Conclusie
Nummer21/02401
middelklaagt dat het hof de bewezenverklaring ontoereikend heeft gemotiveerd. In het bijzonder zou het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, hebben geoordeeld dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte mede was gericht op het bedreigen met geweld van het slachtoffer.
als verklaring van aangeefster [betrokkene 1] d.d. 7 augustus 2018:
- Mijn huistelefoon
- Een donkerrood stoffen sieradenkistje met daarin: een hangertje met gouden bloedkralen en een hangertje met een gouden mutsenbel
- Geld ongeveer 100 euro
- 2 portemonnees
- 2 gouden (zonder steentjes o.i.d.) trouwringen, van mij en mijn overleden man
- In mijn portemonnee zat mijn bankpas en mijn identiteitskaart.”
- Ze waren tenger van postuur. Ze waren niet heel breed
- Ze waren niet heel groot. Ik denk ongeveer 1.70 - 1.75 meter
- Ik dacht dat ze allemaal wat voor de mond hadden. Iets van een doek ofzo. Ik geloof dat het hele gezicht bedekt was
als verklaring van [betrokkene 2] d.d. 27 augustus 2018:
als verklaring van [betrokkene 3] d.d. [betrokkene 2] d.d. 6 augustus 2018:
als relaas van verbalisant [verbalisant 1]:
Beller Gebelde Datum/tijdstip Duur
als relaas van verbalisant [verbalisant 2]:
als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4]:
als verklaring van verdachte d.d. 16 november 2018:
als verklaring van verdachte:
Ik ben op 6 augustus 2018 vanuit ’s-Hertogenbosch met een auto, waarin die drie jongens, naar [plaats] gereden en heb ik die jongens de woning in [plaats] aangewezen.”
De verklaring van verdachteter terechtzitting van het hof d.d. 18 mei 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
NJ2011/470 waren de verdachte en twee medeverdachten betrapt bij een diefstal, deze keer in een woning. Het hof stelde vast dat bij het vluchten door twee van de drie personen geweld was gebruikt en/of bedreigingen met geweld waren geuit. De derde persoon was hierbij niet meer aanwezig; deze was daarvoor al over een schutting geklommen. Het hof kon niet met voldoende zekerheid vaststellen wie van de verdachten op welk moment welke handeling had verricht. Naar ‘s hofs oordeel was dat evenwel niet van belang voor de vraag of de bedreigingen en geweldshandelingen aan de verdachte als medepleger konden worden toegerekend. Het hof overwoog daartoe dat de ‘verdachte samen met zijn medeverdachten de gevolgen van de gezamenlijk geplande en gepleegde inbraak en de mogelijke daaruit voortvloeiende (niet zeer uitzonderlijke) risico’s op de koop toe (heeft) genomen. Verdachte is samen met de medeverdachten opgetrokken en hij heeft zich op geen enkel moment gedistantieerd. Dat betekent dat verdachte, zelfs als hij degene was die over de schutting is geklommen, strafrechtelijk ook verantwoordelijk is voor het tijdens de vlucht gepleegde geweld en voor de bedreiging met geweld’. Uw Raad overwoog dat uit ’s hofs bewijsvoering niet zonder meer kon volgen dat de verdachte wat betreft het bewezenverklaarde geweld en de bewezenverklaarde bedreiging met geweld zo nauw en bewust met zijn mededaders had samengewerkt dat sprake was van het medeplegen van die gedragingen. De door het Hof in aanmerking genomen omstandigheden waren onvoldoende om te kunnen aannemen dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat door een ander geweld zou worden gepleegd of daarmee zou worden gedreigd.
NJ2012/677 waren de verdachte en de medeverdachte eveneens betrapt bij een diefstal in een woning. Uit ’s hofs bewijsvoering volgde dat de verdachte en de medeverdachte zich aan het eind van de ochtend met een breekijzer de toegang hadden verschaft tot een woning waarvan zij wisten dat de bewoners niet thuis waren. De verdachte was via een vlizotrap naar de bovenverdieping gegaan, de medeverdachte bevond zich beneden. Op enig moment waren de bewoners thuisgekomen. De medeverdachte had de aangever beetgepakt, waarna een korte worsteling had plaatsgevonden. De verdachte was toen van de vlizotrap af komen lopen en van de trap gevallen omdat de aangever hem aan zijn been had getrokken, waarna de verdachte direct was weggevlucht. De aangever wilde hem achterna gaan, maar werd door de medeverdachte op zijn achterhoofd en arm geslagen met een breekijzer. De medeverdachte was vervolgens naar buiten gelopen naar de verdachte en zij waren samen weggevlucht. Op het moment dat de medeverdachte over een hek wilde klimmen, was hij gestopt, had hij een slaande beweging naar achteren gemaakt en had hij de aangever op zijn kaak geraakt. Het verweer dat de verdachte (kort gezegd) geen opzet had op het door de medeverdachte gepleegde geweld, werd door het hof verworpen. Het hof achtte niet geloofwaardig dat de verdachte niets had gehoord of gezien van het gepleegde geweld. Het stelde vast dat de verdachte bij de eerste confrontatie met de aangever wist dat de medeverdachte geweld had gebruikt en dat deze kennelijk geweldpleging niet schuwde, dat hij niet had getracht ‘op een of andere wijze zijn mededader van verdere geweldpleging af te houden’ en dat hij zich niet van de geweldpleging had gedistantieerd. Uw Raad casseerde omdat uit de gebezigde bewijsvoering niet zonder meer kon volgen dat het opzet van de verdachte ook gericht was op het bewezenverklaarde, door de medeverdachte gepleegde geweld.
