Conclusie
hij vier maanden na de huurperiodevoor het eerst door de politie over deze zaak werd gehoord een verklaring heeft gegeven voor het uitblijven van contact en teruggave van het materiaal die het hof hiervoor ongeloofwaardig heeft geoordeeld en dat het steigermateriaal ook nadien nooit aan [aangever] is geretourneerd;
aan de ene kant, en hetgeen het hof heeft overwogen over de als ongeloofwaardig terzijde gestelde verklaring van de verdachte
aan de andere kant, acht ik niet onjuist, onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd het kennelijke oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte, zonder daartoe gerechtigd te zijn, als heer en meester heeft beschikt over de aanhangwagen en de steigermaterialen. Anders dan de steller van het middel aanvoert, is hier niet sprake van een geval waarin enkel is vastgesteld dat iemand de goederen na afloop van de huurtermijn niet terugbrengt en onbereikbaar is. Het hof heeft in de bewijsvoering immers ook tot uitdrukking gebracht dat en waarom hetgeen de verdachte heeft verklaard als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld en, naar mijn inzicht, heeft het daarin grond kunnen zien voor zijn kennelijke oordeel dat, bij gebreke van een geloofwaardige verklaring voor het gebeurde, het niet anders kan zijn dan dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode over de niet-teruggebrachte goederen als heer en meester heeft beschikt.
niettot het bewijs gebezigd. Dat maakt dat in de voorliggende zaak niet, zoals wel het geval was in de zaak die leidde tot HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1765, gesteld kan worden dat het hof de met de bewezenverklaring onbestaanbare mogelijkheid heeft opengelaten dat de verdachte niet als heer en meester over de goederen heeft beschikt omdat deze daadwerkelijk, conform de door de verdachte gegeven verklaring, op enig moment gestolen waren.