Uitspraak
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: [eiser 1],
wonende te [woonplaats],
hierna: [eiser 2],
kantoorhoudende te Tiel,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
13 mei 2022.
Hoge Raad
In deze zaak is [A] B.V. failliet verklaard en is de curator opgekomen tegen de bestuurders [eiser 1] en [eiser 2], die respectievelijk bestuurder en indirect bestuurder waren. De curator vorderde dat zij aansprakelijk zouden worden gesteld voor het tekort in het faillissement wegens kennelijk onbehoorlijke taakvervulling.
De rechtbank wees de vorderingen toe en het hof bekrachtigde dit oordeel. Het hof oordeelde dat er sprake was van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling en zag geen aanleiding tot matiging van de aansprakelijkheid op grond van artikel 2:248 lid 4 BW Pro. Het hof vond dat de limitatieve opsomming van matigingsgronden in deze bepaling geen ruimte liet voor andere omstandigheden.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de opsomming in art. 2:248 lid 4 BW Pro limitatief is. De klachten van eisers dat het hof niet gemotiveerd zou hebben ingegaan op andere omstandigheden faalden. Het cassatieberoep werd verworpen en de bestuurders werden veroordeeld in de kosten van het geding.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de aansprakelijkheid van bestuurders wegens kennelijk onbehoorlijke taakvervulling zonder matiging.