NJ2014/502, een zaak waar ook de steller van het middel naar verwijst. De verdachte in die zaak was veroordeeld wegens (kort gezegd) het medeplegen van een poging tot diefstal met geweld, welk geweld bestond uit het met een wapen afvuren van kogels op het slachtoffer. Uw Raad overwoog dat het hof blijkens de gebezigde bewijsvoering had vastgesteld dat de verdachte voorafgaand aan de poging tot diefstal van de hennep wist van het mogelijk gebruik van geweld, onder meer doordat hij wist dat personen die werden aangetroffen, zouden worden vastgebonden en doordat de verdachte had gezien dat één van zijn mededaders een vuurwapen bij zich had waarvan hij dacht dat dit ter afschrikking zou worden gebruikt. Daaruit had het hof volgens Uw Raad kunnen afleiden dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat het wapen bij de poging tot diefstal van de hennep zou worden gebruikt. [3]
NJ2021/88 m.nt. Jörg, waar de steller van het middel eveneens naar verwijst. Het hof had vastgesteld dat het plan van de verdachten was om in de avonduren rond tien uur met behulp van een koevoet en een ijzeren staaf in te breken in een woning, waarin op dat moment niemand thuis was. Volgens Uw Raad had het hof ‘niet onbegrijpelijk geoordeeld dat in dit plan – bij gebreke van aanwijzingen van het tegendeel – besloten lag dat in het geenszins onwaarschijnlijke geval dat een bewoner tijdens de inbraak zou thuiskomen, tegen hem of haar enig beperkt geweld zou worden gebruikt om te ontkomen, zoals een duw en/of een enkele klap, al dan niet met behulp van die inbrekerswerktuigen. Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het gebruik van het bewezenverklaarde geweld (…) omdat het plegen van dit geweld onderdeel was van het door de verdachte met zijn mededaders uitgevoerde plan’, getuigde niet van een onjuiste rechtsopvatting en was toereikend gemotiveerd.
NJ2020/174, m.nt. Vellinga. In die zaak was de verdachte samen met de medeverdachte in een auto naar een woning gereden om daar met een bundeltje grotendeels vals geld een grote partij hennep te kopen. Op het moment dat door de beoogde verkopers werd ontdekt dat door de verdachte en de medeverdachte niet het afgesproken geldbedrag was meegebracht, heeft één van de hennepverkopers een vuurwapen gepakt en doorgeladen, waarop de verdachte en de medeverdachte met het bundeltje geld en de partij hennep uit de woning zijn gevlucht. Tijdens de vlucht werden zij beschoten. Al vluchtend heeft de medeverdachte vervolgens teruggeschoten met het door hem meegevoerde vuurwapen, waarbij hij zijn laatste schot doelbewust heeft gericht op de persoon die hen beschoot. De verdachte werd veroordeeld wegens het medeplegen van een poging tot doodslag. ’s Hofs oordeel dat de verdachte het voor het medeplegen vereiste opzet op de door de medeverdachte gepleegde poging tot doodslag heeft gehad, was volgens Uw Raad niet toereikend gemotiveerd: ‘Anders dan kennelijk door het Hof is geoordeeld, kan het voor medeplegen vereiste opzet van de verdachte op de poging tot doodslag niet uitsluitend worden aangenomen op de gronden dat bij het dwingen van personen om waardevolle spullen af te staan dan wel het daartoe oplichten van personen binnen een crimineel milieu het in de lijn der verwachting ligt dat over en weer wapens worden meegebracht en zo nodig worden ingezet en dat het niet voor de hand ligt dat het meebrengen van een wapen niet bekend is bij of bekend wordt gemaakt aan de mededader’.