven. De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat [slachtoffer 1] niet heeft getracht zelf het geld weg te nemen(diefstal) en zal verdachte dan ook van het primair tenlastegelegde vrijspreken.
- dat hij tijdens de overval contact heeft gehouden met [slachtoffer 3] die op dat moment zich had op de Primera en
- dat verdachte zou delen in de buit.
- Hieruit leidt het hof af dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en dat de rol van verdachte bij de voorbereiding en de uitvoering van voldoende gewicht is geweest om hem aan te merken als medepleger.”
3.Het tweede middel
NJ2015/225, m.nt. Vellinga-Schootstra vertoont enige gelijkenis met onderhavige zaak. Ook in die zaak was door de verdediging verzocht om geen langere vrijheidsstraf op te leggen dan door de verdachte in voorarrest reeds was ondergaan. Daartoe was onder meer gewezen op het tijdsverloop, de duur en de zwaarte van het voorarrest in verband met de gezondheidstoestand van de verdachte – die zwaar longpatiënt was – en overige omstandigheden rondom de straf, waaronder de vreemdelingenrechtelijke consequenties. De verdediging was van mening dat de verdachte al “dubbel en dwars” was gestraft. Het hof legde niettemin aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden op gelet op de aard en ernst van de gepleegde feiten en de daarmee aan de slachtoffers berokkende schade alsmede gelet op de omstandigheden dat de verdachte reeds vele malen voor vermogensdelicten was veroordeeld. Door het hof was in het geheel niet gereageerd op het verweer van de verdediging. (Toenmalig) AG Bleichrodt kwam dan ook tot de conclusie dat onder die omstandigheden in de strafmotivering geen antwoord kon worden gevonden op hetgeen was aangevoerd. Hij merkte daarover op: “het hof had naar mijn mening in geval van afwijking van het standpunt van de verdediging de oplegging van een vrijheidsbenemende straf die de duur van het voorarrest te boven gaat uitvoeriger en meer toegesneden op de omstandigheden van de verdachte moeten motiveren en daarmee op de argumentatie van de verdediging moeten ingaan” en ook dat hij zich daarbij realiseerde dat “geen al te hoge eisen mogen worden gesteld aan de responsieplicht in gevallen waarin de feitenrechter een ruime mate van vrijheid toekomt, zoals het geval is bij de beslissing over de straftoemeting”. De Hoge Raad oordeelde anders en overwoog onder meer dat “kennelijk en niet onbegrijpelijk het Hof het aangevoerde enkel [heeft] opgevat als een algemeen verzoek tot matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden. Het Hof behoefde de waardering van de bij de strafoplegging in aanmerking genomen factoren, waaronder de persoonlijke omstandigheden, niet (nader) te motiveren”.