Conclusie
Feit 1 subsidiair: medeplichtigheid aan mensenhandel
inCuraçao, tezamen en in vereniging anderen, te weten
andere onbekend geblevenpersonen,
Curaçao, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling,
hebbengedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten
hebbengetrokken uit de uitbuiting van die een of meer voornoemde slachtoffers/personen
hente bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde,
hebben[medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] ,
hetPapiaments en
deNederlandse taal niet of nauwelijks machtig waren en die slachtoffers (vrijwel) niemand kenden
inCuraçao en geen werkvergunningen en/of verblijfsvergunningen
inCuraçao hadden,
inCuraçao, behulpzaam is geweest door:
andere onbekend geblevenpersonen,
hebbenlaten/doen verrichten, terwijl [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] wisten dat die toegang en/of dat verblijf wederrechtelijk was,
Medeplichtigheid aan mensenhandel
Prostitutie en mensensmokkel / –handelLet op: In Curaçao doet zich het fenomeen ‘trago-meisje’ voor. Dit is een soort gedwongen prostitutie en uitbuiting van vooral ongedocumenteerde migranten. Het aanbieden maar ook het aannemen van deze diensten is streng verboden en strafbaar.” Dit aan een internetbron ontleende gegeven veronderstelt geen specialistische kennis – het is immers geplaatst op een website die een breed niet-ingevoerd publiek beoogt te informeren over de situatie ter plaatse in Curaçao – en de juistheid ervan lijkt mij redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar. Dat brengt mee dat het Hof heeft kunnen oordelen, zoals het kennelijk heeft gedaan, dat het in Curaçao – het land waar zich het fenomeen trago-meisje voordoet – een feit van algemene bekendheid is dat een trago-meisje een ongedocumenteerde migrant betreft die in Curaçao diensten verricht in een uitbuitingsituatie.
Art. 197b SrN
Art. 197c SrNL
NJ2022/79, m.nt. Jörg onder meer het volgende overwogen:
een gewoonte maken vanwerkverschaffing aan illegalen. Tot cassatie geeft dat echter geen aanleiding. Ondanks dat het maken van een gewoonte van werkverschaffing aan illegalen krachtens het bepaalde in art. 2:155, tweede lid, SrC een strafverzwarende omstandigheid is, blijkt uit de strafmotivering van het Hof niet dat het Hof deze omstandigheid daadwerkelijk in strafverzwarende zin heeft betrokken bij de strafoplegging. De strafoplegging van het Hof vanwege het onder feit 1 en het onder feit 3 bewezenverklaarde
tezamengenomen, is bovendien (ruim) gebleven binnen het strafmaximum dat in het licht van de samenloopbepalingen als bedoeld in Titel VII van het Wetboek van Strafrecht van Curaçao voor die feiten geldt, [11] ook als daarbij in aanmerking wordt genomen dat ingevolge art. 1:125, eerste lid, SrC “het maximum van de gevangenisstraffen op het misdrijf gesteld bij medeplichtigheid met een derde [wordt] verminderd”. Dat brengt mee dat zonder nadere toelichting, die in de schriftuur ontbreekt, niet valt in te zien welk belang de steller van het middel beoogt met de kennelijke klacht over de deels onjuiste kwalificatie door het Hof van het onder feit 3 bewezenverklaarde. Daarbij merk ik op dat de Hoge Raad er gelet op het voorgaande ook toe zou kunnen overgaan om de kwalificatie verbeterd te lezen zodat die komt te luiden “medeplichtigheid aan het medeplegen van werkverschaffing aan illegalen”. [12]